Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV5608

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
200.098.851-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW7476, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW7476
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvoeringszaak. HKOV.

Het hof oordeelt dat het HKOV in de onderhaivge zaak toegepast kan worden ondanks het feit dat Nigeria geen verdragsland is. Voor zover wordt betoogd dat het beoordelingskader in niet-verdragszaken, zoals de onderhavige, ruimer is dan in verdragszaken en dit ook een volledige afweging van de belangen van de kinderen kan omvatten, gaat het hof voorbij.

Niet in geschil is dat de minderjarigen ongeoorloofd zijn overgebracht in de zin van artikel 3 van het HKOV vanuit Nigeria naar Nederland. De weigeringsgronden van artikel 13 lid 1 sub b en lid 2 van het HKOV zijn niet aanwezig. In afwijking van de rechtbank is het hof van oordeel dat bij minderjarige 1 geen sprake is van verzet in de zin van artikel 13 lid 2 van het HKOV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 18 januari 2012

Zaaknummer : 200.098.851/01

Rekestnr. rechtbank : FA 11-7912

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van centrale autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, tot uitvoering van onder meer het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de centrale autoriteit,

advocaat mr. J. Bootsma,

mede optredend namens:

[vader],

wonende te [A], Nigeria,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. Bootsma.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[moeder], in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [woonplaats] vermeld als

[moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H.A. Schipper te ’s-Gravenhage.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De centrale autoriteit is op 15 december 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 december 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De moeder heeft op 21 december 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de centrale autoriteit:

- op 20 december 2011 een brief van 19 december 2011 met bijlagen;

- op 21 december een faxbericht met bijlagen;

- op 22 december 2011 een faxbericht met bijlagen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 23 december 2011 een faxbericht ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad in deze zaak in eerste aanleg niet betrokken is geweest en niet ter terechtzitting zal verschijnen.

De zaak is op 23 december 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- mevrouw mr. L. Ipenburg namens de centrale autoriteit en

- de vader, beiden bijgestaan door hun advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Voorts is aan de zijde van de vader verschenen mevrouw P. Molenaar, beëdigd tolk in de Engelse taal en aan de zijde van de moeder is verder verschenen mevrouw F. Burnham-Veldhuyzen, beëdigd tolk in de Engelse taal.

De respectieve advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn in raadkamer gehoord.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het inleidend verzoek van de centrale autoriteit, inhoudende de onmiddellijke terugkeer van de na te noemen minderjarigen te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Nigeria, dan wel - indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen - te bepalen op welke datum de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Nigeria, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de teruggeleiding van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren [in] 2000 te [geboorteplaats], Nigeria, hierna verder: [minderjarige 1], en

[minderjarige 2], geboren [in] 2002 te [geboorteplaats], hierna verder: [minderjarige 2], hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen, naar Nigeria.

2. De centrale autoriteit verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het in eerste aanleg gedane verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar hun gewone verblijfplaats in Nigeria toe te wijzen en een datum vast te stellen waarop de minderjarigen uiterlijk door de moeder naar Nigeria dienen te worden teruggebracht, althans waarop de minderjarigen door de moeder aan de vader met een benodigd geldig reisdocument worden afgegeven voor terugkeer naar Nigeria en voorts toe te wijzen het verzoek van de vader tot voldoening door de moeder van de voor deze procedure door de vader gemaakte kosten. De centrale autoriteit heeft ter terechtzitting haar beroep gewijzigd in die zin, dat zij de grief betrekking hebbende op de proceskostenveroordeling heeft ingetrokken.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof het appel van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking, eventueel onder verbetering van gronden, te bekrachtigen.

De toepasselijkheid van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen

(hierna: HKOV)

4. Voor zover de moeder heeft betoogd dat de bepalingen van het HKOV in de onderhavige zaak niet kunnen worden toegepast aangezien Nigeria geen verdragsland is, gaat het hof - evenals de rechtbank - hieraan voorbij. Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Voorzover de moeder voorts nog betoogt dat het beoordelingskader in niet-verdragszaken, zoals de onderhavige, ruimer is dan in verdragszaken en dit ook een volledige afweging van de belangen van de kinderen kan omvatten, gaat het hof daar eveneens aan voorbij. Ook voor niet-verdragszaken is het de bedoeling geweest om de weigeringsgronden van het verdrag, dat een wereldwijde werking beoogt te hebben, analoog toe te passen. De belangen van de minderjarigen zullen in de beoordeling worden betrokken, zoals het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in kinderontvoeringszaken herhaalde malen heeft bepaald. Het voert echter te ver om met een voorbijgaan aan de verdragsbepalingen de belangen van het kind te beoordelen. Het verdrag beoogt immers evenzeer die belangen te dienen; het uitgangspunt is dat de belangen van een minderjarige er in beginsel niet mee zijn gediend, om ongeoorloofd door een ouder meegenomen te worden naar een ander land. In het land van de gewone verblijfplaats moet ten gronde worden beslist over het gezag over de minderjarigen en over de vraag waar zij zullen verblijven.

Ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren (artikel 3 van het HKOV)

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de minderjarigen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats hadden in Nigeria en dat de moeder de minderjarigen op 13 mei 2011 ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het HKOV heeft overgebracht naar Nederland.

6. Gelet op het hiervoor overwogene dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Nigeria te volgen zoals bedoeld in artikel 12 van het HKOV, tenzij sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het HKOV.

Weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV

7. De vader betoogt in zijn eerste grond dat het (negatieve) reisadvies voor Nigeria - waarop de rechtbank haar oordeel mede baseert - slechts een algemeen reisadvies over de algemene onveilige situatie in bepaalde gebieden betreft, niet zijnde [A] alwaar de vader woont. In zijn visie verzetten de gevaren van Nigeria zich niet tegen een terugkeer van de minderjarigen naar Nigeria, waarbij hij erop wijst dat zijn werkgever [oliebedrijf] (tot op heden) inzake de veiligheid van het personeel geen speciale veiligheidsinstructies heeft gegeven, hetgeen wel gebruikelijk is indien de situatie van [A] daarom vraagt. Daarnaast betwist de vader dat de angst van de minderjarigen omtrent hun (woon)situatie in Nigeria - op basis waarvan de minderjarigen, en met name [minderjarige 1], zich verzetten tegen een terugkeer - reëel is. De vader voert daartoe onder meer aan dat niet uitzonderlijk is dat in zijn appartement een panic button aanwezig is, nu zo’n knop in alle appartementen van het appartementencomplex aanwezig is. Verder betwist de vader dat familieleden van de moeder zijn ontvoerd en dat de minderjarigen schietincidenten zouden hebben gehoord.

8. De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader ten onrechte de indruk wekt dat de situatie in [A] veilig is. De moeder voert daartoe onder meer aan dat de panic button een reëel doel beoogt en dat de vader zijn woning niet voor niets op deze wijze beveiligd heeft. De knop is nodig omdat de algehele veiligheidssituatie in Nigeria onvoldoende is en de gewone politiebeambten in Nigeria onvoldoende zijn opgeleid om de Nigeriaanse burgers te beschermen. Dit geldt ook voor [A], hetgeen volgens de moeder ook blijkt uit de in eerste aanleg overgelegde reisadviezen en instructies. In aanvulling daarop zijn door de moeder nog aanvullende reisadviezen en nieuwsberichten, inhoudende verslagen over verscheidene ontvoeringen in [A], overgelegd. Daaruit blijkt onder meer dat de minderjarigen persoonlijk een verhoogd veiligheidsrisico lopen als kinderen van een (niet onbemiddelde) [oliebedrijf]-medewerker, aldus de moeder. Het feit dat er in het verleden nog niets is gebeurd, biedt geen enkele garantie voor de toekomst omdat de dreiging constant aanwezig en reëel is.

9. Het hof overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV de rechter van de aangezochte staat niet gehouden is de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het verdrag brengen met zich dat de weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd. Dit betekent dat de rechter van de aangezochte staat, die zich dient te onthouden van een oordeel omtrent het gezagsrecht en het omgangsrecht, de in die bepaling gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten, louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter. De weigeringsgrond ziet op extreme situaties.

Dit betekent dat niet snel mag worden aangenomen dat deze weigeringsgrond aanwezig is.

10. De algemene situatie in een land, in onderhavige zaak Nigeria, kan gelet op het vorenstaande in beginsel niet tot het oordeel leiden dat een kind door terugkeer naar dat land zal worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Steeds zal dan ook op basis van naar voren gebrachte individuele feiten en omstandigheden moeten worden onderzocht of de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV zich voordoet.

11. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder niet dan wel onvoldoende aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarigen aan een gevaar in de zin van artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV worden blootgesteld in geval van een terugkeer naar Nigeria. Uit de overgelegde stukken, waaronder reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, blijkt weliswaar dat niet-essentiële reizen naar bepaalde gebieden in Nigeria worden ontraden, maar dit geldt vooral voor de afgelegen delen van de [X] en [Y] en niet voor [A] en/of [B], waar de moeder de laatste periode met de minderjarigen in Nigeria verbleef.

