Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV6374

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
22-005519-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart de verdachte niet strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde (zware mishandeling) en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005519-10

Parketnummer: 09-925828-09

Datum uitspraak: 3 februari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 28 oktober 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1991 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 20 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 september 2009 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken kaak en/of een gebroken oogkas), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen, althans éénmaal met de vuist in het gezicht en/of op/tegen het hoofd te stompen en/of met geschoeide voet in de maag te schoppen en/of met geschoeide voet in het gezicht, althans tegen het hoofd te trappen;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 september 2009 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meerdere malen, althans éénmaal met de vuist in het gezicht en/of op/tegen het hoofd te stompen en/of met geschoeide voet in de maag te schoppen en/of met geschoeide voet in het gezicht, althans tegen het hoofd te trappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 september 2009 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken kaak en een gebroken oogkas), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen met de vuist in het gezicht en tegen het hoofd te stompen en met geschoeide voet in de maag te schoppen en met geschoeide voet in het gezicht, althans tegen het hoofd te trappen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen - bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op de grond dat hem een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. De raadsman heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Nadat de aangever een mes had getoond en een stekende beweging had gemaakt richting het lichaam van de verdachte was sprake van een noodweersituatie waarin de verdachte zich mocht verdedigen. Het in het gezicht schoppen en een fiets op hem gooien, nadat de aangever al op de grond lag en de verdachte aanvankelijk al enkele meters was weggelopen waren volgens de raadsman echter geen noodzakelijke verdedigingshandelingen, maar werden veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging. Doordat de verdachte is uitgedaagd, uitgescholden en aangevallen door aangever, ontstonden angst en woede bij de verdachte die hem vervolgens tot zijn handelen hebben gebracht, aldus de raadsman.

Het hof gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de zich in het dossier bevindende processtukken staat naar 's hofs oordeel vast dat sprake was van een gespannen burenrelatie tussen de verdachte en de aangever, die zich reeds enkele jaren voortsleepte.

Op 26 september 2009 bevonden zowel de verdachte als de aangever zich aan de openbare weg te 's-Gravenhage. De verdachte had van zijn moeder vernomen dat zij die ochtend zou zijn uitgescholden door de aangever. De verdachte confronteerde de aangever met voornoemd voorval. Vervolgens ontstond er een woordenwisseling tussen beide. Wat hierna gebeurde is alleen te herleiden aan de hand van de verklaring van de verdachte en de verklaringen van enkele getuigen. De aangever zelf kan zich als gevolg van het ontstane letsel niets meer herinneren van het voorval.

Volgens de lezing van de verdachte begon de aangever tijdens deze woordenwisseling zijn hand bij zijn jaszak te houden. De verdachte heeft de aangever gevraagd wat hij in zijn jaszak had. Vervolgens heeft de aangever zijn hand uit zijn jaszak gehaald en de verdachte een mes getoond. Hierna heeft de aangever, aldus de verdachte, met het mes een stekende beweging gemaakt richting het lichaam van de verdachte waarbij verdachtes vest is geraakt. De verdachte heeft de aangever vervolgens bij zijn nek gepakt en hem naar de grond getrokken. Daarna is de verdachte met zijn rechterknie op de borst van de aangever gaan zitten en heeft hij de aangever drie vuistslagen in zijn gezicht gegeven, hetgeen ook door getuigen is gezien. Na de op de grond liggende aangever een schop in zijn maag te hebben gegeven is de verdachte enkele meters weggelopen. Vervolgens is de verdachte teruggelopen naar de aangever, die op dat moment nog steeds op de grond lag, en heeft hij hem in zijn gezicht geschopt en een fiets op hem gegooid.

Het hof acht de lezing van de verdachte met betrekking tot het mes aannemelijk, nu er op de plaats delict daadwerkelijk een mes is aangetroffen naast het lichaam van de aangever en getuigen ten tijde van het bewezen verklaarde hebben gehoord dat de verdachte tegen de aangever zei: "Wat heb je in je hand?".

Doordat de aangever aan verdachte een mes heeft getoond en met dat mes een stekende beweging heeft gemaakt richting verdachtes lijf, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de aangever van verdachtes lijf, in de zin dat zich op dat moment een - daaronder onder de omstandigheden van dit geval mede te begrijpen - onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding heeft voorgedaan. De verdachte mocht zich daartegen onder de gegeven omstandigheden verdedigen. Echter, het hof is met de politierechter van oordeel, dat de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden door de aangever meerdere keren tegen het hoofd en het lichaam te stompen en te trappen toen hij reeds uitgeschakeld op de grond lag. Een beroep op noodweer faalt mitsdien. In zoverre verwerpt het hof het verweer.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt het hof dat de strafbaarheid van de verdachte slechts kan worden uitgesloten indien de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de wederrechtelijke aanranding veroorzaakt. Daaruit volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedragingen van de verdachte, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. (Vgl. HR 31 maart 2009, NJ 2009, 177)

Naar het oordeel van het hof is op basis van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat de overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging is ontstaan door een hevige - direct door de aanranding met het mes veroorzaakte - gemoedsbeweging bij de verdachte, bestaande in boosheid en angst. Naar het oordeel van het hof is de aanranding met het mes daarvoor van doorslaggevend belang geweest. Daaraan doet niet af dat, naar het hof evenzeer aannemelijk acht, andere factoren - te weten: eerdere voorvallen tussen enerzijds de verdachte en/of zijn familie en anderzijds de buurman, waaronder begrepen het voorval van die ochtend - mede aan het ontstaan van verdachtes boosheid hebben bijgedragen. Om deze redenen acht het hof het gedane beroep op noodweerexces gegrond.

De verdachte is derhalve ter zake van het bewezen verklaarde niet strafbaar en moet dus worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 5.261,60 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zijn vordering gehandhaafd. De vordering is derhalve aan de orde tot een bedrag van € 5.261,60 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hierboven overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte niet strafbaar ter zake van het bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]:

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij], in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. A.L.J. van Strien,

mr. T.L Tan en mr. dr. M. Kessler,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 februari 2012.

Mr. dr. M. Kessler is buiten staat dit arrest te ondertekenen.