Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV1431

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2012
Datum publicatie
20-01-2012
Zaaknummer
K10/0330 en K11/0467
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 12 Sv-beschikking inz. strandrellen Hoek van Holland

Het hof verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun aanvullend beklag en wijst het beklag voor het overige af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Volgnummer: K10/0330 en K11/0467

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

raadkamer

BESCHIKKING

gegeven naar aanleiding van het op 18 augustus 2010 ter griffie van dit gerechtshof ingekomen schriftelijk beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[vader van slachtoffer] en [moeder van slachtoffer],

klagers,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van hun raadslieden mr. M. Moszkowicz jr. en mr. H.M.W. Daamen, advocaten, kantoor houdende te (6221 BL) Maastricht aan de Wilhelminasingel 100,

wegens het niet vervolgen van een of meer strafbare feiten, die ten opzichte van hun overleden zoon

[zoon van klagers] zouden zijn begaan door de in het geanonimiseerde dossier aangeduide beklaagden:

P001,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw mr. C.L.A. de Sitter, advocaat, kantoor houdende te Den Haag (Postbus 85770, 2508 CL), en

P013,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw mr. V.A.M.G. van de Bilt, advocaat, kantoor houdende te Rotterdam (Postbus 4325, 3006 AH).

Beklaagde P013 heeft in raadkamer desgevraagd door de voorzitter zijn naam en geboortedatum aan het hof bekend gemaakt.

Mr. C.L.A. de Sitter heeft eveneens desgevraagd de persoonsgegevens van haar cliënt beklaagde P001 aan het hof bekend gemaakt.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1. Op 22 augustus 2009 hebben er ernstige ongeregeldheden plaatsgevonden op het strand van Hoek van Holland bij het muziekfeest "Veronica Sunset Grooves". Politieambtenaren van de politie Rotterdam-Rijnmond werden door een grote groep bezoekers bedreigd en belaagd, waarop politieambtenaren (onder wie beklaagden) gebruik hebben gemaakt van hun vuurwapen door daadwerkelijk te schieten. De zoon van klagers, [zoon van klagers] (verder ook genoemd [zoon van klagers]), is in de nacht van 22 op 23 augustus 2009 overleden, als gevolg van aldaar door een politiekogel opgelopen verwondingen.

2. De Rijksrecherche is op 23 augustus 2009, ondersteund door de regiopolitie Haaglanden, een onderzoek gestart naar de schietincidenten. Het onderzoek heeft zich gericht op het reconstrueren van de feiten en omstandigheden op het festivalterrein voor zover dat verband houdt met de politiemensen die daadwerkelijk op en rond het terrein hebben opgetreden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Deze processen-verbaal bevinden zich (geanonimiseerd) bij de stukken.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat het opsporingsonderzoek, gericht op het achterhalen van de personen die geweld hebben gepleegd tegenover de politie of anderen, is uitgevoerd door de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. Voorts heeft het Rijksrechercheonderzoek zich niet gericht op de vraag hoe de voorbereiding voor het evenement bij de gemeente en de politieleiding Rotterdam is geweest en hoe tijdens het incident door die politieleiding is gereageerd. In opdracht van de burgemeester van Rotterdam heeft het COT (Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement) daarnaar onderzoek gedaan.

3. Na bestudering van het dossier van de Rijksrecherche en dat van de Forensische Opsporing heeft de officier van justitie te 's-Gravenhage op 8 december 2009 aan klagers en aan beklaagden medegedeeld dat er geen vervolging zal plaatsvinden, omdat er sprake was van gerechtvaardigd politieoptreden.

Bij brief van 18 december 2009 heeft de officier van justitie aan de raadsman van klagers, mr. M. Moszkowicz jr., deze beslissing bevestigd.

Tegen deze beslissing is de klacht gericht.

4. Na raadpleging van de betrokken hoofdofficier van justitie te Den Haag heeft de advocaat-generaal bij dit hof mr. M. van der Horst in zijn verslag gedateerd 22 augustus 2011 het hof in overweging gegeven de klacht af te wijzen.

5. Het hof heeft op 5 oktober 2011 het klaagschrift in raadkamer behandeld. Aldaar zijn klagers -bijgestaan door hun raadsman H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht- gehoord. In de zittingszaal waren als toehoorders aanwezig de raadsvrouw van beklaagde P001, mr. C.L.A. de Sitter, advocaat te Den Haag, en de raadsvrouw van beklaagde P013, mr. V.A.M.G. van de Bilt, advocaat te Rotterdam.