Partijen hebben van 2001 tot februari 2009 gezamenlijk met de minderjarigen in Nederland gewoond. In februari 2009 is de vader voor zijn werk teruggekeerd naar [A], Nigeria. In juli 2009 is de moeder met de minderjarigen naar Nigeria verhuisd en hebben partijen aldaar met de minderjarigen in [A] samengewoond. Zij hebben gedurende het tijdvak van juli 2009 tot het vertrek van de moeder met de minderjarigen naar (het als onveiliger gebied aangemerkte) [B] in augustus 2010 steeds in een beveiligde omgeving gewoond en is er zorg gedragen voor voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen. Niet is gebleken dat de minderjarigen gedurende hun verblijf in Nigeria ooit problemen hebben gehad met de situatie in Nigeria, noch in [A], noch in [B].

Het hof overweegt daarbij in dit verband dat de panic button tot op heden, naar door de vader onbetwist is aangevoerd, nog nimmer tot een actie van de beveiligers van de woonomgeving heeft geleid. Voorts overweegt het hof dat de minderjarigen gedurende hun bijna tweejarige verblijf in Nigeria ook gewoon een school bezochten, zij - weliswaar op het ommuurde woonterrein - buiten speelden en zij sporten beoefenden, namelijk tennis en zwemmen. Bij al deze activiteiten is de veiligheid van de minderjarigen altijd voldoende gewaarborgd geweest en het hof heeft geen aanleiding om aan te nemen dat dit bij een mogelijke terugkeer van de minderjarigen naar Nigeria anders zal zijn. Voor zover de minderjarigen een verhoogd veiligheidsrisico zouden lopen als kinderen van een [oliebedrijf]-medewerker, blijkt uit de stukken dat ook daarvoor afdoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen.

Gesteld noch gebleken is voorts dat andere persoonlijke omstandigheden nopen tot het vaststellen van de aanwezigheid van deze weigeringsgrond.

Weigeringsgrond van artikel 13 lid 2 van het HKOV

12. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten aanzien van [minderjarige 1] ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het HKOV. De vader voert ten aanzien van de beide minderjarigen aan dat zij nog niet de leeftijd en mate van rijpheid hebben dat zij bij dit conflict dienen te worden betrokken, mede omdat zij de gevolgen van hun acties nog niet kunnen overzien. Voorts bevinden de minderjarigen, en met name [minderjarige 1], zich onder de invloed van de moeder en in een loyaliteitsconflict. Bovendien is met het toekennen van het verzet aan [minderjarige 1] ook de weg naar terugkeer voor [minderjarige 2] afgesloten. Zij wordt derhalve meegetrokken in de wensen van haar broer.

13. De moeder stelt zich op het standpunt dat de minderjarigen zich sedert hun terugkeer naar Nederland consequent hebben verzet tegen terugkeer. [minderjarige 1] heeft dit gedaan in zijn gesprekken met de maatschappelijk werkster op school. Ook hebben beiden zich niet alleen verzet in hun gesprekken in het kader van de mediation, maar ook bij het verhoor bij de rechtbank. De minderjarigen hebben daarna ook nog zelf hun bezwaren met de vader besproken. Om voormeld consequent verzet van de minderjarigen tegen een terugkeer, dient hiermee rekening te worden gehouden.

14. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 13 lid 2 van het HKOV de rechter niet gehouden is de terugkeer van het kind te gelasten, indien hij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

15. De minderjarigen zijn in raadkamer gehoord. Het hof heeft ter zitting van dit verhoor uitgebreid verslag gedaan. Het hof is ten aanzien van [minderjarige 1] van oordeel dat hij een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat weliswaar niet onmogelijk is dat sprake is van enige invloed van de moeder, doch dat aannemelijk is dat [minderjarige 1] gezien zijn leeftijd, hij was 11,5 jaar oud op het moment dat hij door het hof werd gehoord, eigen herinneringen heeft aan de tijd waarin hij in Nigeria verbleef en dat [minderjarige 1] door het hof in staat wordt geacht zich hierover een eigen mening te vormen. Hij kon zich verbaal goed uitdrukken en zijn gedachten en gevoelens toereikend onder woorden brengen, was consistent in zijn verhaal en kwam het hof in zijn bewoordingen leeftijdsadequaat voor. Met betrekking tot [minderjarige 2] is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat het de vraag is of zij een mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden. Los van deze vraag evenwel, is het hof van oordeel dat hetgeen [minderjarige 2] heeft aangegeven, inhoudende onder meer niet naar Nigeria terug te willen keren omdat het in Nederland leuker en veiliger is, op zichzelf niet voldoende is in het licht van de uitzonderingsbepaling van artikel 13 lid 2 van het HKOV. Van verzet tegen haar terugkeer als bedoeld in laatstgemelde bepaling is niet gebleken. Haar leeftijd, 9 jaar, sluit overigens op zichzelf niet uit dat haar verklaringen gewicht in de schaal hebben gelegd.

