Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV4099

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
200.087.591-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7696, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nietigverklaring geregistreerd partnerschap. Het hof bekrachtigt beschikking waarbij het gesloten g.p. vanaf datum van het aangaan nietig is verklaard. Hof begrijpt dat rechtbank voorshands aannemelijk heeft geacht dat de man de gevolgen van het aangaan van het g.p. niet heeft kunnen overzien en oordeelt dat de rechtbank, behoudens tegenbewijs en vervolgens toegelaten tot het leveren van tegenbewijs door middel van een contra-expertise. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank zulks terecht geoordeeld. De vrouw is niet geslaagd in het tegenbewijs; passeren tegenbewijsaanbod in hoger beroep. Voldoende aannemelijk dat de man de gevolgen van het g.p. niet heeft kunnen overzien. De vrouw moet er voor worden gehouden dat zij niet te goeder trouw was op het moment van het aangaan van het g.p.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 8 februari 2012

Zaaknummer : 200.087.591/01 Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-8654 en FA RK 09-8326

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat voorheen mr. P. Garretsen te ’s-Gravenhage, thans mr. M.S. Odink te ’s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.A. Kiek te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente].

zetelend te [gemeente],

hierna te noemen: de ambtenaar.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 19 mei 2011 in hoger beroep gekomen van een beschik¬king van 21 februari 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De man heeft op 28 september 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 7 november 2011 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 30 november 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 15 december 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Van de zijde van de vrouw en van de man zijn pleitnotities overgelegd.

De ambtenaar is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikkingen van 28 juni 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage, de bestreden beschikking en de beschikking 21 maart 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

Bij de beschikking van 28 juni 2010 is:

- de vrouw toegelaten tot het leveren van bewijs door middel van een contra-expertise teneinde aan te tonen dat de geestvermogens van de man ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap niet zodanig waren gestoord dat hij niet in staat was om op dat moment zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen;

- bepaald dat de behandeling van beide zaken pro forma wordt aangehouden tot 1 november 2010, en dat partijen daartoe dienen te handelen als hierboven overwogen;

- bepaald dat, indien de man of de vrouw aan het in die beschikking bepaalde geheel of gedeeltelijk niet voldoet, de zaak FA RK 09-8654 / 350235, met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;

- iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is het op 21 april 2009 gesloten geregistreerd partnerschap van partijen, vanaf de datum van het aangaan van het partnerschap, nietig verklaard. Voorts is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot opheffing van het namens de vrouw gelegde maritaal beslag. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Bij beschikking van 21 maart 2011 is de voormelde beschikking van 21 februari 2011 verbeterd, in die zin dat op bladzijde 5 het volgende wordt gelezen:

“Deze beschikking is gegeven door mrs. F.J. Verbeek, C.W. de Wit en H. Lenters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2011. Voorts is de beschikking van 21 februari 2011 voor het overige gehandhaafd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de nietigverklaring van het geregistreerd partnerschap vanaf de datum van het aangaan van het partnerschap.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking (het hof begrijpt:) te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek, subsidiair het verzoek van de man af te wijzen, met bepaling dat met betrekking tot de verzoeken van de vrouw alsnog ten gronde moet worden beslist.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden en de vrouw te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep.

Ontvankelijkheid

4. In de meest verstrekkende grief stelt de vrouw dat de rechtbank de man niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn verzoek tot een verklaring voor recht aangezien dit enkel bij dagvaarding kan worden gevorderd, althans subsidiair de man had moeten verwijzen naar de dagvaardingsprocedure op grond van artikel 69 Rv. Zij stelt dat haar belang bij dit standpunt is gelegen in de omstandigheid dat voor het indienen van een dergelijk nieuw verzoek van de man de termijn inmiddels is verstreken;