6. Tijdens de zitting in raadkamer van 5 oktober 2011 heeft N. de Ruiter, operationeel analist bij de Rijksrecherche, beeldopnamen van de gebeurtenissen getoond en toegelicht.

Het hof heeft vervolgens de behandeling van het klaagschrift in raadkamer aangehouden, teneinde beklaagden te horen, alsmede de geweldrapportages en het COT-rapport (van 8 december 2009, genaamd "Strandrellen in Hoek van Holland, Dancefestival Veronica Sunset Grooves, 22 augustus 2009") door de advocaat-generaal aan het dossier te doen toevoegen.

Van deze behandeling in raadkamer is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich in het dossier bevindt.

7. De raadsman van klagers heeft ter zitting in raadkamer van 5 oktober 2011 het klaagschrift voor wat betreft P013 aangevuld, in zoverre dat klagers tevens wensen dat deze beklaagde vervolgd wordt voor poging tot moord/doodslag of de andere strafbare feiten genoemd in het klaagschrift onder 4.1 (met uitzondering van de culpoze delicten) op [zoon van klagers].

8. Het hof heeft op 2 november 2011 het klaagschrift verder in raadkamer behandeld.

Aldaar zijn beklaagde P013 -bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. V.A.M.G. van de Bilt-, de raadsvrouw van beklaagde P001, mr. C.L.A. de Sitter, alsmede klagers -bijgestaan door hun raadsman mr. H.M.W. Daamen- gehoord.

Beklaagde P001 is, zoals tevoren door zijn raadsvrouw is aangekondigd, niet in raadkamer verschenen.

Beklaagde P013 is buiten aanwezigheid van klagers gehoord. Wel was daarbij de raadsman van klagers aanwezig.

De raadslieden van beklaagden hebben gepleit overeenkomstig hun overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen.

9. Klagers hebben desgevraagd verklaard te volharden bij hun klacht.

10. De advocaat-generaal mr. M. van der Horst heeft in raadkamer -overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde schriftelijke aantekeningen- geconcludeerd tot afwijzing van het beklag.

BEOORDELING VAN HET BEKLAG

11. De feiten

Uit de stukken en bij de behandelingen in raadkamer is onder meer het volgende gebleken.

Op zaterdag 22 augustus 2009 had het vrij toegankelijke strandfeest "Veronica Sunset Grooves" plaats op het strand van Hoek van Holland.

De afspraak was dat de politie verantwoordelijk was voor het handhaven van de openbare orde buiten het afgesloten evenemententerrein en dat het door de organisator ingehuurde particuliere beveiligingsbedrijf de orde binnen de hekken zou handhaven. Er fungeerde een politieambtenaar als liaison tussen de politie en de beveiliging.

Er werden ongeveer 15.000 bezoekers verwacht.

Het festivalterrein was afgezet met hekken en er was een toegangscontrole met betrekking tot glaswerk, wapens en drugs, waarvoor genoemd beveiligingsbedrijf verantwoordelijk was.

12. Op donderdag 20 augustus 2009 is er informatie binnengekomen bij de Regionale Inlichtingen Dienst (RID) inhoudende dat hardekernleden van Feyenoord het festival wilden gaan bezoeken. Op 21 augustus 2009 is als aanvulling daarop informatie binnengekomen dat een grote groep van de harde kern van Feyenoord naar het evenement in Hoek van Holland wilde komen om daar 'los te gaan', welke informatie op 22 augustus, de dag van het festival, door meerdere bronnen werd bevestigd.

13. De gebeurtenissen op 22 augustus 2009

Op 22 augustus 2009 worden aan het begin van de avond al leden van de harde kern gesignaleerd door de aanwezige Voetbaleenheid van de politie. Zij geven ook aan dat deze groep snel groter wordt. Er zijn twee groepen Feyenoord hooligans aanwezig: een groep jonge hooligans en een groep oudere hooligans.

Er vinden tussen 18.00 en 22.00 uur diverse incidenten plaats op het terrein, alsook buiten het terrein op de route van het station naar het festivalterrein op het strand. Er worden hekken neergehaald, waarna een groep schreeuwende en scheldende personen via de zo ontstane opening het terrein opkomt. Er zijn meerdere vechtpartijen en steekincidenten. De sfeer wordt door de beveiligers en de politie als broeierig ervaren en veel toestromende bezoekers geven de indruk drank en/of drugs te hebben gebruikt. Door een agent wordt geconstateerd dat mensen van buiten, door de hekken heen, flessen drank doorgeven aan mensen op het terrein.