16. Evenmin is het hof aan de zijde van [minderjarige 1], anders dan de rechtbank, gebleken van verzet als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het HKOV. Het hof heeft begrepen dat de grond van het verzet van [minderjarige 1] voornamelijk is gelegen in zijn angst omtrent de (algemene) veiligheidssituatie in Nigeria. Gelet op de daarover in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling aangevoerde feiten en omstandigheden is het hof evenwel van oordeel dat het verzet van [minderjarige 1], voor zover daarop gegrond, onvoldoende weegt om diens terugkeer naar Nigeria te weigeren. De (overige) door [minderjarige 1] geuite bezwaren zijn aan te merken als een wens om liever in Nederland te blijven, aangezien hij de omstandigheden in Nederland veiliger/beter vindt. Uit zijn verklaring komt evenwel ook naar voren dat hij het in Nigeria naar zijn zin had en dat hij aanvankelijk, toen hij vernam te zullen vertrekken naar Nederland, dit niet prettig vond.

Voor zover de moeder nog heeft betoogd dat de minderjarigen ook aan derden, waaronder de maatschappelijk werker van de school, van verzet hebben doen blijken heeft de vader dit betwist. Hij stelt een gesprek te hebben gevoerd met de schoolmaatschappelijk werker; daaruit kwam naar voren dat [minderjarige 1] niet zou hebben gesproken over een al dan niet terugkeren naar Nigeria. De moeder heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd zodat het hof daar aan voorbijgaat.

Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat bij [minderjarige 1] geen sprake is van verzet in de zin van artikel 13 lid 2 van het HKOV.

17. Nu geen sprake is van één of meer van de in artikel 13 van het HKOV genoemde weigeringsgronden, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen. Ook anderszins is het hof niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarigen dat ook in zaken van internationale kinderontvoering voorop staat. Dit belang strekt er enerzijds toe dat het kind zo snel mogelijk wordt herenigd met zijn ouders zodat de ene ouder niet een onredelijk voordeel zal behalen uit tijdsverloop en anderzijds te verzekeren dat zijn/haar ontwikkeling plaatsvindt in een veilige omgeving. In de onderhavige zaak speelt het eerste aspect geen rol van belang nu de moeder, daarnaar bevraagd door het hof, ter terechtzitting heeft verklaard dat zij, in het geval het hof tot teruggeleiding van de minderjarigen zal beslissen, niet met de minderjarigen mee terug zal gaan naar Nigeria. Het hof ziet dit, als de moeder al bij deze beslissing zou blijven, als een eigen (vrijwillige) keuze van de moeder, nu er zijdens de moeder geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die er aan in de weg staan dat de moeder met de minderjarigen naar Nigeria verhuist. Nu de minderjarigen op een dusdanige leeftijd zijn, dat zij niet meer sterk afhankelijk zijn van de moeder en de vader heeft toegezegd bij afwezigheid van de moeder aldaar de minderjarigen bij een terugkeer naar Nigeria te zullen opvangen, is aan dit aspect van het belang voldoende gewicht toegekend. Daarbij neemt het hof voorts in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat een eventuele terugkeer naar de vader zodanig strijdig zou zijn met de belangen van de minderjarigen dat daarom van een terugkeer moet worden afgezien. Uit de stukken, ook het verhandelde ter zitting in eerste aanleg, komt naar voren dat de minderjarigen met de vader een redelijk goede band ervaren. Met betrekking tot het aspect van een veilige omgeving, verwijst het hof naar hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 11, waaruit volgt dat ook dit aspect zich niet tegen een teruggeleiding van de minderjarigen naar Nigeria verzet.

Dit brengt met zich mee dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en de terugkeer van de minderjarigen naar Nigeria wordt gelast.

18. Het hof zal, conform het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, de afgifte van de minderjarigen, met eventueel de benodigde reisdocumenten, aan de vader bevelen voor het geval de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Nigeria en wel uiterlijk op 31 januari 2012.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

gelast de onmiddellijke teruggeleiding van [minderjarige 1], geboren [in] 2000 te [geboorteplaats], Nigeria en [minderjarige 2], geboren [in] 2002 te [geboorteplaats], naar de plaats van hun gewone verblijf in Nigeria, uiterlijk op 31 januari 2012;

beveelt, voor het geval de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Nigeria, de afgifte van de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader, uiterlijk op 31 januari 2012;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stille en Pannekoek-Dubois, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2012.