Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:626

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
BK-04/02528
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ6816
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KBL-zaak. Geen sprake van adequate identificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-04/02528

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 3 februari 2012

op het beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de directeur van de Belastingdienst Holland-Midden (hierna: de Inspecteur) betreffende na te noemen navorderingsaanslagen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende zijn op basis van het saldo op 31 januari 1994 van rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van ”[Y]”, aangehouden bij de Kredietbank S.A. Luxembourgeoise te Luxemburg (hierna: KBL) de navolgende aanslagen en beschikkingen opgelegd:

  • -

    een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente; en

  • -

    een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1992 bestaande uit bedragen aan enkelvoudige belasting, aan verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), ter zake waarvan geen kwijtschelding is verleend, en aan bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente.

1.2. De tegen de navorderingsaanslagen en beschikkingen inzake de heffingsrente gerichte bezwaren zijn bij de bestreden uitspraken afgewezen.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 37.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De Inspecteur heeft nadere stukken ingezonden. Belanghebbende heeft van deze stukken kennisgenomen en zich daarover ter zitting kunnen uitlaten.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 juni 2011, gehouden te ’s‑Gravenhage. Daar zijn partijen verschenen.

2.5. De brieven van 12 juli 2011 en van 5 januari 2012 van belanghebbende rekent het Hof niet tot de gedingstukken. De brieven zijn na sluiting van het onderzoek ter zitting ingekomen. Voorts ziet het Hof, nu met de brieven niets is aangevoerd wat niet eerder had kunnen worden aangevoerd en overigens niet is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, geen reden het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen en voor de vermogensbelasting geen aangiften gedaan waarin melding is gemaakt van inkomsten of vermogen met betrekking tot een rekening bij KBL.

3.2. Belanghebbende was tot 2002 in loondienst verbonden aan de besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: de vennootschap), is vanaf 2002 gepensioneerd en bezit alle aandelen in de vennootschap. De vennootschap handelde en bemiddelde internationaal in onroerende zaken en verhuurt na de pensionering van belanghebbende bedrijfsmatig nog enkele onroerende zaken.

3.3. In 1994 hebben medewerkers van KBL-microfiches en documenten met informatie over rekeninghouders bij KBL ontvreemd. Deze gegevensdragers zijn in handen gekomen van de Belgische justitiële autoriteit. Op welke wijze dit is geschied, is niet geheel duidelijk.

3.4. De Belgische justitiële autoriteit heeft de gegevens verstrekt aan de Belgische belastingautoriteit ten behoeve van de belastingheffing in België. In antwoord op een verzoek van de Belgische belastingautoriteit heeft de Belgische justitiële autoriteit te kennen gegeven het niet opportuun te achten de inlichtingen door te geven aan buitenlandse belastingadministraties, met de aantekening dat het aan de Belgische belastingautoriteit zelf is te beslissen of het passend is de inlichtingen aan buitenlandse diensten te verstrekken.

3.5. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) op basis van Richtlijn 77/799/EEG spontaan inlichtingen verstrekt aan de Nederlandse Belastingdienst/FIOD, bestaande uit fotokopieën van microfiches met gegevens over rekeningen bij KBL op naam van inwoners van Nederland. De microfiches bevatten gegevens van bij KBL aangehouden rekeningen door in Nederland wonende personen. Van de rekeningen zijn 6.171 op naam. In 3.952 gevallen hebben de FIOD en de Belastingdienst een behandeltraject ingezet. Onderdeel van het behandeltraject is het vaststellen van de identiteit van de rekeninghouder. In 38 gevallen is de rekeninghouder niet geïdentificeerd. In 3.464 van de 3.952 gevallen is door degene aan wie een aanslag is opgelegd, erkend dat hij of zij houder is of is geweest van een rekening bij KBL.