Door meerdere politiefunctionarissen wordt drugsgebruik waargenomen. Het aantal bezoekers blijft in de loop van de avond toenemen.

14. De Regionale Ondersteunings Groep (ROG) van de politie opereert vanuit een ingenomen positie buiten de hekken. Twee leden in burger zijn door hun commandant het terrein opgestuurd om te onderzoeken wie verantwoordelijk waren voor de vechtpartijen.

Rond 23.30 uur lopen zij richting een vechtpartij en zien zij dat er hooligans bij betrokken zijn. De leden van de ROG worden herkend als politiemensen en omsingeld door personen uit de groep relschoppers. Ook worden er voorwerpen naar hen gegooid en wordt er geroepen: "Joden, scouto's, pak ze!", waardoor zij zich ernstig bedreigd voelen. De twee leden van de ROG maken zich kenbaar als politie en roepen de relschoppers meermalen op om afstand te nemen. Vervolgens vragen zij via de portofoon om spoedassistentie en voelen zij zich genoodzaakt om twee waarschuwingsschoten te lossen, hetgeen blijkbaar geen indruk maakt op de groep. Twee leden van de Voetbaleenheid komen assistentie verlenen en op een gegeven moment wordt de dreiging zo groot dat de vier politiemensen met hun ruggen tegen elkaar gaan staan, met getrokken vuurwapen. Ze draaien om elkaar heen om de groep in de gaten te houden en lopen in de richting van het VIP-podium. Intussen worden zij bekogeld met flessen, stenen en zand. Eén van hen krijgt een kaakslag. De groep vernielt het VIP-podium.

Als de commandant van de ROG de noodoproep hoort besluit hij met de rest van de ROG en andere agenten ook het terrein op te gaan.

Er gaan drie verschillende groepjes politieagenten het terrein op. Zij vormen zogenoemde treintjes, waarbij men elkaar vasthoudt, en gaan richting "de blauwe lichten", alwaar de vier politiemensen in nood zich zouden bevinden. Daarvandaan gaan ze gezamenlijk richting de VIP-tent, waar ze een linie van geüniformeerde politiemensen vormen.

Bij het betreden van het terrein worden de politiemensen onmiddellijk verbaal en fysiek belaagd door een deel van het publiek. Hierbij wordt met flessen en andere voorwerpen gegooid, zoals ledlampjes en stenen. Door politieambtenaren wordt gebruik gemaakt van de wapenstok om de menigte van zich af te slaan, maar dit heeft weinig tot geen effect. Doordat de massa zich nu tegen de geüniformeerde agenten keert kunnen de twee medewerkers van de Voetbaleenheid en de twee leden van de ROG wegkomen.

Eén van de leden van de Voetbaleenheid wordt gewaarschuwd door een hem bekend lid van de harde kern van Feyenoord dat de politie zich beter uit de voeten kan maken omdat een grote groep hooligans weet dat er geen ME is.

15. Wanneer de groep gaat aftellen van vijf naar nul interpreteren de politieagenten dit als een opmaat voor een uitval naar de politie. Er worden meerdere waarschuwingsschoten gelost. De relschoppers blijven de politie bekogelen met voorwerpen. De politiemensen trekken zich achterwaarts, op linie lopend, terug door de nooduitgang richting de duinen. Achter de politie worden de hekken weer gesloten en heel even wanen de agenten zich veilig.

Dan worden de hekken door de hooligans en andere relschoppers neergehaald. Deze achtervolgen de politieagenten, waarbij het bekogelen en uitschelden van de politie doorgaat. De politieagenten blijven achteruitlopen, drie meter omhoog door het mulle zand, en gaan na de duintop weer op linie staan.

Bij het achteruit lopen komt een aantal agenten te vallen. Meerdere agenten vrezen dat als zij vallen, zij gedood zullen worden door de groep. Ook vrezen zij dan door de menigte te worden overlopen. Zij moeten constant uitwijken voor voorwerpen. Er worden weer waarschuwingsschoten gelost. Deze schoten lijken geen effect te hebben op de groep die blijft komen en blijft gooien. (Door de forensisch technische recherche zijn naderhand 444 flesjes gevuld met zand aangetroffen). Het pad wordt steeds smaller en het is erg donker. De politieagenten hebben daardoor geen goed zicht op de groep en zien de voorwerpen die worden gegooid pas op het laatste moment aankomen. Zelf hebben zij reflecterende vesten aan waardoor zij voor de relschoppers wel goed zichtbaar zijn. De agenten trekken zich verder terug achter een strandtent. Op deze locatie is de politie al over een grote afstand achteruitlopend bedreigd door de menigte. Vanaf 23.47 uur scandeert de groep 5,4,3,2,1 en rent op de politie af. De daarop volgende 7 seconden wordt er door verschillende agenten geschoten en dit keer ook gericht op de benen. Er vallen gewonden die door de relschoppers in de groep worden getild.

