Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV0695

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2012
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
BK-11/00030
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Forensenbelasting. Belanghebbende houdt, zonder in de gemeente Schouwen-Duiveland hoofdverblijf te hebben, aldaar op meer dan 90 dagen van ieder van de onderhavige belastingjaren voor zich of haar gezin een gemeubileerde woning beschikbaar. De materiële belastingschuld voor de jaren 2006 en 2007 is ook in die jaren ontstaan. De aanslagen met dagtekening 31 oktober 2007 zijn binnen voormelde termijn van drie jaar opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2012/72
V-N Vandaag 2012/153
V-N 2012/17.26.5
FutD 2012-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00030

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 3 januari 2012

in het geding tussen:

mevrouw [X], wonende te [Z]: hierna belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland, hierna de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van rechtbank Middelburg van 9 december 2010, AWB 08/1090 betreffende na te noemen aanslagen.

Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 aanslagen in de forensenbelasting opgelegd van respectievelijk € 1.231,70, € 1.287,30, € 1.249,10 en € 1.283,90. De aanslagen in de forensenbelasting hebben betrekking op de woning [a-straat 1] in [P].

1.2. Bij in een geschrift, gedagtekend 15 oktober 2008, vervatte uitspraken op bezwaar, heeft de Inspecteur de aanslag in de forensenbelasting voor het jaar 2005 vernietigd en de aanslagen in de forensenbelasting voor de andere jaren gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank tijdig in hoger beroep gekomen bij het Hof en heeft in verband daarmee een griffierecht betaald van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 8 november 2011, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. [A] B.V. (hierna: de vennootschap) is vanaf het jaar 1998 eigenaresse van de woning [a-straat 1] te [P] (hierna: de woning).

3.2. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van de vennootschap.

3.3. De woning is gemeubileerd en is in de jaren 2006, 2007 en 2008 slechts door belanghebbende gebruikt. Aan het gebruik van de woning heeft geen schriftelijke overeenkomst tussen de vennootschap en belanghebbende ten grondslag gelegen.

3.4. Belanghebbende had gedurende de onderhavige jaren haar hoofdverblijf te [b-straat 1] te [Z].

3.5. De Inspecteur heeft naar aanleiding van een in het jaar 2007 ingesteld onderzoek aanslagen in de forensenbelasting opgelegd. De aanslagen voor de jaren 2006 en 2007 hebben als dagtekening 31 oktober 2007 en de aanslag voor het jaar 2008 heeft als dagtekening 30 juni 2008.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslagen in de forensenbelasting terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende in de jaren 2006 tot en met 2008 de woning gedurende meer dan negentig dagen voor zich of haar gezin beschikbaar heeft gehouden in de zin van artikel 2, eerste lid van de Verordening forensenbelasting zoals die van 2006 tot en met 2008 van toepassing was in de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de Verordening).

4.2.1. Belanghebbende stelt dat zij niet belastingplichtig is voor de forensenbelasting. Ter ondersteuning van dit standpunt voert zij primair aan dat

(i) de woning voor minder dan negentig dagen aan haar ter beschikking is gesteld en

(ii) dat de dagen waarop de woning niet aan haar ter beschikking zijn gesteld ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad 24 juli 1995, LJN: AA 1657) toegerekend dienen te worden aan het eigen gebruik van de eigenaar van de woning, in het onderhavige geval de vennootschap. De forensenbelasting wordt slechts geheven van natuurlijke personen, zodat geen aanslag kan worden opgelegd aan de vennootschap.

4.2.2. Belanghebbende stelt subsidiair dat de aanslagen in de forensenbelasting voor de jaren 2006 en 2007 onterecht zijn, aangezien de Inspecteur pas aan het eind van het jaar 2007 heeft vastgesteld dat de woning door belanghebbende wordt gebruikt.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

4.4. Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de aanslagen in forensenbelasting voor de jaren 2006 tot en met 2008. Subsidiair concludeert belanghebbende tot vernietiging van de aanslagen over de jaren 2006 en 2007.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

“4.1 Op grond van artikel 223 van de Gemeentewet kan een forensenbelasting worden geheven. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening forensenbelasting zoals die van 2006 tot en met 2008 van toepassing was in de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de verordening), wordt onder de naam "forensenbelasting" een directe belasting geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

4.2 Uit de gedingstukken blijkt dat de woning tot 2007 bij de gemeente geregistreerd is geweest als in gebruik zijnde bij de eigenaar, de B.V. In de loop van 2007 is naar aanleiding van het aanvragen van een afvalcontainer onderzocht of de juiste gebruiker was ingevoerd. Uit het onderzoek bleek dat de woning niet voor verhuur beschikbaar werd gesteld; er was geen GBA-inschrijving en er werd ook geen toeristenbelasting afgedragen. Uit controle ter plaatse bleek dat de woning wel feitelijk werd gebruikt. Deze feiten worden door [belanghebbende] niet weerlegd.

