Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV0516

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-01-2012
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
200.063.469-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van de vader van het ouderlijk gezag. In tussenbeschikking van 18 augustus 2010, met LJN: BV0519, is geoordeeld dat de gronden voor ontheffing voorshands aanwezig zijn. Nader overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. Belang van het kind verzet zich niet tegen ontheffing van de vader van het gezag, met name omdat - anders dan ten aanzien van de moeder - zie LJN: BV:0521) is gebleken dat de vader niet in staat is om op enige wijze met de hulpverlening samen te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 4 januari 2012

Zaaknummer. : 200.063.469/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-6424

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.A. Namaki te ’s-Gravenhage,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is opgeroepen:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C. Hartmann te ’s-Gravenhage,

2. de heer [A] en mevrouw [B],

beiden wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Voor het procesverloop in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 18 augustus 2010, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij die beschikking is de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 27 augustus 2011 pro forma en is iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 17 augustus 2011 een brief van 15 augustus 2011 met bijlagen.

De mondelinge behandeling is op 23 november 2011 voortgezet, tezamen met de behandeling van de zaak met rekestnummer 200.063.487/01 (betreffende het door de moeder tegen de beschikking van 18 januari 2010 ingestelde hoger beroep).

Ter zitting waren aanwezig:

- namens de raad: de heer [C];

- de heer [D] (gezinsvoogd) en mevrouw [E] (gedragswetenschapper) namens Jeugdzorg;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de pleegouders, bijgestaan door mevrouw [F] namens Jeugdformaat.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Het geschil betreft de ontheffing van de vader van het gezag over de minderjarige [de minderjarige], geboren [in] 2004 te [geboorteplaats], verder: de minderjarige. De ouders oefenden tot de datum van de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag uit. De minderjarige verblijft in een pleeggezin, sinds 30 april 2005 bij de pleegouders.

2. Jeugdzorg heeft het hof bericht dat de ouders in december 2010 akkoord zijn gegaan met begeleide omgang voor de minderjarige, die angstig en opstandig gedrag vertoont. Naar de mening van Jeugdzorg verliep de omgangsregeling vanaf dat moment – ondanks de zwangerschap van de moeder – zo goed mogelijk. In maart 2011 ontving de gezinsvoogd een brief van de advocaat van de moeder waarin zij mededeelt dat de ouders ontevreden zijn over het verloop van de omgangsregeling en in april 2011 weigerden de ouders hun medewerking te verlenen aan begeleide omgang of observaties, omdat de begeleide bezoeken lang genoeg begeleid zouden zijn geweest. Er heeft een intern psycho-diagnostisch onderzoek plaatsgevonden naar de ontwikkeling van de minderjarige. Het advies dat daaruit volgt is, onder meer, voortzetting van de begeleide bezoeken en observaties.

3. Het hof overweegt als volgt. In voormelde tussenbeschikking heeft het hof de zaak aangehouden en – onder meer – geoordeeld dat de gronden voor ontheffing voorshands aanwezig zijn. De nader overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting hebben niet geleid tot een ander oordeel ten aanzien van de ontheffing van de vader over het gezag van de minderjarige. Voorts overweegt het hof dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot ontheffing van de vader van het gezag, met name omdat, anders dan ten aanzien van de moeder, is gebleken dat de vader niet in staat is om op enige wijze met de hulpverlening samen te werken.

4. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin de vader van het ouderlijk gezag over de minderjarige is ontheven;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

draagt de griffier van het hof op van deze beslissing onverwijld mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te [arrondissement waar minderjarige is geboren].

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, De Haan-Boerdijk en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2012.