De schoten hebben weinig tot geen effect. Ook het feit dat er gewonden vallen schrikt de menigte niet af. Een jongen uit de groep, naar later blijkt de zoon van klagers, wordt geraakt en valt neer. Hij wordt door twee personen uit de menigte opgetild en naar de politie gebracht. Het slachtoffer wordt vervolgens door politiemensen weggedragen en in een combiwagen van de politie gelegd om te worden vervoerd naar een EHBO-post. De groep gaat door met het gooien en schreeuwen naar de politie. Een politieagent van de ter plaatse gekomen bereden politie valt van zijn paard door een voorwerp dat naar hem wordt gegooid. Pas nadat door de bereden politie een aantal charges is uitgevoerd, vermindert de druk op de politieagenten en komt er een einde aan het geweld.

16. Uit het onderzoek is gebleken dat er een aanzienlijk aantal schoten is gelost. Het overgrote deel hiervan betrof waarschuwingsschoten. Er zijn zes gewonden en één dodelijk slachtoffer gevallen.

17. Onderzoek vuurwapens

Na het incident hebben de politieambtenaren, waaronder ook beklaagde P001 en P013, hun dienstwapen voor onderzoek ingeleverd. Aan alle ingenomen dienstwapens is ballistisch onderzoek verricht. Het onderzoek van het NFI richtte zich onder andere op de vraag of en zo ja uit welk politievuurwapen de in de schedel van het dodelijk getroffen slachtoffer aangetroffen kogel afkomstig was. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat deze kogel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijk afkomstig is uit het door beklaagde P001 ingeleverde vuurwapen. Bovendien is uit een nader verricht onderzoek naar voren gekomen dat de wapens van beklaagden niet onderling zijn verwisseld.

18. Beklaagde P001

Beklaagde P001 was lid van het zogenaamde "biketeam", dat zicht moest houden op de bezoekersstroom die vanaf station Hoek van Holland Strand naar het evenemententerrein ging.

Nadat omstreeks 23.15 uur de melding kwam dat collega's op het terrein in moeilijkheden waren is hij met andere politieagenten het terrein opgegaan om assistentie te verlenen. Vanuit het aanwezige publiek werd met ledlichtjes, stenen en glaswerk in hun richting gegooid. Eén glas kwam rakelings langs zijn hoofd.

Beklaagde heeft verklaard dat hij pas nadat de politie het terrein had verlaten en zich had teruggetrokken en hij weer in linie stond, zijn vuurwapen heeft getrokken. Hij heeft tweemaal geschoten.

Hij voelde zich bang en bedreigd omdat de groep bleef komen en de afstand steeds kleiner werd. Volgens hem heeft hij twee waarschuwingsschoten in de lucht afgevuurd en heeft hij niet bewust gericht op iemand geschoten. Hij is er zich evenmin bewust van geweest dat hij iemand heeft geraakt.

Vanwege het grote aantal bezoekers, de aanwezigheid van groepen Feyenoord-hooligans en het uitblijven van de ME, voelde hij zich in de steek gelaten. Hij was voortdurend bezig met zijn eigen veiligheid en de veiligheid van zijn directe collega's. Gedurende de avond liep bij hem de spanning op, door de toename van het aantal en de ernst van de incidenten op het festivalterrein. Hij was echt bang en vreesde voor zijn leven. Hij was voortdurend bezig voorwerpen te ontwijken en het publiek kwam steeds dichterbij en was erg agressief. Hij stond met zijn rug naar een oplopend duin en had het idee dat hij geen kant op kon. Hij had geen helm of schild bij zich en was onbeschermd.

19. Beklaagde P013

Beklaagde P013 was één van de ROG-medewerkers. Hij droeg tijdens zijn dienst in Hoek van Holland een bodycam op zijn linkerschouder.