5. De man heeft het standpunt van de vrouw gemotiveerd bestreden. Hij voert aan dat een nietigverklaring van het geregistreerd partnerschap niets anders is dan een verklaring voor recht dat het geregistreerd partnerschap nietig is en verwijst naar een beschikking van 13 april 2011 van de rechtbank Utrecht. Voorts voert de man aan dat een procedure die betrekking heeft op boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) altijd bij verzoekschrift dient te worden aangebracht. Indien en voor zover de vrouw de zaak wel bij dagvaarding aanhangig had moeten worden, zou de rechtbank hebben gehandeld zoals is voorgeschreven in artikel 69 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (verder: Rv) en op de voet van lid 2 van dit artikel hebben bevolen dat de procedure van de man zou worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. Indien en voor zover de rechtbank dit artikel ten onrechte niet heeft toegepast, verzoekt de man dit alsnog te doen. De procedure is nog steeds, inmiddels door het hoger beroep aanhangig, zodat het beweerdelijk verstreken zijn van een termijn voor het indienen van een (nieuw) verzoek niet aan de orde kan zijn.

6. Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 1:80a BW en de toelichting daarop blijkt dat de nietigverklaring van een huwelijk van overeenkomstige toepassing is op de nietigverklaring van het geregistreerd partnerschap. Aangezien de nietigverklaring van een huwelijk wordt ingeleid door een verzoekschrift, geldt dit ook voor de nietigverklaring van het geregistreerd partnerschap. De rechtbank kon de man derhalve ontvangen in zijn verzoek. De grief faalt.

Klachten met betrekking tot de procedure bij de rechtbank

7. De vrouw stelt dat de rechtbank haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op de reactie van de man op het contra-expertiserapport en dat de dat de rechtbank de feiten niet juist en volledig heeft vastgesteld.

8. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw terecht niet de gelegenheid heeft geboden om te reageren op de reactie van de man op het contra-expertiserapport. Hij voert aan dat partijen niet onbeperkt het recht hebben om op elkaars processtukken te reageren. Voorts voert de man aan dat de rechtbank de feiten wel juist heeft vastgesteld. Hij meent dat de vrouw de feiten onjuist weergeeft.

9. Het hof overweegt als volgt. Nu de vrouw in hoger beroep ten volle in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren, en in dat kader ook alsnog heeft kunnen reageren op genoemde reactie van de man op het contra-expertiserapport, kan de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg in het midden blijven en gaat het hof aan deze stellingen van de vrouw voorbij.

Aanvulling rechtsgronden

10. De vrouw stelt dat de rechtbank het verzoek van de man niet had mogen opvatten als een verzoek tot nietigverklaring ex artikel 1:80a in verbinding met artikel 69 BW. Een verzoek dat niet wordt gedaan, kan niet worden omgezet in een verzoek dat de rechtbank zelf construeert.

11. De man meent dat de stelling van de vrouw onbegrijpelijk is en voor zover wel begrijpelijk onjuist. Er bestaat geen verplichting in deze procedure om aan te geven op welke artikelen in de wet een partij zich beroept. Genoegzaam is in deze zaak duidelijk wat de man verzocht en op grond waarvan.

12. Het hof overweegt als volgt. In het inleidende verzoek van de man is, onder meer en uitvoerbaar bij voorraad, verzocht voor recht te verklaren dat het tussen partijen op 21 april 2009 te [gemeente] gesloten geregistreerd partnerschap nietig is op grond van de omstandigheid dat de man ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van de door hem afgelegde verklaring te begrijpen. De rechtbank heeft dit opgevat als een verzoek tot nietigverklaring ex artikel 1:69 juncto 80a van het BW. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank binnen de grenzen van de rechtsstrijd de rechtsgronden aangevuld.

Verklaring van voornemen tot geregistreerd partnerschap

13. Voorts betoogt de vrouw dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft verdiept in de gang van zaken omtrent het aangaan van een geregistreerd partnerschap. Nu de man verzoekt om een verklaring van recht dat het aangegane geregistreerd partnerschap nietig is, doelt de man kennelijk op de verklaring die hij op 21 april 2009 ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft afgelegd. Niet wordt door de man gevorderd dat zijn verklaring zoals hij die op 6 april 2009 heeft getekend wordt vernietigd, zodat die verklaring onverkort geldt.

