Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:627

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
02-05-2017
Zaaknummer
04-02529.su.bp.mb02
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende voor de jaren 1992 tot en met 1996 kan worden betrokken in de heffing van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen ter zake van rente-inkomsten uit bij KBL aangehouden tegoeden, alsmede of terecht verhogingen zijn opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2017/1208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-04/02529

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 3 februari 2012

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de directeur van de Belastingdienst Holland-Midden (hierna: de Inspecteur) betreffende na te noemen navorderingsaanslagen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende zijn op basis van het saldo op 31 januari 1994 van rekeningnummers [… 1] en [… 1] ten name van ” [Y] respectievelijk
” [Y] OU MMES [Y] OU [A] ”, aangehouden bij de Kredietbank S.A. Luxembourgeoise te Luxemburg (hierna: KBL) de navolgende aanslagen en beschikkingen opgelegd:

  • -

    een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1992 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

  • -

    een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1993 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

  • -

    een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente;

  • -

    een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente; en

  • -

    een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan 50 percent kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

1.2. De tegen de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake de heffingsrente gerichte bezwaren zijn bij de bestreden uitspraken afgewezen.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 37.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 september 2011, gehouden te ’s‑Gravenhage. Daar zijn partijen verschenen.

2.4. De brief van 5 januari 2012 van belanghebbende rekent het Hof niet tot de gedingstukken. De brief is na sluiting van het onderzoek ter zitting ingekomen. Voorts ziet het Hof, nu met de brief niets is aangevoerd wat niet eerder had kunnen worden aangevoerd en overigens niet is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, geen reden het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen en voor de vermogensbelasting geen aangiften gedaan waarin melding is gemaakt van inkomsten of vermogen met betrekking tot een rekening bij KBL.

3.2. In 1994 hebben medewerkers van KBL-microfiches en documenten met informatie over rekeninghouders bij KBL ontvreemd. Deze gegevensdragers zijn in handen gekomen van de Belgische justitiële autoriteit. Op welke wijze dit is geschied, is niet geheel duidelijk.

3.3. De Belgische justitiële autoriteit heeft de gegevens verstrekt aan de Belgische belastingautoriteit ten behoeve van de belastingheffing in België. In antwoord op een verzoek van de Belgische belastingautoriteit heeft de Belgische justitiële autoriteit te kennen gegeven het niet opportuun te achten de inlichtingen door te geven aan buitenlandse belastingadministraties, met de aantekening dat het aan de Belgische belastingautoriteit zelf is te beslissen of het passend is de inlichtingen aan buitenlandse diensten te verstrekken.

3.4. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) op basis van Richtlijn 77/799/EEG spontaan inlichtingen verstrekt aan de Nederlandse Belastingdienst/FIOD, bestaande uit fotokopieën van microfiches met gegevens over rekeningen bij KBL op naam van inwoners van Nederland. De microfiches bevatten gegevens van bij KBL aangehouden rekeningen door in Nederland wonende personen. Van de rekeningen zijn 6.171 op naam. In 3.952 gevallen hebben de FIOD en de Belastingdienst een behandeltraject ingezet. Onderdeel van het behandeltraject is het vaststellen van de identiteit van de rekeninghouder. In 38 gevallen is de rekeninghouder niet geïdentificeerd. In 3.464 van de 3.952 gevallen is door degene aan wie een aanslag is opgelegd, erkend dat hij of zij houder is of is geweest van een rekening bij KBL.

3.5. Het onderzoek door de FIOD en de Inspecteur heeft het vermoeden opgeleverd dat belanghebbende houder is of is geweest van een rekening bij KBL.

3.6. Bij gespreksverslag van 18 februari 2002, ondertekend door belanghebbende en de Inspecteur, is het navolgende vastgelegd:

”(…) De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden. Het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat belanghebbende houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(en) kunnen van belang zijn voor de belastingheffing ten name van belanghebbende.