Beklaagde P013 heeft (voordat hem was medegedeeld dat uit ballistisch onderzoek was gebleken dat [zoon van klagers] niet was getroffen door een kogel uit zijn dienstwapen) verklaard dat hij nog lopend op het festivalterrein richting de noodhekken zijn vuurwapen voor het eerst heeft getrokken, omdat hij de laatste man was in de linie en wilde voorkomen dat hij en zijn collega's door de hooligans aangevallen en vermoord zouden worden. Hij loste een waarschuwingsschot schuin omhoog in de lucht. Hierna trok hij zich achterwaarts terug het festivalterrein af, waarna hij zijn wapen borg. Toen de hekken werden omgeduwd en een hele golf hooligans op hen af kwam rennen trok hij voor de tweede maal zijn wapen. Hij was vreselijk bang dat zij vermoord zouden worden. Hij loste nog twee waarschuwingsschoten, maar de menigte ging niet naar achteren. Hierna borg hij zijn wapen weer.

Beklaagde heeft voorts verklaard dat zij zich verder achterwaarts terugtrokken, terwijl zij met voorwerpen werden bekogeld. Hij begreep dat de groep die hen belaagde het er echt om te doen was hen te pakken te nemen, omdat er geen andere reden was waarom zij in de richting van de politieagenten bleven lopen. Nogmaals vuurde hij een paar waarschuwingsschoten af. Hij zag dat enkele individuen zich uit de groep losmaakten en zich agressief in hun richting gedroegen. Hij zag een jongen die los voor de groep stond en die bijzonder opruiend en uitdagend was. Hij had gezien dat deze jongen al veel voorwerpen had gegooid en toen de jongen iets probeerde te pakken, richtte hij zijn vuurwapen op de benen van de jongen en vuurde. Hiermee wilde hij bereiken dat de jongen zou stoppen met wat hij deed en dat hij zou stoppen met proberen hen te vermoorden. Direct na het schot zag hij de jongen vallen. Hij was er aanvankelijk van overtuigd dat hij de jongen had geraakt. Deze jongen werd door andere jongens op de grond voor de politielinie neergelegd. Later bleek dit het slachtoffer [zoon van klagers] te zijn.

Ter zitting in raadkamer van 2 november 2011 heeft beklaagde P013 verklaard dat er door de groep relschoppers met levensgevaarlijke voorwerpen werd gegooid, met name met flessen gevuld met zand. Hij heeft gericht geschoten, omdat de jongen iets van de grond pakte en hij ervan overtuigd was dat deze jongen hen wilde vermoorden. Er bestond volgens hem dan ook direct levensgevaar voor hem en zijn collega's.

Buiten de hekken waren er geen onschuldige meelopers meer, maar alleen relschoppers die achter de politie aangingen en maar op één ding uit waren: de politie raken. Zij lieten zich zelfs niet afschrikken door de schoten.

20. Beoordeling door het hof

Het hof beseft dat klagers zeer veel leed hebben ondervonden en nog steeds ondervinden door het verlies van hun zoon [zoon van klagers]. Het is ten zeerste te betreuren dat de situatie zo is geëscaleerd dat politieambtenaren zich genoodzaakt hebben gevoeld tot vuurwapengebruik over te gaan.

Aan het hof staat thans ter beoordeling of beklaagden daarbij strafrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld en zij daarvoor dienen te worden vervolgd.

Het hof stelt vast dat er een grondig onderzoek is verricht naar de gebeurtenissen op 22 augustus 2009. Het onderzoek is onmiddellijk na de gebeurtenissen in gang gezet. Om de objectiviteit te waarborgen is er een scheiding aangebracht tussen het Rijksrechercheonderzoek onder leiding van een officier van justitie in het arrondissement Den Haag, dat zich richtte op het vuurwapengebruik door de politie en het onderzoek door de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, dat zich richtte op door burgers gepleegde strafbare feiten, onder leiding van een officier van justitie in het arrondissement Rotterdam.

Er zijn in het Rijksrechercheonderzoek 99 politiegetuigen en 160 burgergetuigen gehoord.

Voorts heeft er een uitgebreid sporenonderzoek plaatsgevonden, zowel op de plaats delict als bij de slachtoffers. Tevens heeft er een technisch onderzoek plaatsgevonden door het NFI, waarbij de vuurwapens en de aangetroffen munitie zijn onderzocht.

Aan de hand van videobeelden van bodycams en van het videoteam van de politie, alsmede beelden van YouTube, is een digitaal dossier samengesteld.