14. De man voert daartegen verweer en stelt dat deze procedure ziet op de nietigverklaring van de partnerschapsregistratie, die plaatsvond op 21 april 2009.

15. Het hof overweegt als volgt. Op 6 april 2009 hebben partijen aangifte gedaan van het voornemen tot registratie. Nu dit slechts een voornemen betreft, is het hof van oordeel dat de rechtbank deze terecht niet in de beoordeling heeft betrokken, aangezien het geregistreerd partnerschap niet tot stand komt door een aangifte van het voornemen tot registratie en derhalve de eventuele nietigverklaring van deze aangifte niet kan leiden tot een nietigverklaring van het geregistreerd partnerschap.

Geestelijke stoornis?

16. Het hof begrijpt de stellingen van de vrouw aldus dat zij stelt dat man bij volle verstand op of per 6 april 2009 heeft verklaard een geregistreerd partnerschap te willen aangaan. Zij stelt dat de bewijslast op de man rust dat hij ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap 21 april 2009 niet in staat was om zijn wil te bepalen. De rechtbank had eerst die bewijslevering aan de zijde van de man moeten toelaten alvorens de vrouw toe te laten tot het leveren van tegenbewijs. Er kon niet voorshands worden geoordeeld dat de man voldoende bewijs had aangedragen. Daartoe stelt de vrouw onder meer dat de verklaring van de geriater ondeugdelijk is en dat het door de man in het geding gebrachte rapport van professor dr. Ph. Scheltens van het VU medisch centrum (neuroloog bij het alzheimercentrum) (verder: Scheltens) niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en ook vakinhoudelijk onjuist en/of althans onvolledig is. Voorts stelt de vrouw dat het onmogelijk is om met terugwerkende kracht te bepalen dat iemand op een tijdstip gelegen in het verleden wilsonbekwaam was.

17. De man heeft het vorenstaande gemotiveerd bestreden.

18. Het hof overweegt als volgt. Juist is het standpunt van de vrouw dat op grond van artikel 150 Rv, op de man, die zich beroept op ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap zijn geestvermogens dusdanig waren gestoord, dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van de verklaring te begrijpen, de bewijslast rust van deze stelling. Hoewel een en ander naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende, blijkt uit de bestreden beschikking, heeft de rechtbank het kennelijk op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting voorshands voldoende aannemelijk geacht dat de man de gevolgen van het geregistreerd partnerschap niet heeft kunnen overzien, behoudens tegenbewijs. De rechtbank heeft, zo begrijpt het hof, de vrouw vervolgens toegelaten tot het leveren van tegenbewijs door middel van een contra-expertise.

19. Het hof zal dan ook allereerst beoordelen of de rechtbank terecht op basis van de overgelegde zulks voldoende aannemelijk heeft geacht.

20. Het hof stelt voorop dat beoordeeld dient te worden of aan de zijde van de man sprake was van een geestelijke stoornis op het moment dat hij de rechtshandeling van het aangaan van het geregistreerd partnerschap verrichtte en of hij de betekenis van die verklaring kon overzien.

21. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man in eerste aanleg een verklaring van Scheltens overgelegd. Dat, zoals de vrouw stelt, de rapportage van Scheltens niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en vakinhoudelijk onjuist is, is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en overigens niet vast komen te staan, zodat het hof aan deze stelling voorbij gaat. In het rapport staat vermeld dat de man al jaren aan steeds verder vorderende dementie (van het type ziekte van Alzheimer) lijdt. Uit de door Scheltens bestudeerde MRI gegevens van 21 februari 2007 blijkt volgens Scheltens dat die al een dusdanig beeld laat zien dat dit gelet op de leeftijd van de man destijds (64) pleit voor een zich ontwikkelde morbus Alzheimer. Uit de MRI van 2 oktober 2009 blijkt een progressie van de globale en hippocampale atrofie die indrukwekkend is en ver uitstijgt boven het niveau van globale veroudering, aldus Scheltens. Hij concludeert op basis van aan hem overgelegde stukken dat vast staat dat de geestesvermogens van de man op 21 april 2009 reeds zodanig gestoord waren dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van de toen door hem afgelegde verklaring te begrijpen en (daardoor) in dwaling heeft verkeerd omtrent de betekenis van de toen door hem afgelegde verklaring.

