Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV0521

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-01-2012
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
200.063.487-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van beschikking waarin moeder is ontheven van het ouderlijk gezag. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 18 augustus 2010, LJN: BN5438, overwogen dat de ontheffingsgronden aanwezig zijn maar een ontheffing ten aanzien van de moeder te prematuur geacht, gelet op haar houding ter zitting en in aanmerking nemende dat door zowel de moeder als door Jeugdzorg uitgesproken doelstellingen nog verre van gerealiseerd zijn. Het hof stelt in de eindbeschikking vast dat Jeugdzorg haar toezegging van 7 juli 2010 niet is nagekomen, terwijl van deze wijziging geen melding is gedaan. Voor die beleidswijziging was geen objectief te rechtvaardigen grondslag aanwezig. Het gevolg is geweest dat geen sprake is geweest van enige realisering van de in de tussenbeschikking genoemde doelstellingen. Integendeel eerder raken de ouders en de minderjarige verder verwijderd van de doelstellingen. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat het belang van de minderjarige zich verzet tegen ontheffing van de moeder van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 januari 2012

Zaaknummer : 200.063.487/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-6424

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C. Hartmann te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is opgeroepen:

de Stichting Bureau Haaglanden,

kantoor houdende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.A. Namaki,

2. de heer [A] en mevrouw [B],

beiden wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Voor het procesverloop in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 18 augustus 2010, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij die beschikking is de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 27 augustus 2011 pro forma en is iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 16 augustus 2011 een faxbericht van diezelfde datum (zonder bijlagen), op 17 augustus 2011 ingekomen als brief, met bijlagen;

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 17 augustus 2011 een brief van 15 augustus 2011 met bijlagen.

De mondelinge behandeling is op 23 november 2011 voortgezet, tezamen met de behandeling van de zaak met zaaknummer 200.063.469/01 (betreffende het door de vader tegen de beschikking van 18 januari 2010 ingestelde hoger beroep).

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- namens de raad: de heer [C];

- de heer [D] namens Jeugdzorg;

- de pleegouders, bijgestaan door mevrouw [E] namens Jeugdformaat.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Het geschil betreft de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarige [de minderjarige], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats], verder: de minderjarige. De ouders oefenden tot de datum van de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag uit. De minderjarige verblijft sinds 30 april 2005 bij de pleegouders.

2. Het hof heeft in voormelde tussenbeschikking wel gronden voor een ontheffing van het gezag aanwezig geacht maar een ontheffing prematuur geacht, gelet op de tijdens de zitting van 7 juli 2010 waargenomen ontwikkelingen. Tijdens genoemde zitting is het hof gebleken van enige openheid aan de zijde van de moeder. Het hof ging er op basis van de verklaring van de moeder van uit dat de moeder zich niet langer zou verzetten tegen het feit dat de minderjarige niet bij de ouders woont. De moeder heeft ter zitting haar doelstellingen voor de toekomst geformuleerd. Deze zijn:

- een goed contact met de pleegouders, in de zin dat het bestaan van de ouders wordt gezien en erkend;

- ondersteuning van de minderjarige door haar en de vader om zichzelf te kunnen zijn;

- een omgangsregeling met de minderjarige, die er uiteindelijk op neerkomt dat hij van vrijdag uit school tot zondag avond eenmaal in de twee weken bij zijn ouders is;

- een goede informatie- en consultatieregeling.

Jeugdzorg heeft deze doelen volledig onderschreven. Het hof heeft vastgesteld dat deze doelen nog verre van gerealiseerd waren. De afname van concrete begeleiding van de ouders door Jeugdzorg door de slechte verhouding tussen de ouders en Jeugdzorg, heeft het hof niet in het belang van de minderjarige geacht. Alvorens een definitieve beslissing te nemen heeft het hof Jeugdzorg en de ouders opgedragen hun relatie te herzien en de voorwaarden te scheppen tot verwezenlijking van de gestelde en benoemde doelstellingen.

3. Nadien heeft de moeder het hof het volgende meegedeeld. Op 29 januari 2011 is de moeder bevallen van een dochter. Nadat er een raadsonderzoek plaatsvond, bleek dat er geen ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van die dochter nodig werd geacht. De moeder heeft zich het afgelopen jaar zeer welwillend opgesteld en er alles aan gedaan om de mogelijkheden tot contacten tussen de minderjarige en haar te bevorderen. Het is Jeugdzorg die de contacten, zonder duidelijke uitleg en zonder zich te houden aan de door het hof gestelde doelstellingen, steeds meer beperkt en steeds strikter begeleidt. De moeder acht deze gang van zaken niet in het belang van de minderjarige. Jeugdzorg en pleegzorg lijken zich achter elkaar en de pleegouders te verschuilen. Er wordt niet in gesprek getreden met de moeder om haar zorgen met betrekking tot de minderjarige te bespreken in verband met de beperkte begeleide contacten, wat er toe leidt dat de minderjarige zich steeds minder op zijn gemak lijkt te voelen en steeds meer afstand van de moeder neemt. Uitgebreid onderzoek van de minderjarige wordt niet opgepakt en Jeugdzorg, die benoemd is tot voogdes van de minderjarige, legt de verantwoordelijkheid volledig bij pleegzorg. Daarnaast wordt er geen duidelijk plan van aanpak opgesteld met betrekking tot de bezoeken en eventuele toekomstige uitbreidingen. Zonder uitzicht op onbegeleide contacten, zoals deze in het verleden konden plaatsvinden en door het hof als doelstelling zijn geformuleerd, zal de moeder in het belang van de minderjarige een stapje terugdoen. Aangezien de minderjarige en de moeder op deze wijze niet weten waar zij aan toe zijn en zij in onzekerheid blijven, acht de moeder de door Jeugdzorg uitgezette ‘lijn’ niet in het belang van de minderjarige. Daarnaast wordt de moeder, hoewel zij daar wel om vraagt, niet op de hoogte gehouden van de ontwikkeling van de minderjarige.