Vragen en antwoorden

Belanghebbende antwoordde als volgt, althans in woorden van gelijke strekking, op de volgende door ons gestelde vragen.

• Hoeveel bankrekeningen (ongeacht aard, sparen, beleggen, etc.) hebben u en/of uw partner de afgelopen 12 jaar (gehad) in het buitenland?

Eén bankrekening; begon met een rekening courant, later ook Funds; in Nederlandse guldens.

• Wanneer zijn deze rekeningen geopend?

In begin 1993.

• Door wie zijn deze rekeningen geopend?

Door de heer en mevrouw [X] .

• Op welke wijze zijn deze rekeningen geopend (waar, hoe gelegitimeerd, in geval van een

”en/of-rekening”: waren de 2e en/of 3e rekeninghouder ook daarbij aanwezig)?

Na legitimatie.

• Wie zijn of waren tekeningsbevoegd voor de bankrekening(en)?

De heer en mevrouw [X] en de stiefdochter [A] .

• Kregen u en/of uw partner de rekeningafschriften naar het woonadres in Nederland toegestuurd of kon op een andere wijze over de rekeningafschriften worden beschikt?

Werd toegezonden, maar niet bewaard.

• Kunt u ons de rekeningafschriften verstrekken vanaf de datum van opening van de rekening(en) tot heden? (indien niet op korte termijn, wanneer dan wel?)

Niet op korte termijn.

• Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen gestort of laten storten, dan wel overgemaakt of laten overmaken op deze bankrekening(en) (in de ruimste zin van het woord)? In contanten.

• Wat is de herkomst van de gestorte en/of overgemaakte bedragen?

Erfenis n.a.v. overlijden zoon en enkele tantièmes.

• Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen opgenomen of laten opnemen, dan wel overgeboekt of laten overboeken van deze bankrekening(en) (in de ruimste zin van het woord?

In contanten opgenomen in het jaar 1996.

• Wat waren de bestedingsdoelen van deze opnamen of overboekingen?

Een boot.

• Hebben u en/of uw partner het saldo en/of de opbrengsten van deze banktegoeden vermeld op de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting?

Neen.

Afspraken

Met belanghebbende is de volgende afspraak gemaakt:

de bankafschriften en de jaaropgaven worden opgevraagd en binnen vier weken wordt er met ons een afspraak gemaakt om e.e.a. af te ronden. (...)”

3.7. Bij door de Inspecteur op 24 mei 2002 ontvangen brief heeft belanghebbende de gevraagde gegevens aan de Inspecteur gezonden:

”(…) Met referte aan ons telefonisch onderhoud 21 mei jl., doe ik U hierbij de gewenste gegevens toekomen. Indien na ontvangst nog behoefte bestaat tot een persoonlijk onderhoud dan kunt U mij bellen voor een afspraak. (...)”

3.8. Bij brief van 7 augustus 2002 heeft de Inspecteur als volgt op de ontvangst van de gegevens van belanghebbende gereageerd:

”(...) Woensdag 17 juli heb ik samen met mijn collega u bezocht om de uitkomst van onze berekeningen en de bijbehorende vaststellingsovereenkomst met u door te nemen. U gaf aan hier geen prijs op te stellen, waarop wij de bescheiden bij u hebben achtergelaten. Dit neemt niet weg dat wij graag dit onderzoek willen afronden en binnen twee weken een schriftelijke of telefonische ( [… 1] ) reactie van u verwachten. (...)”

3.9. Bij brief van 8 juli 2002 bericht de Inspecteur belanghebbende:

”(…) De Belastingdienst heeft een onderzoek ingesteld naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden. Naar aanleiding van dit onderzoek naar buitenlands vermogen hebben de volgende partijen, na onderling overleg, in het kader van een compromis een vaststellingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:900, lid 1 Burgerlijk Wetboek:

1.