Naar aanleiding van het onderzoek, is er advies ingewonnen van de 'Adviescommissie politieel vuurwapengebruik'.

Daarna is besloten beklaagde P001 niet te vervolgen, omdat er naar het oordeel van het openbaar ministerie sprake was van een noodweersituatie die het schieten noodzakelijk maakte.

Klagers hebben, nadat zij door de officier van justitie op de hoogte zijn gebracht van de sepotbeslissingen, via hun raadsman een geanonimiseerd afschrift ontvangen van het dossier.

Het hof is van oordeel dat het zeer uitgebreide onderzoek dat heeft plaatsgevonden, voldoende onafhankelijk en adequaat is geweest en dat ten aanzien van de informatievoorziening aan klagers door het openbaar ministerie zorgvuldig is gehandeld.

21. Verzoek tot verrichten van nader onderzoek

De raadsman van klagers heeft als zijn wens te kennen gegeven dat er nader onderzoek wordt verricht om meer duidelijkheid te krijgen over de feitelijke toedracht. Hij heeft aangegeven dat klagers een contra-expertise vergelijkend wapen- en munitieonderzoek wensen, alsmede de toevoeging van de geweldrapportages van P001 en P013, een nader verhoor van de getuigen die in de linie stonden en een reconstructie van de gebeurtenissen.

22. Geweldsrapportages

Het hof heeft ter zitting in raadkamer van 5 oktober 2011 de advocaat-generaal verzocht de geweldsrapportages aan het dossier te doen toevoegen.

De raadslieden van beklaagden hebben meegedeeld bezwaar te hebben tegen de toevoeging van de geweldsrapportages aan het dossier.

De advocaat-generaal heeft te kennen gegeven dat hij de bezwaren van de raadslieden van beklaagden deelt nu de officier van justitie niet de beschikking heeft gehad over de geweldsrapportages en deze rapportages evenmin zijn betrokken bij de door de officier van justitie genomen beslissingen.

De verplichting van de politieman om toegepast geweld te melden aan een leidinggevende staat haaks op het recht van een verdachte om niet te hoeven meewerken aan zijn eigen veroordeling. Mede om die reden kan een geweldsrapportage in een strafzaak geen enkele bewijsrechtelijke rol spelen, aldus de advocaat-generaal.

Het hof acht, gelet op de uitvoerige behandelingen van het klaagschrift in raadkamer en de inhoud van het dossier, toevoeging van de geweldrapportages thans niet meer noodzakelijk. Beklaagden hebben het door hen aangewende geweld conform de ambtsinstructie gemeld aan hun meerdere en naar aanleiding daarvan zijn in eerste instantie P013 als verdachte en P001 als getuige gehoord door de Rijksrecherche. Nadat het vergelijkend wapen- en munitieonderzoek was afgerond is ook P001 als verdachte gehoord. Beiden hebben uitgebreid verklaard bij de Rijksrecherche. Beklaagde P013 heeft ter zitting in raadkamer een verklaring afgelegd, waarbij de omstandigheden waaronder het vuurwapengebruik heeft plaatsgevonden opnieuw door hem zijn toegelicht.

Het hof is dan ook van oordeel dat het alsnog toevoegen van de geweldsrapportages aan het dossier reeds daarom achterwege kan blijven.

23. Overige verzoeken

De wettelijke regeling van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in een eigen mogelijkheid van het hof om onderzoek te (doen) verrichten. Zodanig onderzoek kan slechts plaatsvinden in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek, nadat een bevel tot vervolging is gegeven.

Voor een beoordeling van het onderhavige beklag acht het hof nader onderzoek echter niet noodzakelijk.

Alle politieambtenaren hebben zo spoedig mogelijk na het gebeuren uitvoerige en gedetailleerde verklaringen afgelegd tegenover de Rijksrecherche. Het nader horen van die getuigen zal, mede gelet op het inmiddels verstreken tijdsverloop, niet meer licht kunnen werpen op de gebeurtenissen.

Wat betreft de gevraagde reconstructie is het hof met de officier van justitie van oordeel dat er in casu sprake is van dermate specifieke omstandigheden, gelet op de grote aantallen aanwezigen en de volstrekt chaotische situatie, dat die niet op afdoende wijze gereconstrueerd kunnen worden.