3.6. Het onderzoek door de FIOD en de Inspecteur heeft het vermoeden opgeleverd dat belanghebbende houder is of is geweest van een rekening bij KBL. In dat kader is belanghebbende verhoord. Tijdens dat verhoor heeft belanghebbende ontkend houder te zijn of te zijn geweest van rekening [rekeningnummer 1] bij KBL. Van het verhoor is gedagtekend 12 januari 2004 een ambtsedig proces-verbaal (hierna: het ambtsedig proces-verbaal) opgemaakt.

3.7. Het ambtsedig proces-verbaal bevat de navolgende opvattingen van de verbalisant:

”Het is opvallend dat verdachte [X] in het eerste verhoor verklaart dat hij niet weet hoe de Kb Luxbank aan zijn gegevens is gekomen. Hij is echter niet bereid om medewerking te verlenen om schriftelijk opheldering aan de bank te vragen. Een hiertoe opgestelde brief wenst hij niet te ondertekenen. (…) Verder is het opvallend dat geen van de naaste familieleden een getuigenverklaring wil afleggen. De herkomst van het geld op de vermoedelijke bankrekening van verdachte [X] is onbekend. Mogelijk is het geld afkomstig van buitenlandse onroerend goed transacties. (…) Het is verder opvallend dat getuige [B] verklaart over onroerend goed transacties die in België hebben plaatsgevonden en het feit dat de bankrekening in Belgische Francs werd aangehouden. (…)”

3.8. Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende bij vragenbrief van 8 december 2003 het volgende onder de aandacht gebracht:

”(…) De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u houder bent (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(en) kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing. Daarom verzoek ik u mij de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die in de bijlage bij deze brief worden gevraagd. Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter. b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. Indien u de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u bovendien een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR. Ik verzoek u de gevraagde gegevens en inlichtingen in te vullen op de bijlage bij deze brief, de bijlage vervolgens te ondertekenen en te retourneren vóór 13 december 2003. (…) Gezien de aard en de beperkte omvang van de gevraagde gegevens en inlichtingen zal géén uitstel worden verleend voor het aanleveren daarvan. Als u nog vragen of opmerkingen heeft, kunt u mij bellen. (...)”

De bijlage omvat het formulier ”Verklaring buitenlandse bankrekeningen” waarin belanghebbende gevraagd wordt om - onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen - aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest.

3.9. Gedateerd 12 december 2003 heeft belanghebbende het formulier ”VERKLARING BUITENLANDSE BANKREKENINGEN” ingevuld en ondertekend aan de Inspecteur teruggestuurd onder vermelding van twee nummers, [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3], van in Frankrijk bij Crédit Agricole S.A. aangehouden bankrekeningen, en onder beantwoording van alle door de Inspecteur op dat formulier aan belanghebbende gestelde vragen.

3.10. Bij handgeschreven brief van 12 december 2003 heeft belanghebbende de Inspecteur voorts het volgende onder de aandacht gebracht:

”(…) Als antwoord op uw schrijven van 8 dec 2003, (dat voor 13/12-03) wij alle bescheiden bij Uw kantoor-belasting hebben ingeleverd te [Q] inklusief alzo de bankafschriften en bankboekje nrs [rekeningnummer 2] als [rekeningnummer 3] respt vanaf 12/7-’95 t.e.m. 13/9-2002 en per deze datum is opgeheven. Zoals ook [rekeningnummer 3] vanaf 1/1-1995 t.e.m. 16/9-2002 en per deze laatste datum is beëindigd cq opgeheven! Zij vermeld op Uw pagina 3 voorlaatste allinea ”Algemeen”, vergeten zijn om hier achter de eerste regel te vermelden ”Franze Frank”. (…) Wij hebben afgeleverd ordner/Bankafs en bankboekje aan Uw kantoor om 11.30 uur dd 12 dec 2003 (…)”

3.11. Bij brief van 15 december 2003 heeft de Inspecteur belanghebbende het volgende onder de aandacht gebracht:

”(…) Op 8 december 2003 heb ik u schriftelijk verzocht om gegevens en inlichtingen over bankrekening(en) in het buitenland aan te leveren. U heeft schriftelijk verklaard gerechtigd (geweest) te zijn tot de volgende bankrekeningen:

  • -

    [rekeningnummer 2] Frankrijk

  • -

    [rekeningnummer 3] Frankrijk

Ik dank u voor het afgeven van gegevens die betrekking hebben op deze bankrekeningen. In bovengenoemde brief bedoel ik echter (een) andere bankrekening(en). Ik wijs u er nogmaals op dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ( AWR ) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b én artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. Indien u de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u bovendien een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR. Ik stel u hierbij voor de laatste maal in de gelegenheid om de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Daartoe dient u de bijlage bij deze brief in te vullen en ondertekend te retourneren uiterlijk op 20 december 2003. (…) Als u nog vragen of opmerkingen heeft, kunt u mij bellen. (...)”

De bijlage omvat het formulier ”Verklaring buitenlandse bankrekeningen” waarin belanghebbende gevraagd wordt om - onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen - aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest.

3.12. Bij brief van 22 december 2003 heeft de Inspecteur belanghebbende het navolgende onder diens aandacht gebracht:

”(…) In deze brief stel ik u in kennis van mijn voornemen u navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting 1991/vermogensbelasting 1992, alle met een bestuurlijke boete. (…)

Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat u ten minste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland.

Rekening op naam van:

[Y]

Rekeningnummer:

[rekeningnummer 1]

Bank:

Kredietbank Luxemburg

Saldo per 31-01-1994:

Fl. 1.122.011,00 positief

Datum opening:

10-05-1990

De FIOD heeft deze gegevens over de rekeninghouder vergeleken met onder andere gegevens van de Belastingdienst welke gebaseerd zijn op het bevolkingsregister. Uit die analyse komt u naar voren als rekeninghouder. (…)

Vooralsnog ben ik voornemens thans de belastingaanslagen zoals hierboven genoemd op te leggen. Voor 1991/1992 heeft dit te maken met het verlopen van de termijnen om nog een

(navorderings)aanslag op te kunnen leggen. Voor de andere jaren zal ik nu nog geen aanslagen opleggen. (…)

Ik ben bij het vaststellen van de correctiebedragen uitgegaan van het saldo van de mij bekende buitenlandse rekening(en) op uw naam per eind januari 1994. (…)

Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. (…)

De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven. Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken. Ik merk het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Boetebesluit. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen. (…)

Ik wil hierbij nog opmerken dat in de situatie waarin u alsnog volledige medewerking wilt verlenen en bereid bent mij volledige openheid van zaken te geven voordat de aanslagen worden opgelegd, de boeten zullen worden vastgesteld op 50%. Deze boeten zijn ook toegepast bij andere belanghebbenden die, voorafgaand aan het opleggen van belastingaanslagen, volledig hebben meegewerkt. (...)”

3.13. Bij brief van 29 december 2003 deelt de Inspecteur van belanghebbende mee:

”(...) Op 22 december 2003 heb ik u schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had aan u navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting met vergrijpboeten op te leggen over de jaren 1991 en 1992. Ik heb u daarbij in de gelegenheid gesteld om te reageren op mijn voornemen. U heeft niet op mijn brief gereageerd. Daarom ga ik ervan uit dat mijn constatering juist is en leg ik de aangekondigde navorderingsaanslagen en boeten op. Voor de gronden waarop ik de boeten baseer, verwijs ik u naar de eerder toegezonden kennisgeving. (…)

Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. (…)

De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven. Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken. Ik merk het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Boetebesluit. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen. (…)”