22. Voorts blijkt uit de door de man overgelegde stukken dat de man op 18 september 2008 in het Haga Ziekenhuis is onderzocht door mevrouw S. Lonterman, klinisch geriater, en mevrouw W.J. Terlouw (verpleegkundig consulent geriatrie), die hem eind 2005 reeds hadden onderzocht in verband met een achteruitgang van zijn geheugen. Onder meer wordt geconcludeerd dat bij de man sprake is van cognitieve stoornissen met hiaten in de inprenting, het recente geheugen en ook uitvoerende functiestoornissen. Er wordt verwezen naar een neuro-psychologisch onderzoek van 20 februari 2007 waaruit blijkt dat sprake is van een dementiesyndroom. Voorts is meegedeeld dat het Haga Ziekenhuis de man zal aanmelden bij een casemanager voor ‘jong dementerenden’ van [verpleeghuis]. Daarna is de man op 30 september 2008 onderzocht door dr. R.W.M. Keunen, neuroloog, in verband met toenemend geheugenverlies. Tijdens dit onderzoek is door vrouw opgemerkt dat de man last heeft van een soort van selectief geheugenverlies. De conclusie van dit onderzoek luidde dat “de ziekte van Alzheimer nog steeds niet overtuigend is bewezen. Een deel van de klachten wordt mogelijk verklaard door het alcoholgebruik.” De vrouw heeft, onder andere, verklaard dat de man 7 a 8 keer hetzelfde kan vragen in korte tijd. Daarnaast wordt in de door de man overgelegde verklaringen van familieleden en kennissen – kort samengevat – aangevoerd dat de man vaak te kennen gaf dat hij nimmer een huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap meer wenste aan te gaan en zijn vermogen niet wilde delen.

23. Op basis van het vorenstaande moet het ervoor worden gehouden dat de man leed aan een dementiesyndroom en de man niet de intentie had om een huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap aan te gaan. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht heeft kunnen oordelen dat zij het voorshands, behoudens tegenbewijs, aannemelijk heeft geacht dat de man ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap niet in staat was de vergaande consequenties van het verrichten van deze rechtshandeling met zich meebrachten te overzien. Derhalve heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof op goede gronden de vrouw toegelaten tot bewijs van haar stellingen.

24. Vervolgens heeft de vrouw een contra-expertise laten verrichten door dr. A. Korzec (verder: Korzec). Daaruit komt naar voren dat hij het aannemelijk acht op basis van de stukken dat er tussen eind 2008 en april 2009 sprake was van een dementieel syndroom of van een mild cognitieve impairment, waarbij hij nog net met zelfstandig met sociale steun kon functioneren. Het is volgens Korzec niet mogelijk op betrouwbare wijze, zonder de beschikking van een psychiatrisch onderzoek rond de litigieuze datum 21 april 2009, de wilsbekwaamheid van de man achteraf te beoordelen. Het lijkt er echter niet op dat de man op alle onderdelen wilsonbekwaam was.

25. Het hof overweegt als volgt. In het rapport van Korzec worden weliswaar vraagtekens gesteld bij de mogelijkheid bepaling van de wilsonbekwaamheid ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap, maar eveneens vloeit uit dit bewijs voort dat er wel degelijk aanwijzingen waren voor wilsonbekwaamheid. Het hof is dan ook van oordeel dat de contra-expertise niet zodanig overtuigend bewijs levert dat de vrouw slaagt in het leveren van het tegenbewijs.

