Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV1406

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2012
Datum publicatie
19-01-2012
Zaaknummer
200.076.997-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

betaling factuur advocaat voor bijstand in strafzaak; gemachtigdensalaris voor eigen personeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer: 200.076.997/01

Zaaknummer rechtbank: 1046241 CV EXPL 09-51884

arrest d.d. 17 januari 2012

inzake

[Appellant],

wonende te [plaats],

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.G. Bannenberg te Rotterdam,

tegen

Van Delft Advocaten N.V.,

gevestigd te Waddinxveen,

geïntimeerde in principaal appel,

eiseres in incidenteel appel,

hierna te noemen: Van Delft Advocaten,

advocaat: mr. L.E.M. Elbertse te Waddinxveen.

Het geding

Bij exploot van 21 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen (eind)vonnis van 23 juli 2010. Daarbij heeft hij twee grieven aangevoerd. Bij arrest van 7 december 2010 is een comparitie van partijen gelast welke op 19 januari 2011 is gehouden. De raadsheer die deze comparitie heeft gedaan, is wegens vertrek naar een ander gerecht niet in de gelegenheid om dit arrest mee te wijzen. Bij memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties heeft Van Delft Advocaten vervolgens de grieven bestreden en zelf één grief opgeworpen. [appellant] heeft niet geantwoord in het incidenteel appel. Op 16 augustus 2011 is akte van niet dienen verleend.

Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de kantonrechter in het vonnis van 7 mei 2010 vastgestelde feiten, weergegeven in het vonnis onder 2.1-2.3, zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1 [appellant] is op 18 december 2006 in een strafzaak bij de politierechter bijgestaan door mr. Krouwel, destijds advocaat bij Van Delft Advocaten. Ter zake is tussen partijen een overeenkomst van opdracht gesloten.

2.2 In verband met de door Van Delft Advocaten voor [appellant] verrichte werkzaamheden heeft Van Delft Advocaten [appellant] een factuur d.d. 25 januari 2007 ad € 2.299,46 gezonden, opgebouwd uit honorarium, kantoorkosten en BTW. Tevens heeft zij hem een factuur d.d. 14 juni 2007 ad € 12,24 gezonden, opgebouwd uit portokosten en kosten voor het opvragen van een uittreksel bij de gemeente Rotterdam.

3. In eerste aanleg heeft Van Delft Advocaten, na vermeerdering van eis, gevorderd om, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen de somma van € 3.635,68 (zijnde € 3.100,18 aan hoofdsom en rente plus € 535,50 aan incassokosten), vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand of gedeelte van een maand, berekend over € 2.311,70 vanaf 3 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

4. In het vonnis van 7 mei 2010 heeft de kantonrechter [appellant] toegelaten te bewijzen dat hij zijn bezwaren tegen de factuur van 25 januari 2007 binnen bekwame tijd en in ieder geval binnen een jaar na ontvangst van die factuur aan Van Delft Advocaten (althans aan mr. Krouwel) heeft kenbaar gemaakt. Dit omdat uit de overeenkomst van opdracht en de wet voortvloeit dat klachten over een gebrekkige prestatie, die [appellant] stelt, binnen bekwame tijd dienen te worden gedaan en Van Delft Advocaten heeft aangevoerd dat [appellant] hieraan niet heeft voldaan.

5. De kantonrechter heeft vervolgens in het bestreden vonnis de vordering, kort gezegd, toegewezen. Daarbij is overwogen dat [appellant] twee schriftelijke verklaringen in het geding heeft gebracht, maar daarmee niet is geslaagd in de hem verstrekte bewijsopdracht. De kantonrechter heeft geen aanleiding gezien om Van Delft Advocaten een bedrag aan gemachtigdensalaris toe te kennen, nu zij de zaak in eigen hand heeft gehouden.

Met betrekking tot het principale beroep.

6. In het principale beroep heeft [appellant] twee grieven geformuleerd. Met zijn eerste grief komt hij op tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij niet is geslaagd in de hem verstrekte bewijsopdracht. Met zijn tweede grief voert hij aan dat de kantonrechter ten onrechte geen getuigen heeft gehoord. Nu de kantonrechter hiertoe niet is overgegaan, dienen in hoger beroep de getuigen alsnog te worden gehoord, aldus [appellant]. Daarnaast heeft hij zijn stelling gehandhaafd dat mr. Krouwel haar werk niet goed heeft gedaan. Van Delft Advocaten heeft hiertegen verweer gevoerd.

7. Naar het oordeel van het hof, kan in het midden blijven of [appellant] is geslaagd in zijn bewijsopdracht en hoeft hij niet alsnog in hoger beroep in de gelegenheid te worden gesteld om getuigen te horen. Uitgaande van de juistheid van de bewijsopdracht en aannemende dat [appellant] zou slagen in dat bewijs, dan nog zou de vordering van Van Delft Advocaten moeten worden toegewezen.

