Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV3697

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2012
Datum publicatie
13-02-2012
Zaaknummer
22-001054-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:709, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak wederspannigheid. Naar 's hofs oordeel kunnen de opsporingsambtenaren in dit specifieke geval niet worden geacht met de aanhouding van de verdachte het belang op het oog te hebben gehad dat de voor het nemen van strafvorderlijke beslissingen vereiste waarheid aan de dag zou worden gebracht, met als gevolg dat het hof niet bewezen acht dat de opsporingsambtenaren verkeerden in de rechtmatige uitoefening hunner bediening.

Het hof bepaalt in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de omstandigheden waaronder de verdachte is aangehouden dat ten aanzien van de bewezen verklaarde beledigingen geen straf wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001054-11

Parketnummer: 09-925446-10

Datum uitspraak: 26 januari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 15 februari 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 12 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 23 juni 2010 te in een trein, die zich bevond tussen Station Rotterdam Centraal en station Hollands Spoor, althans in Nederland, opzettelijk een of twee perso(o)n(en) (te weten a. [aangever 1] en/of b. [aangever 2]),

a. tegen het gezicht heeft gestompt/geslagen en/of tegen een been heeft geschopt en/of tegen de buik, althans het lichaam heeft geschopt en/of

b. (meermalen) tegen het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

feit 2:

hij op of omstreeks 23 juni 2010 te 's-Gravenhage toen de aldaar dienstdoende [aangever 3] en/of [aangever 4], beiden hoofdagent van de Spoorwegpolitie verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau aan het Stationsplein, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig

- (te trachten) zich in een andere richting te bewegen dan die waarin de opsporingsambtenaren hem trachtten te bewegen en/of

- zwaaiende bewegingen met zijn arm(en) te maken in de richting van voornoemde opsporingsambtena(a)r(en) en/of

- (te trachten) zich los te rukken uit de greep van voornoemde opsporingsambtena(a)r(en) en/of

- (te trachten) zich los te maken uit een nekklem en/of

- (te trachten) zich los te rukken uit de greep van voornoemde opsporingsambtenaren, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [aangever 3] enig lichamelijk letsel (een geschaafde en/of gezwollen knie en/of een geschaafde elleboog) bekwam;

feit 3:

hij op of omstreeks 23 juni 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [aangever 3] en/of [aangever 4], beiden hoofdagent van de Spoorwegpolitie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerracisten" en/of "kankerlijers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Als feit 2 is aan de verdachte tenlastegelegd - kort gezegd - dat hij zich heeft verzet tegen zijn aanhouding door twee opsporingsambtenaren op station Hollands Spoor te 's-Gravenhage. Uit het dossier leidt het hof af dat aan die aanhouding het volgende vooraf ging.

De verdachte heeft in de trein (die onderweg was van Rotterdam naar 's-Gravenhage) een medepassagier aangesproken op zijn belgedrag, waarna er in die trein een vechtpartij is ontstaan tussen de verdachte enerzijds en die medepassagier en een vriend van die medepassagier anderzijds (zie het tenlastegelegde onder feit 1).

De betreffende opsporingsambtenaren hebben van die vechtpartij een melding ontvangen en zij zijn naar het perron gegaan waar de trein was gearriveerd. Zij werden toen buiten de trein aangesproken door de medepassagier en zijn vriend met de mededeling dat zij door de verdachte waren mishandeld. De opsporingsambtenaren constateerden letsel in het gezicht van één van hen.

Eén van de opsporingsambtenaren is toen de trein ingegaan en hij heeft de verdachte, bij wie hij eveneens letsel constateerde, verzocht uit de trein te stappen. De verdachte voldeed aan dit verzoek en volgde de opsporingsambtenaar en werd, eenmaal buiten de trein op het perron, aangehouden. Tegen die aanhouding maakte hij bezwaar, omdat hij de indruk kreeg dat alleen hij zou worden aangehouden voor mishandeling. Op het perron heeft hij zich vervolgens verzet.

De tenlastelegging van feit 2 is gebaseerd op de tekst van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht. Dat artikel luidt, voorzover hier relevant:

"Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (...) wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie."

Het hof stelt voorop dat de strafbaarstelling van het aan de verdachte verweten gedrag haar grondslag vindt in het belang dat de ambtenaar als orgaan van de wet wordt beschermd. Daaruit vloeit voort dat de burger die voorwerp wordt van uitoefening van ambtelijk gezag, zich ervan dient te onthouden zich daartegen met geweld of bedreiging met geweld te verzetten. Zulks brengt, gegeven de delictsomschrijving voor zover luidende "werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening", evenwel niet mee dat het optreden in concreto van de ambtenaar ter uitoefening van dat gezag aan ieder rechterlijk oordeel is onttrokken.

Tegen deze achtergrond komt het hof tot het volgende oordeel.

Ofschoon de opsporingsambtenaren terecht tegen de verdachte op heterdaad de verdenking van mishandeling hebben aangenomen en op die grond over de bevoegdheid beschikten hem aan te houden, kan in het onderhavige geval niet worden gezegd dat de verdachte zich, door zich tegen zijn aanhouding te verzetten, heeft verzet tegen opsporingsambtenaren in de rechtmatige uitoefening hunner bediening.