Naam

:

[X]

Adres

:

[B]

Postcode en woonplaats

:

[C]

Geboortedatum

:

[in] 1934

Sofinummer

:

[… 1]

2.

Naam

:

[D] en [E]

Namens

:

de inspecteur, Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen [F]

Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst is de na te vorderen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen over de jaren 1992 t/m 1996, alsmede de boeten en de heffingsrente daarover, voor zover die een gevolg zijn van het hiervoor genoemde onderzoek. Partijen verklaren zich jegens elkaar te binden ten aanzien van deze onderwerpen, waarbij zij uitdrukkelijk verklaren dat de overeenkomst ook zal gelden indien of voor zover zij afwijkt van een rechtens bestaande toestand tussen partijen.

Uitgangspunt van deze vaststellingsovereenkomst is het feit, dat partij sub 1 opzettelijk onjuist aangiften inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen heeft gedaan over de jaren 1992 t/m 1996. (...)”

3.10. Bij brief van 30 augustus 2002 heeft belanghebbende de Inspecteur bericht:

”(...) Met referte aan Uw schrijven, deel ik U mede niet akkoord te gaan met de mij opgelegde navordering en de sancties en wel om de navolgende redenen:

1.

De gegevens door mij verstrekt zijn onder intimidatie verkregen, n.l. twee ambtenaren van de dienst belastingzaken hebben zich, zonder vooraankondiging, ’s avonds om ca. 8 uur aan mijn huisadres gemeld en mij overrompeld met de opmerking, ”wij zijn in het bezit van informatie dat u een rekening heeft in het buitenland”. Hierop is door mij uiteraard beduusd positief gereageerd.

2.

Naar mijn mening is de in uw bezit zijnde informatie afkomstig van diefstal (zie ook kopieën uitspraak Recht Brussel) en heeft de fiscus in Nederland zich derhalve schuldig gemaakt aan heling evenzo dus een strafbaar feit, welke mij ontslaat van sancties, immers gelijke monniken, gelijke kappen, want het kan toch niet zo zijn dat de belastingdienst voor zo'n strafbaar feit de wet buiten werking stelt.

Voorts is de door mijn fiscalist opgestelde berekening niet overgenomen en is ook duidelijk geen rekening gehouden met mijn rechten gedurende de periode van navordering waarin geen volledig gebruik heb gemaakt van de vrijstellingsregeling. Tenslotte kunt U uit de in uw bezit zijnde kopieën concluderen dat de rekening in Luxemburg een zogenaamde collectieve rekening betreft die eigendom was, althans op naam stond van meerdere personen en waarbij slechts (ter vermijding van administratieve rompslomp) mijn naam als correspondentieadres was vermeld. Het bedrag eerste inleg ad. ƒ 22.000,- is geheel eigendom van ondergetekende welk bedrag op een legale manier als tantième is verkregen en waarop toen al de hoogste belastingschijf is gehanteerd van 60%. Het bedrag ad. ƒ 45.000,- is afkomstig uit de nalatenschap van een overleden stiefzoon en eigendom van een 4-tal personen, mede rekeninghouders (...)”

3.11.

Bij brief van 19 september 2002 heeft de Inspecteur als volgt op de brief van belanghebbende gereageerd:

”(...) Allereerst was u enigszins op de hoogte van ons avondbezoek, omdat wij al een keer overdag zijn langs geweest en toen van uw vrouw te horen kregen dat u overdag moeilijk bereikbaar bent. Voorts hebben wij open kaart gespeeld en u verteld dat wij concrete aanwijzingen hebben dat u de afgelopen 12 jaar één of meerdere bankrekeningen in het buitenland heeft (gehad). Dat u dat persoonlijk als intimiderend heeft ervaren kan ik me gezien het onderwerp voorstellen. (…)