8. [appellant] heeft in eerste aanleg een viertal verweren gevoerd, namelijk (kort gezegd):

a. dat mr. Krouwel haar werk niet goed heeft gedaan en dat de declaratie niet overeenkomt met en niet in verhouding staat met de daarvoor in rekening gebrachte tijd;

b. dat Van Delft Advocaten de begrotingsprocedure had moeten volgen;

c. dat de rechtbank te Den Haag bevoegd was;

d. dat de incassokosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

9. [appellant] heeft met betrekking tot het onder 8a genoemde verweer aangevoerd dat hij naar zijn mening ten onrechte is gestraft. Hij acht de kosten onbillijk, omdat de procedure – die volgens hem eenvoudig was – zonder bemoeienis van mr. Krouwel dezelfde uitkomst zou hebben gehad en omdat de vergoeding voor de advocaat via een toevoeging slechts circa 700 euro zou bedragen. Hij plaatst vraagtekens bij de tijd die volgens Van Delft Advocaten is besteed aan het (herhaaldelijk) bestuderen van het dossier, het opstellen van een pleitnota en de (wacht)tijd voor de zitting. Hij is verbolgen over de zitting waar mr. Krouwel, naar hij stelt, niets of nauwelijks iets, heeft gezegd. Van Delft Advocaten heeft verweer gevoerd en met name verwezen naar de urenstaat en de aard en omvang van de zaak. Zij heeft een pleitnota van vier pagina’s in het geding gebracht waaruit haars inziens volgt dat mr. Krouwel op de zitting wel het woord heeft gevoerd. Daarnaast heeft zij aangegeven dat vooraf niet kan worden bepaald of de hulp van een advocaat resultaat zal opleveren en dat achteraf niet kan worden bepaald of een behaald resultaat te danken is aan de bijstand van een advocaat of niet.

10. Het hof stelt voorop dat een overeenkomst van opdracht tussen een cliënt en een advocaat geen garantie biedt op een bepaalde uitkomst van een procedure. Zelfs als de uitkomst van een procedure dezelfde zou zijn geweest zonder een advocaat in te schakelen, dan nog kan daaruit niet worden afgeleid dat een betrokkene niet zou hoeven betalen voor de door hem of haar ingeschakelde advocaat. Evenmin valt uit de vergoeding in het geval dat een toevoeging zou zijn verleend (daargelaten wat die vergoeding zou zijn) af te leiden wat als een redelijke vergoeding moet worden beschouwd. Tussen partijen staat immers vast dat mr. Krouwel op basis van de door haar aan de zaak bestede tijd zou worden betaald.

11. De in rekening gebrachte tijd van in totaal 875 minuten, komt het hof niet onredelijk voor. Daarbij is van belang dat vast staat dat [appellant] diverse malen (telefonisch) contact met mr. Krouwel heeft gehad en de zaak met haar heeft besproken, [appellant] door mr. Krouwel is begeleid naar voormelde strafzitting en zij hebben moeten wachten voordat de zitting aanving. Tevens volgt uit de door Van Delft Advocaten overgelegde pleitnota en de door [appellant] in eerste aanleg in het geding gebrachte brief van 19 december 2006 dat mr. Krouwel de zaak inhoudelijk heeft bestudeerd en daarover schriftelijke stukken heeft geproduceerd. Anders dan [appellant] meent, is de zaak niet als zeer eenvoudig te kenschetsen, hetgeen volgt uit de tenlastelegging en de uitslag van de procedure. [appellant] waren zeven strafbare feiten ten laste gelegd, waarbij twee feiten ad-informandum waren gevoegd. Tevens waren een aantal in beslag genomen voorwerpen en (ten minste) een vordering van een benadeelde partij aan de orde. [appellant] is veroordeeld voor drie feiten tot een werkstraf van 80 uur, waarvan 40 uren voorwaardelijk. Hij is vrijgesproken van de overige vier feiten. De inbeslaggenomen goederen zijn in bewaring gehouden ten behoeve van de rechthebbende en aan de benadeelde partij is een schadevergoeding toegewezen van € 500,-.

12. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het onder 8a genoemde verweer dient te worden gepasseerd. De kantonrechter heeft de onder 8b, c en d genoemde verweren zonder voorbehoud gepasseerd. Tegen dat oordeel is in hoger beroep niet opgekomen, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.

13. Derhalve kunnen de principale grieven niet leiden tot vernietiging.

Met betrekking tot het incidentele beroep

14. In het incidentele beroep is Van Delft Advocaten opgekomen tegen het oordeel dat haar geen gemachtigdensalaris toekomt. Het feit dat een medewerker van haar optreedt als gemachtigde en aldus geen externe advocaat is aangesteld, doet haars inziens niets af aan het feit dat het gemachtigdensalaris verschuldigd is. Haar advocaten hebben, naar zij stelt, veel tijd moeten besteden aan de procedure in eerste aanleg en zij hebben deze tijd niet aan andere zaken kunnen besteden. [appellant] heeft geen verweer gevoerd.

15. Het hof volgt Van Delft Advocaten in haar incidentele grief. De omstandigheid dat Van Delft Advocaten intern kosten heeft gemaakt ter zake van het voeren van de onderhavige procedure, vormt geen gegronde reden om haar een vergoeding voor salaris gemachtigde te ontzeggen (zie ook het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 15 december 2009, LJN BK6816).

16. Nu de incidentele grief slaagt, kan het vonnis niet in stand blijven en dient te worden beslist als na te melden. Voor de duidelijkheid zal de gehele proceskostenveroordeling in eerste aanleg opnieuw worden geformuleerd. Het vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd.

Met betrekking tot de proceskosten

17. [appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep in het principale en het incidentele beroep. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, LJN: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest, anders dan Van Delft Advocaten heeft gevraagd, beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam van 23 juli 2010, voorzover daarbij [appellant] (slechts) is veroordeeld tot betaling van € 280,25 aan verschotten en voorzover het meer of anders gevorderde, namelijk het (gemachtigden)salaris, is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Van Delft Advocaten tot op 23 juli 2010 begroot op € 280,25 aan verschotten en € 350,- aan salaris gemachtigde;

- bekrachtigt het vonnis voor het overige;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep in het principale en het incidentele beroep, aan de zijde van Van Delft Advocaten tot op heden begroot op

€ 640,- aan verschotten en € 1.580,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Fasseur-van Santen, M.J. van der Ven en H.J.H. van Meegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2012 in aanwezigheid van de griffier.