26. De vrouw heeft in hoger beroep geen nader tegenbewijs geleverd. Wel heeft zij een aanbod gedaan tot bewijslevering. In een situatie als de onderhavige, waarin de rechter in eerste aanleg bepaalde door de man gestelde feiten en omstandigheden voorshands bewezen heeft geacht en de vrouw heeft toegelaten tot het leveren van tegenbewijs en de vrouw met het oog op deze bewijslevering tegenbewijs heeft geleverd, mag van de vrouw worden verwacht dat zij, indien zij vervolgens in hoger beroep een bewijsaanbod doet met de bedoeling aanvullend tegenbewijs te leveren, dit bewijsaanbod nader toelicht, bijvoorbeeld door te specificeren dat en waarom zij (bepaalde) getuigen wil doen horen (vgl. HR 12 september 2003, LJN AF7677, NJ 2005, 268). Het hof passeert dan ook het aanbod van de vrouw om (tegen)bewijs te leveren.

27. Naar het oordeel van het hof is op grond van het vorenstaande voldoende aannemelijk geworden dat de man de gevolgen van het geregistreerd partnerschap ten gevolge van de geestelijke stoornis niet heeft kunnen overzien. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking ten aanzien van nietigverklaring van het geregistreerd partnerschap bekrachtigen.

Te goeder trouw?

28. Ingevolge artikel 1:77 lid 1 BW werkt de nietigverklaring terug tot het tijdstip van het aangaan van het geregistreerd partnerschap. Nochtans mist de beschikking terugwerkende kracht ten aanzien van de te goeder trouw zijnde echtgenote, aldus artikel 1:77 lid 2 onder b BW. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw in deze niet te goeder trouw is geweest. De ziekte van Alzheimer is niet gediagnosticeerd. Dat de man afwijkend gedrag vertoont en cognitieve beperkingen had of hield, maakt niet dat hij in die situatie wilsonbekwaam is.

29. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De man stelt dat de bewijslast van de te goede trouw rust op de vrouw. Voorts voert de man aan dat voor zover goede trouw van de vrouw wordt verondersteld, het ontbreken van die goede trouw genoegzaam blijkt uit de gedingstukken.

30. Het hof overweegt als volgt. Ter beantwoording van de vraag of de echtgenoot te goeder trouw is, zal het tijdstip van het aangaan van het geregistreerd partnerschap beslissend moeten worden geacht. De goede trouw zal mogen worden aangenomen, de kwade trouw moeten worden bewezen door de tegenpartij.

31. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de vrouw niet te goeder trouw was. De vrouw is bij het merendeel van de onderzoeken van de man in het ziekenhuis aanwezig geweest en heeft meermalen kenbaar gemaakt dat de man leed aan problemen met betrekking tot zijn geheugen. De vrouw heeft gesteld dat de man haar soms 7 à 8 maal dezelfde vraag stelde. Voorts heeft zij in december 2008 contact opgenomen met mevrouw[X], case-manager bij zorginstelling [Y] te ’s-Gravenhage. Mevrouw [X] heeft de vrouw ontraden om in het huwelijk te treden met de man, omdat zij door een huwelijk (en de te verwachten verslechtering van de toestand van de man) als mantelzorger nog zwaarder zou worden belast. Het hof leidt hieruit af dat de vrouw zich kennelijk bewust was, althans zich bewust had moeten zijn van de problemen in de geestestoestand van de man en de omstandigheid dat de problematiek van de man zou toenemen. Het geregistreerd partnerschap is aangegaan zonder dat de directe familieleden van de man daarvan op de hoogte waren gesteld. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij voor de man wenste te zorgen. Die verklaring lijkt innerlijk tegenstrijd te zijn met de omstandigheid dat de vrouw zeer kort nadat zij het geregistreerd partnerschap is aangegaan heeft verzocht tot ontbinding van dit geregistreerd partnerschap. Daarbij heeft zij, kort voor het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, maritaal beslag laten leggen onder de goederen van de gemeenschap. Alle omstandigheden in samenhang bezien leiden er dan ook toe dat het er voor moet worden gehouden dat de vrouw niet te goeder trouw was op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap.

32. Het vorenstaande leidt er toe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

Proceskosten

33. Het hof ziet geen aanleiding om – zoals de man heeft verzocht – de vrouw in de kosten van dit geding in hoger beroep te veroordelen, nu het een procedure familierechtelijke aard betreft en onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het in deze zaken geldende uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd.

34. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Kamminga en Van de Poll, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2012.