3.14. Bij brief van 30 december 2003 deelt de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur mee:

”(...) Van cliënt ontving ik bovenvermelde aan hem uitgereikte navorderingsaanslagen en de daarin begrepen boete. In uw schrijven d.d. 29 december 2003 geeft u aan hoe te handelen ten aanzien van het in te dienen bezwaarschrift. Op grond van het bovenstaande maak ik thans, namens cliënt, pro-forma bezwaar tegen bovenvermelde navorderingsaanslagen en de daarin begrepen boete. Op het moment dat u mij aangeeft of u voornemens bent binnen zes weken na indiening van het gemotiveerde bezwaarschrift uitspraak te doen, verzoek ik u mij dit tijdig te berichten. Na ontvangst van uw bericht zal ik binnen twee weken de gronden van het bezwaar aan u doen toekomen. Voorts verzoek ik u alle correspondentie in deze zaak te zenden aan mijn kantooradres. Tevens verzoek ik u cliënt uitstel van betaling te verlenen tot op het gemotiveerde bezwaarschrift is beslist. Daarnaast verzoek ik u cliënt een vergoeding toe te kennen voor de kosten die hij redelijkerwijs voor het bezwaarschrift heeft moeten maken. (…)”

3.15. Bij brief van 3 juni 2004 deelt de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende mee:

”(...) Ik heb van u namens uw cliënt [X], [adres] bezwaarschriften ontvangen gericht tegen (navorderings)aanslagen die voortkomen uit het zogenoemde Rekeningenproject. Die (navorderings)aanslagen zijn opgelegd omdat uw cliënt volgens mij beschikt(e) over tegoeden in het buitenland. Uw cliënt stelt zich op het standpunt niet over een dergelijk tegoed te hebben beschikt zodat verder geen informatie kan worden verstrekt. Het Gerechtshof Amsterdam (2 maart 2004, voorzieningenrechter, kenmerk: 04/00393) heeft inmiddels als volgt geoordeeld:

’De inspecteur heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij aanleiding had om verzoeker vragen te stellen over mogelijke tegoeden bij een buitenlandse bank. Nu verzoeker niet inhoudelijk op die vragen heeft gereageerd, handelt de inspecteur niet willekeurig of onredelijk door bij het opleggen van (navorderings)aanslagen uit te gaan van geschatte bedragen aan verzwegen inkomsten en die geschatte bedragen te berekenen op de wijze als kort uiteengezet onder 3.3. hierboven.’

De rechter geeft hiermee aan dat de gegevens die de inspecteur in zijn bezit heeft (o.a. de identificatie) recht en reden geven om aan de bewuste belastingplichtigen vragen te stellen over de buitenlandse bankrekeningen. Ik ben voornemens om de bezwaarschriften af te handelen. De bezwaarschriften zijn echter tot op heden niet gemotiveerd. Ik verzoek u daarom de bezwaarschriften alsnog te motiveren binnen drie weken na dagtekening van deze brief.

Alvorens de bezwaarschriften af te handelen stel ik u, in uw hoedanigheid als gemachtigde ex artikel 41 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), en uw cliënt hierbij voor de laatste keer in de gelegenheid om mij alsnog de door mij gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Ik verzoek u daartoe binnen drie weken na dagtekening van deze brief de in de bijlage bij deze brief opgenomen vragen te beantwoorden cq de gevraagde gegevens te verstrekken. Indien uw cliënt nu alsnog volledig voldoet aan zijn/haar informatieplicht wordt hij/zij in de gelegenheid gesteld ervoor te kiezen dat de bezwaarschriften worden aangehouden in afwachting van de afronding van de beroepsprocedure die op basis van een protocol wordt gevoerd door Nauta Dutilh en de Belastingdienst. Door nu alsnog mee te werken door te voldoen aan de informatieverplichting bewerkstelligt uw cliënt tevens dat de opgelegde vergrijpboeten van 100% worden gematigd en worden vastgesteld op 75%. Voor het geval uw cliënt overweegt wederom niet te voldoen aan de informatieverplichting wijs ik u en uw cliënt er weer op dat hij/zij op grond van artikel 47, lid 1, letter a AWR verplicht is de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien uw cliënt niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. Door het niet voldoen aan de informatieplicht voorafgaande aan het opleggen van de (navorderings)aanslagen geldt voor uw cliënt in de bezwaarfase reeds de omkering van de bewijslast. Hij/zij moet in de bezwaarfase en in een latere beroepsprocedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. Indien uw cliënt wederom niet voldoet aan de informatieverplichting zal ik overgaan tot het afhandelen van zijn/haar bezwaarschriften. Uitgaande van de mij nu beschikbare gegevens zullen de (navorderings)aanslagen en de opgelegde boeten worden gehandhaafd. Het verleende uitstel van betaling vervalt van rechtswege. Indien uw cliënt in beroep gaat bij het Gerechtshof en weer uitstel van betaling vraagt kan de ontvanger zekerheid vragen. Voorafgaand aan het doen van uitspraak op het bezwaarschrift/de bezwaarschriften worden u en uw cliënt nog in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Ik verzoek u en uw cliënt de gevraagde gegevens en inlichtingen in te vullen op de bijlage bij deze brief, de bijlage vervolgens te ondertekenen en te retourneren binnen drie weken na dagtekening van deze brief. U kunt daarbij gebruik maken van de bijgevoegde portvrije retourenvelop. Gezien de aard van de gevraagde gegevens en inlichtingen en het feit dat deze brief een herhaling van eerdere verzoeken betreft zal géén uitstel worden verleend voor het aanleveren van de gegevens. Ik wijs u op de reeds verstreken tijd sinds mijn eerste verzoek om informatie en gegevens. (…)”