Het hof ziet tenslotte geen reden te twijfelen aan de uitkomsten aan het wapen- en munitieonderzoek dat is verricht door de Rijksrecherche en het NFI, zodat een contra-expertise niet in de rede ligt, nog daargelaten dat de vuurwapens van beklaagden inmiddels weer in gebruik zijn, hetgeen nader onderzoek zal bemoeilijken.

24. Beklaagde P001

Evenals het openbaar ministerie gaat het hof uit van de vaststelling dat de voor [zoon van klagers] dodelijke kogel is afgevuurd door beklaagde P001.

Gelet op de verklaring van P013 en op het schotletsel bovenop het hoofd van het slachtoffer, acht het hof aannemelijk dat deze geraakt is op het moment dat hij gebukt stond om iets van de grond op te rapen.

Mede op basis van het COT-rapport constateert het hof dat de politieagenten op het festivalterrein in een zeer gevaarlijke situatie zijn beland. Er is geen ME-versterking aangevraagd en ingezet. Voor het overige is er slechts een beperkt aantal agenten opgeroepen, die vervolgens niet allen zijn ingezet. Er waren tijdens het evenement te weinig manschappen aanwezig en zij hadden geen beschermende kleding.

Dit terwijl er al vroeg, zelfs de dag ervoor al, op leidinggevend niveau duidelijke signalen waren dat het mis zou kunnen gaan. Al rond 18.00 uur was het verschillende operationele functionarissen bij de politie en beveiliging duidelijk dat er veel meer mensen zouden komen dan verwacht en dat de informatie over de mogelijke komst van hooligans (die al op 20 augustus binnen was gekomen) juist was, omdat de eerste hooligans behorend tot de harde kern van Feyenoord toen al waren gespot.

Enige tijd later was duidelijk dat zij ook als groep aanwezig waren en dat er grote hoeveelheden alcohol en drugs werden gebruikt.

Op grond van de inhoud van het dossier, mede gelet op de verklaringen van beklaagden en na het zien van het beeldmateriaal zoals dat ter zitting in raadkamer aan het hof is getoond, constateert het hof dat de groep relschoppers, waar ook [zoon van klagers] deel van uitmaakte, bewust achter de politie aan is gegaan. Zij hadden achter de hekken en op de plek van het onderhavige schietincident, waarbij [zoon van klagers] dodelijk door een politiekogel werd getroffen, niets te zoeken.

Het COT heeft geconcludeerd dat de belagers in georganiseerd verband jacht hebben gemaakt op de politie. Het hof onderschrijft deze conclusie. De politie werd steeds verder in het nauw gedreven en de gewelddadigheden tegen de politieagenten, die niet konden vluchten, duurden onverminderd voort. Waarschuwingsschoten sorteerden niet of nauwelijks effect. Het hof heeft op de in raadkamer getoonde beelden kunnen zien dat [zoon van klagers] nadat al vele waarschuwingsschoten waren gelost, zich kort voordat hij dodelijk werd getroffen vóór de menigte bevond en dus vóór de andere relschoppers.

Gezien de hier omschreven omstandigheden moet worden geoordeeld dat de politieagenten zich bevonden in een noodweersituatie waartegen verdediging geboden was.

25. Volgens de raadsman van klagers was er gezien de mate van dreiging en de afstand tussen de linie en [zoon van klagers] kort voordat deze dodelijk werd getroffen, geen sprake van een levensgevaarlijke situatie, hetgeen mede zou blijken uit het feit dat niet alle politieagenten hebben geschoten.

Klagers zetten daarom vraagtekens bij de proportionaliteit en de subsidiariteit van het handelen dat tot de dood van hun zoon heeft geleid.

Het hof overweegt dat aan het feit dat niet alle in de linie aanwezige politieagenten (gericht) hebben geschoten niet de door de raadsman getrokken conclusies kunnen worden verbonden.

De politieagenten konden zich niet onttrekken aan het tegen hen gerichte geweld. De politie trachtte zich daaraan reeds geruime tijd over langere afstand te onttrekken, maar de relschoppers bleven steeds de confrontatie zoeken. In verband met de duisternis en het geaccidenteerde, zanderige terrein was voor de veiligheid van de agenten besloten bij elkaar te blijven. Het was van levensbelang dat de relschoppers op afstand zouden worden gehouden en dat er geen politieagenten zouden vallen of geïsoleerd zouden raken. Beklaagde P001 wist dat er geen ME paraat stond en dat hij en zijn collega's op elkaar waren aangewezen.