De opstelling van uw fiscalist hebben wij niet gevolgd, omdat dit ten eerste een ruwe benadering was (elk jaar dezelfde rente) en uw fiscalist geen rekening had gehouden met het fictieve rendement van de KBL-fondsen. Ook uw conclusie dat wij geen rekening hebben gehouden met de rentevrijstelling, is onjuist. U heeft deze vrijstelling reeds bij uw reguliere opgaven benut (of geen recht op vanwege hogere rente van schulden) en op fictief rendement is geen vrijstelling van toepassing. Wij wilden onze berekeningswijze aan u toelichten, maar u heeft op een onplezierige wijze te kennen gegeven daar geen prijs op te stellen. Pas bij dit gesprek zou de boete aan de orde zijn gekomen en heeft u een zwijgrecht. Maar ten aanzien van de fiscale behandeling bestaat er geen zwijgrecht, doch slechts een informatieplicht. Tevens is het een keuze van de belastingdienst om brieven te versturen of persoonlijk langs te gaan Maar in beide gevallen heeft de belastingdienst het initiatief genomen en kan belastingplichtige zich niet meer beroepen op de inkeerregeling en zodoende het boetebedrag verlagen. U heeft deze kans gehad maar niet genomen. U bent samen met uw vrouw rekeninghouder geweest van deze rekening. Dat er ook anderen als mederekeninghouder staan vermeld, doet niet terzake. Het is heel gebruikelijk dat mensen die samen met hun partner een ”zwarte” bankrekening openen hun kinderen of andere naasten mederekeninghouder maken voor het geval dat beide partners komen te overlijden. Dat een klein gedeelte van de tweede storting ad. fl. 37.000,- zou toebehoren aan anderen is niet aannemelijk gemaakt. Dit zou trouwens kunnen leiden tot naheffingsaanslagen successierecht. Uit doelmatigheidsoverwegingen hebben wij hier in eerste instantie van afgezien. In uw eerste verklaring heeft u aangegeven van het hele bedrag in 1996 een boot te hebben gekocht en niet aan eventuele erfgenamen te hebben gegeven. Mocht u nog prijsstellen op een nadere toelichting, dan kunt u mij op bovenstaand telefoonnummer bereiken. (...)”

3.12.

Bij brief van 7 oktober 2002 deelt de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur mee:

”(...) Tot mij wendde zich in aanhef genoemde cliënt met het verzoek tot rechtsbijstand. Hiertoe heb ik mijn bereidheid uitgesproken. Cliënt legde mij de door u aan hem gerichte correspondentie voor. In deze correspondentie stelt u dat cliënt beschikt over een buitenlandse bankrekening. Ik ben thans doende de inhoud van het dossier te bestuderen. Hierop zal ik binnen vier weken inhoudelijk reageren. Intussen verzoek ik u, namens cliënt, alle correspondentie dienaangaande te richten aan mijn kantooradres. (...)”

3.13.

Bij brief van 31 mei 2002 deelt de Inspecteur belanghebbende zijn voornemen mede tot het opleggen van navorderingsaanslagen:

”(...) Op 24 april 2003 heb ik u schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had aan u

navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen met vergrijpboeten op te leggen over de jaren 1992 tot en met 1996. Ik heb u daarbij in de gelegenheid gesteld om te reageren op mijn voornemen. U heeft niet op mijn brief gereageerd. Daarom ga ik ervan uit dat mijn constatering juist is en leg ik de aangekondigde navorderingsaanslagen en boeten op. (…)

Aangezien u bij het onderzoek volledige medewerking heeft verleend zal ik de boete echter (voor zover nodig na kwijtschelding) vaststellen op 50%. (...)”

3.14.

Tot de gedingstukken behoren drie afdrukken van microfiches, onder meer vermeldend de naamcombinaties ” [Y] ” en ” OU MMES [Y] OU [A]”, de rekeningcoderingen ” [… 1] ”, ” [… 1] ” en ” [… 1] ”, met de van de valutacodes ”040” (Nederlandse gulden) en ”001” (Belgische frank) voorziene cijfercoderingen corresponderende saldi per 31 januari 1994 van respectievelijk / ƒ 90,34, / BEF 4.181,00 en ƒ 510,48.

