Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV2226

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2012
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
22-001493-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1180, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft twee personen, van wie hij vermoedde dat zij in zijn woning hadden ingebroken, opgezocht en samen met een mededader tegen de grond gewerkt en afgetuigd door hen vele malen te schoppen en te slaan met een houten tafelpoot..

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

9 maanden een passende en geboden reactie vormt. Maar de schending van de redelijke termijn volgens (art. 6 EVRM) leidt tot vermindering van de gevangenisstraf. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001493-08

Parketnummer: 10-701248-06

Datum uitspraak: 26 januari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] (1966),

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 21 januari 2011, 2 september 2011 en 12 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 primair, 3 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens is beslist op het beslag, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 1 en 4 tenlastegelegde. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk (een) perso(o)n(en) genaamd [benadeelde partij 1]en/of [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hebbende verdachte en/of zijn mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] tegen de grond gewerkt en/of (vervolgens)

- tegen het/de licha(a)m(en) van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] getrapt en/of geschopt en/of (vervolgens)

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] met een houten tafelpoot (met daaraan vast een bout, althans een hard en/of scherp voorwerp), althans een hard en/of scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of de armen en/of de benen, althans het/de licha(a)m(en) geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten R.G. [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2]), meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] tegen de grond gewerkt en/of (vervolgens)

- tegen het/de licha(a)m(en) van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] getrapt en/of geschopt en/of (vervolgens)

- die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] met een houten tafelpoot (met daaraan vast een bout, althans een hard en/of scherp voorwerp), althans een hard en/of scherp en/of puntigvoorwerp in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of de armen en/of de benen, althans het/de licha(a)m(en) geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee, althans een, sleutelbos(sen) en/of twee, althans een, portemonnee(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1]en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een [paspoortnummer] [benadeelde partij 3]] en/of een paspoort op naam gesteld van [benadeelde partij 4] en/of een rijbewijs [rijbewijsnummer] [benadeelde partij 5]) en/of een bankpas [benadeelde partij 6] en/of een rijbewijs [rijbewijsnummer] [benadeelde partij 6], heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

en/of

hij op of omstreeks de periode van 30 mei 2005 tot en met 10 september 2006 te Rotterdam opzettelijk (een) goed(eren), te weten een paspoort [paspoortnummer] [benadeelde partij 3] en/of een paspoort [benadeelde partij 4] en/of een rijbewijs [rijbewijsnummer] op naam gesteld van [benadeelde partij 5] en/of een bankpas [benadeelde partij 6] en/of een rijbewijs [rijbewijsnummer] [benadeelde partij 7], welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder dan wel anderszins als verkrijger onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 10 september 2006 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk personen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] tegen de grond heeft gewerkt en

- tegen de lichamen van die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft getrapt en/of geschopt en die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] met een houten tafelpoot tegen het hoofd en de armen en de benen heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 10 september 2006 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee sleutelbossen en twee toebehorende aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

5.

hij op 10 september 2006 te Rotterdam goederen, te weten een rijbewijs op naam gesteld van [benadeelde partij 5] en op naam gesteld van [benadeelde partij 6], heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof; en hij omstreeks de periode van 30 mei 2005 tot en met 10 september 2006 te Rotterdam opzettelijk goederen, te weten een paspoort op naam gesteld van [benadeelde partij 3] en een paspoort op naam gesteld van [benadeelde partij 4] en een bankpas op naam gesteld van [benadeelde partij 5 en 6], welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Beroep op noodweer(exces)

Door en namens de verdachte is betoogd dat de verdachte handelde ter noodzakelijke zelfverdediging tegen twee inbrekers die hij in zijn woning op heterdaad had betrapt, zodat aan hem een beroep op noodweer subsidiair noodweerexces toekomt.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het hof aannemelijk dat de verdachte, met medeneming van het ene slachtoffer, het andere slachtoffer thuis heeft opgezocht en zich aldaar schuldig heeft gemaakt aan het bewezenverklaarde.

Het hof acht derhalve de door de verdachte gestelde, aan zijn beroep op noodweer ten grondslag liggende, feiten niet aannemelijk.

De verdachte heeft bewust - in het kader van een strafexpeditie tegen de latere slachtoffers die hij ervan verdacht eerder in zijn woning te hebben ingebroken - de confrontatie opgezocht. Ter zitting van het hof heeft [benadeelde partij 2] als getuige erkend dat alleen hij in de woning van de verdachte had ingebroken maar wel enige dagen voor 10 september 2006. Van ontdekking op heterdaad was volgens deze getuige en de eveneens ter zitting van het hof gehoorde getuige [benadeelde partij 1] op 10 september 2006 dan ook geen sprake.

De ter zitting van het hof gehoorde getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben ieder voor zich zodanig innerlijk tegenstrijdige en deels ook strijdig met hun eerder afgelegde verklaringen verklaard dat deze naar het oordeel van het hof geen steun kunnen bieden voor de lezing van de verdachte.

Van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de slachtoffers was naar het oordeel van hof geen sprake, zodat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het onder 5 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde levert op:

Schuldheling

en

verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 primair, 3 en 5 eerste en tweede cumulatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en 2 weken met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft twee personen, van wie hij vermoedde dat zij in zijn woning hadden ingebroken, opgezocht en samen met een mededader tegen de grond gewerkt en afgetuigd door hen vele malen te schoppen en te slaan met een houten tafelpoot. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Ook geestelijk hebben de feiten diepe indruk gemaakt op de slachtoffers, die onder meer ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard doodsangsten te hebben uitgestaan. Ook vormt het gedrag van de verdachte een manier van eigenrichting die niet kan worden getolereerd. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een aantal vermogensdelicten, waardoor hij overlast en financiële schade heeft veroorzaakt voor de slachtoffers.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 december 2011, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende - met de advocaat-generaal van oordeel dat de door eerste rechter opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

9 maanden een passende en geboden reactie vormt.

Voorts neemt het hof evenwel in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarbij met name acht wordt geslagen op de overschrijding van de termijn voor de inzending van de stukken van het geding na het instellen van het hoger beroep. Het hof zal de overschrijding van deze termijn verdisconteren in de strafmaat en in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden opleggen.

Beslag

Ten aanzien van de na te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen zal het hof - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - de teruggave gelasten aan de verdachte.

Ten aanzien van de overige na te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze eveneens vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 63, 302, 311, 321 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 en 5 eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten

de op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 2, 4, 6, 7, 8, 9, 11, 13 tot en met 29, 35 en 36 vermelde voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 1, 3, 5, 10, 12, 30 en 31 vermelde voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door mr. D.J.C. van den Broek,

mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 januari 2012.

Mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.