Bij deze stand van zaken - de politieagenten waren van het festivalterrein verdreven, de relschoppers trokken zich niets aan van de door de politie geloste waarschuwingsschoten en bleven hen achtervolgen en met voorwerpen gooien, het feit dat er geen ME beschikbaar was, de hierboven weergegeven terreinomstandigheden, alsmede de doodsangst waarin vele politieagenten zich blijkens hun verklaringen bevonden - was er naar het oordeel van het hof sprake van zodanig bedreigende omstandigheden dat de beslissing van P001 om zijn vuurwapen aan te wenden als noodzakelijke verdediging gerechtvaardigd was.

Eerder was niet gereageerd op waarschuwingen van politiezijde, op optreden met de wapenstok en op het feit dat er door de politie vuurwapens waren getrokken en gericht op de menigte.

Steeds is geprobeerd de relschoppers van zich af te houden door gebruik van andere middelen. Pas toen duidelijk werd dat dit niet lukte is het ultieme middel van (gericht) schieten toegepast.

Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat het schieten door beklaagde P001 niet proportioneel is geweest in de gegeven situatie, is aannemelijk dat deze eventuele disproportionaliteit het directe gevolg is geweest van de hevige gemoedstoestand van beklaagde P001 als gevolg van de wederrechtelijke aanranding door de groep relschoppers waarvan het slachtoffer deel uitmaakte.

Zelfs als de afstand tussen de politieagenten en [zoon van klagers] op dat moment zodanig was dat de politieagenten niets zouden hebben te vrezen - hetgeen overigens naar het oordeel van het hof geenszins, ook niet op grond van de getoonde

beelden, is komen vast te staan - dan nog kan de situatie op het moment van het fatale schot en de gemoedstoestand waarin de politieagenten, met name P001, verkeerden, niet worden losgezien van al hetgeen er aan geweld en bedreigingen jegens de politieagenten aan is voorafgegaan.

Soms was na waarschuwingsschoten de afstand tussen de groep en de politie even iets groter geworden, maar meteen daarna zocht de groep dan opnieuw de confrontatie.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat een later oordelende strafrechter een beroep op noodweer dan wel noodweerexces zeer waarschijnlijk zou honoreren.

Het hof acht derhalve de beslissing om beklaagde P001 niet te vervolgen te billijken.

Het hof acht een vervolging van P001 bovendien niet opportuun nu, zoals hiervoor onder 24. is uiteengezet, van de zijde van de politieleiding onvoldoende maatregelen zijn genomen om de situatie waarin P001 terecht is gekomen, te voorkomen.

26. Beklaagde P013

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de officier van justitie op goede gronden heeft beslist de strafzaak tegen P013 te seponeren, nu de dodelijke kogel niet met zijn wapen is afgevuurd. Op grond van deze vaststelling bestaat er geen redelijke verdenking (meer) van mogelijke betrokkenheid van beklaagde P013 bij de dood van [zoon van klagers].

Klagers zijn van mening dat ook als P013 niet de dodelijke kogel heeft afgevuurd, uit zijn verklaring volgt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord c.q. doodslag en/of een ander strafbaar feit, omdat P013 naar eigen zeggen gericht op [zoon van klagers] heeft geschoten.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat klagers voor wat betreft de aanvulling op het klaagschrift niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu de officier van justitie de strafzaak tegen P013 heeft geseponeerd omdat deze niet het dodelijk schot heeft gelost. De officier van justitie heeft derhalve geen sepotbeslissing gegeven ten aanzien van een vermoedelijk door P013 begane poging tot moord dan wel doodslag.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat noch het sepot, noch het ingediende klaagschrift van 18 augustus 2010 betrekking heeft op poging tot moord c.q. doodslag op [zoon van klagers] en/of een ander strafbaar feit.

Dit brengt mee dat klagers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard voor wat betreft deze aanvulling op het klaagschrift.

Het hof overweegt ten overvloede dat ook als klagers ontvankelijk zouden zijn in hun (aanvullende) beklag, het hof het beklag zou afwijzen, omdat naar het oordeel van het hof voor beklaagde P013 dan hetzelfde geldt als hetgeen hiervoor ten aanzien van P001 is overwogen met betrekking tot noodweer dan wel noodweerexces en de opportuniteit van de vervolging.

27. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun aanvullend beklag.

Wijst het beklag voor het overige af.

Deze beschikking is op 20 januari 2012 gewezen door mr. D.J.C. van den Broek, voorzitter, mr. R. Noordam en mr. A.W. Beelaerts van Blokland, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.M. Bakker-Otjens.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.