3.15.

De FIOD heeft getracht te achterhalen wie de houder van de rekening [… 1] is. Met betrekking tot die identificatie vermeldt het door [G] , ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 25 juli 2005:

”Proces-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject

Betreft: Onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de Kredietbank Luxemburg t.n.v.

[X]

Rekeningnummer [… 1]

Ik,

[G] ,

ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD-ECD/kantoor [H] en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aktenummer [… 1] , verklaar het volgende.

Door mij is een onderzoek ingesteld naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux).

Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie [H] zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

De rekeninghouders staan hier op verschillende manieren vermeld.

  1. ) Voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

  2. ) Voornamen (doop c.q. geboortenamen) met achternaam

  3. ) Voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan gevolgd worden door

1) Een liggend streepje en een tweede achternaam

2) Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

3) Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan weer gevolgd worden door

1.

Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met

achternaam

Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

In geval van mogelijkheid 2 of 3 worden de rekeninghouders veelal aangeduid met hun aanspreektitel

M (=Monsieur)

Mme (= Madamme)

Melle (= Mademoiselle)

Het cliëntenbestand KB Lux is door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

Indien een rekening meer dan één rekeninghouder heeft, is er uit het BVR-bestand door B/KIR de volgende selectie gemaakt waarbij de voorwaarde is gesteld dat de (eerste) voorletter zoals die in het BVR-bestand staat vermeld bij ten minste één van de achternamen overeenkomt met de eerste letter van de voor c.q. doopnaam (letter) zoals die op de microfiches staat vermeld.

  1. ) alle combinaties van beide achternamen waarbij in BVR de relatie gehuwd (met) staat vermeld.

  2. ) alle combinaties van beide achternamen die in BVR op hetzelfde adres wonen (hebben gewoond)

  3. ) alle combinaties van beide achternamen die in BVR onder hetzelfde dossiernummer staan (stonden) vermeld.

Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

Door de FIOD-ECD/kantoor [H] /afdeling Digitaal Ondersteuningsteam is uit het door B/KIR gemaakte bestand een nadere selectie gemaakt. Alleen die combinaties van namen zijn in de selectie ter nadere identificatie opgenomen waarbij er of géén voornaam na matching met het RDW-bestand bekend was, dan wel na matching de voornaam uit het RDW-bestand gelijk was aan de voornaam van het cliëntenbestand KB Lux.

Ter illustratie van de gemaakte selecties is het volgende fictieve voorbeeld opgenomen. Op de microfiches staat als rekeninghouder "Jan Jansen-Pietersen". Uit het BVR-bestand heeft B/KIR de hierboven genoemde combinaties van de achternamen geselecteerd met als eerste letter ”J”: b.v. ”J.*. Jansen met *. Pietersen” en ”*. Jansen met J.*. Pietersen”.

Uit het RDW-bestand zijn de voornamen (indien bekend) erbij gezocht:

b.v. Johan Jansen met Aaltje Pietersen of (indien onbekend) J Jansen met Tim Pietersen

Het digitaal ondersteuningsteam heeft uit deze selectie de ”niet gezochte” voornamen verwijderd, b.v Johan Jansen met Aaltje Pietersen verwijderd, maar J. Jansen met Tim Pietersen laten staan.

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1.

Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[X] .

2.

Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [X] , gehuwd met mw. [I] .

3.

Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij [X] de partner is van [I] .

Dit is [X] geboren op [in] 1934, met sofinummer [… 1] , gehuwd met [I] , geboren op [in] 1944, met sofinummer [… 1] .

4.

Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan [in] 1984.

Conclusie:

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie [X] , gehuwd met [I] , als enige rekeninghouder(s) van de KB Lux rekening [… 1] in aanmerking.