4.3 Op grond van deze feiten en omstandigheden en mede in aanmerking genomen hetgeen door [belanghebbende] is verklaard omtrent het feitelijk gebruik van de woning door haar, heeft [de Inspecteur] naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden aangenomen dat [belanghebbende] in de genoemde jaren gedurende meer dan negentig dagen per jaar de woning voor zichzelf beschikbaar hield. [Belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er belemmeringen zijn op grond waarvan zij niet meer dan negentig dagen per jaar over de woning kan beschikken. De woning staat immers ter beschikking van de B.V. en als directeur-enig aandeelhouder van de B.V. heeft [belanghebbende] de volledige zeggenschap over de woning en over het gebruik ervan. Bij gebreke van contractuele verplichtingen van de B.V. jegens derden heeft [belanghebbende] feitelijk het gehele jaar de woning tot haar beschikking. In hoeverre zij daadwerkelijk ook gebruik maakt van de woning doet niet ter zake.

4.4 Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het belastbare feit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de verordening, zich in de jaren 2006, 2007 en 2008 heeft voorgedaan. De aanslagen zijn dan ook terecht opgelegd. Het beroep is ongegrond.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.1. Op grond van artikel 223 van de Gemeentewet kan een forensenbelasting worden geheven. Artikel 2, eerste lid van de Verordening forensenbelasting zoals die van 2006 tot en met 2008 van toepassing was in de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de Verordening) luidt: ”Onder de naam ”forensenbelasting” wordt een directe belasting geheven van natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden”.

7.1.2. Het beschikbaar houden van een gemeubileerde woning voor zich of zijn gezin doet zich voor, indien die woning uit enige oorzaak meer dan voorbijgaand en in zekere mate duurzaam ter beschikking staat, ongeacht of ze inderdaad in gebruik is. Ook een louter en niet voorbijgaand gedogen door de eigenaar van het gebruik van de woning kan betekenen dat de woning beschikbaar wordt gehouden door de gebruiker.

7.2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de woning beschikbaar heeft gehouden in de zin van voormelde bepaling en dat zij terecht is aangeslagen voor de forensenbelasting. De rechtbank heeft hiermee op goede gronden een juiste beslissing gegeven. Het Hof maakt dit oordeel tot het zijne en neemt hierbij het volgende in aanmerking.

7.2.2. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de woning vanwege persoonlijke motieven niet aan derden wordt verhuurd en buiten de perioden van feitelijk gebruik door belanghebbende leeg staat. Belanghebbende heeft in haar hoedanigheid van directeur en enig aandeelhouder van de vennootschap de volledige zeggenschap en daarmee de volledige feitelijke beschikkingsmacht over het gebruik van de woning. Belanghebbende kan derhalve in wezen gedurende het jaar op elk moment vrijelijk over de woning beschikken.

7.2.3. Gelet op vorenstaande moet geoordeeld worden dat belanghebbende, zonder in de gemeente Schouwen-Duiveland hoofdverblijf te hebben, aldaar op meer dan 90 dagen van ieder van de onderhavige belastingjaren voor zich of haar gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houdt.

7.3.1. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar subsidiaire stelling dat de aanslagen voor het jaar 2006 en 2007 ten onrechte zijn opgelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet rijksbelastingen, dat ook voor de heffing van de forensenbelasting geldt, staat het de Inspecteur vrij om binnen een termijn van drie jaar na ontstaan van de (materiële) belastingschuld, een aanslag op te leggen.

7.3.2. De materiële belastingschuld voor de forensenbelasting ontstaat ingevolge artikel 6A van de Verordening, op het moment dat de woning in het belastingjaar voor meer dan negentig dagen door een natuurlijk persoon voor zich of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden. Vorenstaande leidt tot de slotsom dat de materiële belastingschuld voor de jaren 2006 en 2007 ook in die jaren is ontstaan en dat de aanslagen met dagtekening 31 oktober 2007, binnen voormelde termijn van drie jaar zijn opgelegd.

7.4. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 3 januari 2012 in het openbaar uitgesproken.

In verband met afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door mr. P.J.J. Vonk. De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.