De moeder wenst te benadrukken dat zij instemt met de plaatsing van de minderjarige bij de pleegouders maar dat er gewerkt moet worden aan de band tussen haar en de minderjarige.

4. Jeugdzorg heeft het hof bericht dat de ouders in december 2010 akkoord zijn gegaan met begeleide omgang voor de minderjarige, die angstig en opstandig gedrag vertoont. Naar de mening van Jeugdzorg verliep de omgangsregeling vanaf dat moment – ondanks de zwangerschap van de moeder – zo goed mogelijk. In maart 2011 ontving de gezinsvoogd een brief van de advocaat van de moeder waarin zij mededeelt dat de ouders ontevreden zijn over het verloop van de omgangsregeling en in april 2011 weigerden de ouders hun medewerking te verlenen aan begeleide omgang of observaties, omdat de begeleide bezoeken lang genoeg begeleid zouden zijn geweest. Er heeft een intern psychodiagnostisch onderzoek plaatsgevonden naar de ontwikkeling van de minderjarige. Het advies dat daaruit volgt is, onder meer, voortzetting van de begeleide bezoeken en observaties.

5. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 18 augustus 2010 overwogen dat:

- ontheffingsgronden aanwezig zijn (ro 10);

- een ontheffing van het gezag ten aanzien van de moeder prematuur wordt geacht, gelet op haar houding ter zitting en in aanmerking nemende dat door zowel de moeder als door jeugdzorg uitgesproken doelstellingen nog verre van gerealiseerd waren;

Het hof acht de verwezenlijking van deze doelstellingen, te weten (1) een goed contact tussen ouders en pleegouders, (2) ondersteuning van de minderjarige door de ouders om zich zelf te kunnen zijn, (3) een omgangsregeling tussen de ouders en de minderjarige die er uiteindelijk op neer komt dat hij van vrijdag uit school tot zondagavond eenmaal per twee weken bij zijn ouders zal zijn, (4) een goede informatie- en consultatieregeling, van groot belang voor de minderjarige.

Voorts is in het kader van de verwezenlijking van de doelstellingen ter zitting van 7 juli 2010 door Jeugdzorg voorgesteld een onbegeleid contact van een dag in stand te laten en is de bereidheid uitgesproken om gezamenlijk met de ouders om de tafel te gaan zitten teneinde tot een verdere invulling van het traject tot het bereiken van de doelstellingen te geraken.

6. Het hof ontving eerst op 17 augustus 2011 de brief van Jeugdzorg van 15 augustus 2011. Van de advocaat van de moeder ontving het hof eveneens op 17 augustus 2011 een brief van 16 augustus 2011. Uit de brieven blijkt dat sedert de zitting bij dit hof van 7 juli 2010 geen enkel onbegeleid contact meer heeft plaatsgevonden tussen de ouders en de minderjarige omdat de minderjarige angstig en opstandig gedrag liet zien na de (onbegeleide) bezoeken. Jeugdzorg grijpt met deze redengeving terug op een situatie die reeds bestaan moet hebben vóór de zitting van 7 juli 2010. Ter zitting van 23 november 2011 is duidelijk geworden dat de regie over de contacten tussen de ouders en de minderjarige niet in handen van Jeugdzorg is geweest, doch bij pleegzorg heeft gelegen. Voorts is ter zitting gebleken dat niet alleen pleegzorg doch ook de moeder angst bij de minderjarige heeft vastgesteld. Waar pleegzorg en Jeugdzorg de angst volledig toeschrijven aan de onbegeleide bezoekcontacten, meldde de moeder dat zij van de minderjarige vernam dat de pleegzorgmedewerkster met de minderjarige had gesproken over de ontheffing van het gezag. De moeder meent dat de minderjarige angstig is geworden door zijn inschatting dat hij nu nog minder bij zijn ouders zou mogen zijn. Wat daar ook van zij: uit het enige verslag dat van een observatie van een begeleid contact is opgemaakt en overgelegd, het verslag van mevrouw Bosman Besemer van februari 2011, blijkt van een natuurlijk en ontspannen contact tussen de ouders en de minderjarige.

7. Het hof stelt vast dat Jeugdzorg haar toezegging ter zitting van 7 juli 2010 niet is nagekomen, terwijl van deze wijziging in beleid ook niet terstond een melding aan het hof is gedaan. Het hof stelt voorts vast dat er voor de beleidswijziging geen objectief te rechtvaardigen grondslag aanwezig was. Het gevolg is geweest dat zelfs van een begin van beleid ter realisering van de voornoemde doelstellingen geen sprake is geweest, integendeel, eerder raken de ouders en de minderjarige verder verwijderd van de doelstellingen.

Onder deze omstandigheden verzet het belang van de minderjarige zich er tegen dat de moeder wordt ontheven van het gezag over hem.

8. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen en het inleidende verzoek van de raad alsnog afwijzen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige is ontheven, en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de raad strekkende tot ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige af;

draagt de griffier van het hof op van deze beslissing onverwijld mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te [het arrondissement waar de minderjarige geboren is].

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, De Haan-Boerdijk en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2012.