Het hof overweegt daartoe dat de bevoegdheid tot aanhouding van de verdachte voortvloeide uit het belang dat het door de opsporingsambtenaren aangevangen opsporingsonderzoek zou leiden tot het aan de dag brengen van de waarheid omtrent de door hen aangenomen verdenking. De objectiviteit waarmee opsporingsonderzoek dient te worden verricht brengt mee dat, ofschoon in eerste instantie de nadruk zal liggen op onderbouwing van de verdenking, de zich aandienende mogelijkheden van onderzoek naar ontlastende omstandigheden niet willens en wetens worden afgesloten.

Tegen deze achtergrond stelt het hof vast dat uit het proces-verbaal blijkt dat ook derden die niet bij de medepassagier en zijn vriend of de verdachte betrokken waren in de treincoupé aanwezig waren, dat de opsporingsambtenaar [aangever 3] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet aan de andere passagiers heeft gevraagd wat er was gebeurd (naar het hof uit het zinsverband begrijpt: omdat) hij de keuze heeft gemaakt zich te concentreren op de verdachte, dat de opsporingsambtenaar [aangever 4] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij geen mogelijkheid zag om de passagiers te bevragen omdat hij in gesprek was met de aangevers en dat uit het proces-verbaal blijkt dat van geen van de omstanders tenminste de gegevens zijn opgenomen die de rechter in staat zouden stellen aan de hand van onpartijdige getuigenverklaringen de wel opgenomen verklaringen van aangevers en verdachte die elkaar op wezenlijke punten tegenspreken te toetsen. Voor het aldus conserveren van de mogelijkheden van onderzoek naar ontlastende feiten en omstandigheden was evenwel alle reden, nu de opsporingsambtenaar [aangever 3] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij de verdachte nog voordat hij was aangehouden aantrof met blauwe plekken in zijn gezicht en uit niets, in het bijzonder niet uit het door drie opsporingsambtenaren onder wie voornoemde [aangever 3] en [aangever 4] op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van aanhouding, blijkt dat de verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding aanstalten maakte om zich aan onderzoek naar de toedracht van het gebeurde te onttrekken. Dat [aangever 4] met de aangevers in gesprek was heeft aan dergelijke conserverende maatregelen niet in de weg gestaan, nu van dezen op dat moment kennelijk reeds voldoende informatie was verkregen om daarop de aanhouding van de verdachte te baseren.

Onder die omstandigheden kunnen de opsporingsambtenaren in dit specifieke geval niet worden geacht met de aanhouding van de verdachte het belang op het oog te hebben gehad dat de voor het nemen van strafvorderlijke beslissingen vereiste waarheid aan de dag zou worden gebracht, met als gevolg dat het hof niet bewezen acht dat de opsporingsambtenaren verkeerden in de rechtmatige uitoefening hunner bediening.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 23 juni 2010 te in een trein, die zich bevond tussen Station Rotterdam Centraal en station Hollands Spoor, althans in Nederland, opzettelijk een of twee perso(o)n(en) (te weten a. [aangever 1] en/of b. [aangever 2]),

a. tegen het gezicht heeft gestompt/geslagen en/of tegen een been heeft geschopt en/of tegen de buik, althans het lichaam heeft geschopt en/of

b. (meermalen) tegen het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

feit 3:

hij op of omstreeks 23 juni 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [aangever 3] en/of [aangever 4], beiden hoofdagent van de Spoorwegpolitie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerracisten" en/of "kankerlijers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verzoek verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman ter zake van het onder 1 tenlastegelegde het verzoek gedaan tot het horen van [aangever 2] als getuige. Gelet op na te melden beslissing is het hof van oordeel dat door af te zien van het horen van deze persoon als getuige de verdachte niet in zijn belang is geschaad. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het hof is - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging - van oordeel dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu aan hem een beroep op noodweer toekomt.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van twee personen.

Het hof ziet echter in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de omstandigheden waaronder de verdachte is aangehouden zoals die op grond van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk zijn geworden, aanleiding om te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 2]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 284,-.

In hoger beroep is de vordering van de benadeelde partij van rechtswege aan de orde tot het bedrag van € 284,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 3]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde tot een bedrag van € 150,- en tot vergoeding van de immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde tot een bedrag van € 75,-.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zijn vordering gehandhaafd. De vordering is aan de orde tot het totaalbedrag van € 225,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij ter zake van dat deel van zijn vordering, te weten een bedrag van € 150,-, niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Hoewel ter zake van het onder 3 tenlastegelegde een bewezenverklaring is gevolgd, is het hof van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder dit feit door de verdachte is gepleegd, de vordering van de benadeelde partij niet zonder meer voor toewijzing vatbaar is. De behandeling van de vordering levert voor dat deel naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel ook niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 4]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde tot een bedrag van € 75,-.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zijn vordering gehandhaafd. De vordering is aan de orde tot het bedrag van € 75,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Hoewel ter zake van het onder 3 tenlastegelegde een bewezenverklaring is gevolgd, is het hof van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder dit feit door de verdachte is gepleegd, de vordering van de benadeelde partij niet zonder meer voor toewijzing vatbaar is. De behandeling van de vordering levert derhalve naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel ook niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 2], [aangever 3] en [aangever 4]

Verklaart de benadeelde partijen, [aangever 2], [aangever 3] en [aangever 4]in hun vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 januari 2012.