Opgemaakt op ambtsbelofte, gesloten en getekend te Haarlem op 25 juli 2005.

[G] ”

3.16

De FIOD heeft getracht te achterhalen wie de houder van de rekening [… 1] is. Met betrekking tot die identificatie vermeldt het door [G] , ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 25 juli 2005:

”Proces-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject

Betreft: Onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de Kredietbank Luxemburg t.n.v.

[X] OU MMES [Y] OU [A]

Rekeningnummer [… 1]

Ik,

[G] ,

ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD-ECD/kantoor [H] en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aktenummer [… 1] , verklaar het volgende.

Door mij is een onderzoek ingesteld naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux).

Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

De rekeninghouders staan hier op verschillende manieren vermeld.

  1. ) Voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

  2. ) Voornamen (doop c.q. geboortenamen) met achternaam

  3. ) Voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan gevolgd worden door

1) Een liggend streepje en een tweede achternaam

2) Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

3) Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan weer gevolgd worden door

1.

Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met

achternaam

Het Franse woord ”ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

In geval van mogelijkheid 2 of 3 worden de rekeninghouders veelal aangeduid met hun aanspreektitel

M (=Monsieur)

Mme (= Madamme)

Melle (= Mademoiselle)

Het cliëntenbestand KB Lux is door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

Indien een rekening meer dan één rekeninghouder heeft, is er uit het BVR-bestand door B/KIR de volgende selectie gemaakt waarbij de voorwaarde is gesteld dat de (eerste) voorletter zoals die in het BVR-bestand staat vermeld bij ten minste één van de achternamen overeenkomt met de eerste letter van de voor c.q. doopnaam (letter) zoals die op de microfiches staat vermeld.

  1. ) alle combinaties van beide achternamen waarbij in BVR de relatie gehuwd (met) staat vermeld.

  2. ) alle combinaties van beide achternamen die in BVR op hetzelfde adres wonen (hebben gewoond)

  3. ) alle combinaties van beide achternamen die in BVR onder hetzelfde dossiernummer staan (stonden) vermeld.

Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

Door de FIOD-ECD/kantoor Haarlem/afdeling Digitaal Ondersteuningsteam is uit het door B/KIR gemaakte bestand een nadere selectie gemaakt. Alleen die combinaties van namen zijn in de selectie ter nadere identificatie opgenomen waarbij er of géén voornaam na matching met het RDW-bestand bekend was, dan wel na matching de voornaam uit het RDW-bestand gelijk was aan de voornaam van het cliëntenbestand KB Lux.

Ter illustratie van de gemaakte selecties is het volgende fictieve voorbeeld opgenomen. Op de microfiches staat als rekeninghouder "Jan Jansen-Pietersen". Uit het BVR-bestand heeft B/KIR de hierboven genoemde combinaties van de achternamen geselecteerd met als eerste letter ”J”: b.v. ”J.*. Jansen met *. Pietersen” en ”*. Jansen met J.*. Pietersen”.

Uit het RDW-bestand zijn de voornamen (indien bekend) erbij gezocht:

b.v. Johan Jansen met Aaltje Pietersen of (indien onbekend) J Jansen met Tim Pietersen

Het digitaal ondersteuningsteam heeft uit deze selectie de ”niet gezochte” voornamen verwijderd, b.v Johan Jansen met Aaltje Pietersen verwijderd, maar J. Jansen met Tim Pietersen laten staan.

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1.

Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam: [X] ou Mmes [X] ou [A] .

2.

Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien de notatiewijze [X] wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [X] , gehuwd met mw. [I] .

3.

Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij [X] de partner is van [I] .

Dit is [X] , geboren [in] 1934 met sofinummer [… 1] , gehuwd met [I] geboren [in] 1944 met sofinummer [… 1] .

4.

Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien de notatiewijze Mmes [X] ou [A] wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van mevrouw [X] en mevrouw [A] .

5.