De bijlage omvat het formulier ”Verklaring buitenlandse bankrekeningen” met elf vragen genummerd 1 tot en met 11 en het verzoek bepaalde bescheiden te verstrekken.

3.16. Tot de gedingstukken behoren twee afdrukken van microfiches, onder meer vermeldend de naamcombinatie ”[Y]”, de rekeningcoderingen ”53-[rekeningnummer 1]-50-0000 00 1001 ter ldo” en ”52-[rekeningnummer 1]-23-0000 00 1001 vue”, met de van de valutacode ”001” (Belgische frank) voorziene cijfercoderingen corresponderende saldi per 31 januari 1994 van respectievelijk ƒ 20.662.137 en -/- ƒ 3.861.

Omschrijving geschil en standpunten en conclusies van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende voor het jaar 1991 kan worden betrokken in de heffing van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen ter zake van rente-inkomsten uit bij KBL aangehouden tegoeden en voor het jaar 1992 kan worden betrokken in de heffing van de vermogensbelasting ter zake van die tegoeden, alsmede of terecht verhogingen zijn opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij de standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake de heffingsrente.

4.4. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar, behoudens vermindering van de verhogingen in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling van het beroep

Identificatie

5.1. Belanghebbende heeft gesteld dat hij niet degene is die is verbonden aan de rekening die is vermeld op de onder 3.16 bedoelde afdrukken van microfiches. Voorts heeft hij erop gewezen dat met betrekking tot de identificatie een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van ambtshandelingen ontbreekt.

5.2. Met al hetgeen de Inspecteur heeft gesteld en aan stukken heeft ingebracht heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, dat belanghebbende over de KBL-rekening [rekeningnummer 1] heeft beschikt. De gegevens van de microfiches, ook in het licht van hetgeen de Inspecteur overigens omtrent de identificatie heeft verklaard en toegelicht, zijn te summier om te komen tot een zorgvuldig te kenschetsen identificatie. De twijfel aan de juistheid van de identificatie wordt versterkt doordat niet is uitgesloten dat KBL-rekening [rekeningnummer 1] ten name van ”[Y]” is verbonden aan de vennootschap. Mitsdien is geen sprake van adequate identificatie.

Slot

5.3. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. De overige stellingen van belanghebbende behoeven geen behandeling. Bijgevolg moet worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.932 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (2 punten à € 322 x 2 (gewicht van de zaak) en in bezwaar (2 punten à € 161 x 2 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient het griffierecht aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de kwijtscheldingsbesluiten;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen;

  • -

    vernietigt de beschikkingen heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.932; en

  • -

    gelast de Inspecteur het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier dra. M.A. van der Valk. De beslissing is op 3 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • -

    de naam en het adres van de indiener;

  • -

    de dagtekening;

  • -

    de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  • -

    de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.