In het BVR-bestand kan ik lezen dat voornoemde [I] ouder is van [A] geboren [in] 1968 met sofinummer [… 1] .

Conclusie

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie van de heer [X] , mevrouw [I] en mevrouw [A] , als enige rekeninghouders van de KB Lux rekening [… 1] in aanmerking.

Opgemaakt op ambtsbelofte, gesloten en getekend te Haarlem op 25 juli 2005.

[G] ”

Omschrijving geschil en standpunten en conclusies van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende voor de jaren 1992 tot en met 1996 kan worden betrokken in de heffing van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen ter zake van rente-inkomsten uit bij KBL aangehouden tegoeden, alsmede of terecht verhogingen zijn opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij de standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake de heffingsrente.

4.4. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar, behoudens vermindering van de verhogingen in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling van het beroep

Rekeninghouderschap

5.1. Gegeven de verklaring van belanghebbende houder te zijn van KBL-rekeningen [… 1] en [… 1] en de door de Inspecteur ingebrachte stukken, merkt het Hof als vaststaand aan dat belanghebbende houder is of is geweest van die rekeningen.

Navorderingstermijn

5.2.1. Zijn er aanwijzingen van het bestaan van in een andere lidstaat aangehouden tegoeden en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die geldt voor navordering van belasting in verband met tegoeden in de eigen lidstaat, dan moet in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, na het opkomen van de aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (1) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en met (2) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van de aanslag aan de hand van de gegevens die de Inspecteur ter beschikking staan. Zulks geldt ongeacht of de aanwijzingen zijn verkregen binnen of na afloop van de termijn die geldt voor navordering met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen lidstaat, en zowel in het geval dat voor het inwinnen van inlichtingen een nuttig gebruik kan worden gemaakt van regelingen van wederzijdse bijstand tussen lidstaten, als in het geval dat de mogelijkheid daartoe ontbreekt, bijvoorbeeld doordat de desbetreffende lidstaat een bankgeheim kent.

5.2.2. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 31 mei 2003, en wel met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. De Inspecteur heeft voor het doen van aangifte geen uitstel verleend. Vaststaat dat de Inspecteur vanaf 27 oktober 2000 beschikte over aanwijzingen van het bestaan van de KBL-rekeningen. Voor elk van de navorderingsaanslagen moet worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het moment waarop de Inspecteur aanwijzingen van het bestaan van de KBL-rekeningen heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de navorderingsaanslagen heeft opgelegd, aanvaardbaar is.

5.2.3. De tijd die de Inspecteur heeft besteed aan het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en die welke noodzakelijkerwijs is gemoeid met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag, zoals de identificatie van belanghebbende en het overige fiscale onderzoek, is naar ’s Hofs oordeel voor elk van de navorderingsaanslagen niet aanvaardbaar. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat belanghebbende in reactie op vragen van de Inspecteur onverwijld heeft bekend over de rekeningen te hebben beschikt en direct zodanige informatie heeft verstrekt over die rekeningen dat de Inspecteur de navorderingsaanslagen aanzienlijk eerder had moeten opleggen. De omstandigheid dat de Inspecteur de tijd heeft besteed om vóór het opleggen van de aanslagen te trachten met belanghebbende tot een vaststellingsovereenkomst te komen en nadien heeft gediscussieerd met gemachtigde van belanghebbende laat zulks onverlet. De navorderingsaanslagen kunnen daarom niet in stand blijven.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.932 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (2 punten à € 322 x 2 (gewicht van de zaak) en in bezwaar (2 punten à € 161 x 2 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient het griffierecht aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen, telkens met inbegrip van de daarin begrepen verhoging;

  • -

    vernietigt de beschikkingen heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.932; en

  • -

    gelast de Inspecteur het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 3 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • -

    de naam en het adres van de indiener;

  • -

    de dagtekening;

  • -

    de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  • -

    de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.