Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:5718

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2012
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
200.045.600-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aandelen-lease, minderjarigheid, vernietiging overeenkomst, verjaring rechtsvordering tot vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Zaaknummer : 200.045.600/01

Zaak/rolnummer rechtbank: 801073 \ RL EXPL 08-26746

arrest d.d. 23 oktober 2012

inzake

VARDE INVESTMENTS (IRELAND) LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

appellante,

hierna te noemen: Varde,

advocaat: mr. G.J. Schras te Spijkenisse,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk.

Het geding

Bij exploit van 28 juli 2009 is Varde in beroep gekomen van het tussen haar en [geïntimeerde] gewezen vonnis van de Rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage, van 20 mei 2009. Bij memorie van grieven heeft Varde tegen het vonnis drie grieven geformuleerd. Deze grieven zijn door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord bestreden. Hierna is schriftelijk in twee rondes gepleit. Daarbij zijn door Varde in eerste termijn en door [geïntimeerde] in tweede termijn producties overgelegd. Vervolgens hebben partijen onder overlegging van de stukken arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Tegen de feitenvaststelling door de rechtbank zijn geen grieven gericht. Het hof gaat dan ook van die feiten uit.

1.1

Het gaat om een zogenaamde “Dexia-zaak”. [geïntimeerde] heeft met (een van) de rechtsvoorgangsters van Dexia in november 2000 een aandelenleaseovereenkomst van het type “Winstver10dubbelaar” gesloten. [geïntimeerde] is geboren op 3 december 1985 en in verband met zijn minderjarigheid is de overeenkomst mede ondertekend door zijn vader.

1.2

De overeenkomst hield, kort gezegd, in dat Dexia een pakket aandelen kocht ten behoeve van [geïntimeerde], dat [geïntimeerde] gedurende de looptijd van de overeenkomst de verschuldigde rente zou voldoen en bij het einde van de looptijd de hoofdsom zou worden terugbetaald met de opbrengst uit de verkoop van de aandelen.

1.3

Omdat bij het einde van de looptijd de opbrengst van de aandelen minder was dan de verschuldigde hoofdsom, ontstond een schuld van [geïntimeerde] aan Dexia van € 3.416,26 per 24 februari 2006, welk bedrag door [geïntimeerde] niet is voldaan.

1.4

Bij brief van 25 augustus 2005 heeft [geïntimeerde] de overeenkomst vernietigd wegens handelingsonbekaamheid van zichzelf (artikel 3:32 BW) en het ontbreken van voor de toestemming van zijn vader vereiste machtiging van de kantonrechter (artikel 1:347 BW).

1.5

Bij beschikking van 25 januari 2007 (hierna: de WCAM-beschikking) heeft het Gerechtshof Amsterdam de tussen Dexia enerzijds en een aantal belangenorganisaties anderzijds gesloten vaststellingsovereenkomst d.d. 8 mei 2006 (hierna: de WCAM-overeenkomst) algemeen verbindend verklaard.

1.6

De WCAM-overeenkomst bepaalt in artikel 2, voor zover van belang:

2.1

De Gerechtigden zijn alle personen die met Dexia een effectenlease-overeenkomst zijn aangegaan, met uitzondering van de in artikel 2.2 en 2.3 bedoelde personen.

2.2

Een persoon is geen Gerechtigde met betrekking tot een effectenlease-overeenkomst:

(...)

(b) die werd gesloten toen de Contractant minderjarig was (...), tenzij met betrekking tot die overeenkomst geen tijdig rechtsgeldig beroep op vernietiging is gedaan of de Contractant, dan wel zijn ouders of andere wettelijke vertegenwoordiger(s), de overeenkomst rechtsgeldig hebben bekrachtigd;

(...)

1.8

Dexia heeft haar vorderingen uit deze overeenkomst gecedeerd aan Varde.

2.

De vordering van Varde is gegrond op de WCAM-overeenkomst en houdt in dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van € 3.060,37, vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.512,84 vanaf 10 januari 2008. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering afgewezen en Varde in de kosten veroordeeld.

3.

Varde vordert in hoger beroep dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat haar vordering alsnog wordt toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

4.

[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het vonnis met veroordeling van Varde in de kosten van het hoger beroep.

5.

De beide eerste grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd en lenen zich voor gezamenlijk behandeling.

6.

Tussen partijen staat vast dat indien [geïntimeerde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd, hij valt onder de categorie van artikel 2 aanhef en onder b van de WCAM-overeenkomst en dat in dat geval de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst voor hem geen gevolgen heeft.

7.

Op grond van artikel 1:345 jo 1: 253k BW behoeft de ouder machtiging van de kantonrechter om voor rekening van de minderjarige geld te lenen. De onderhavige overeenkomst is anders dan door Varde is aangevoerd (mede) aan te merken als een overeenkomst van geldlening. Door de koop van de aandelen door Dexia ontstond immers een schuld die door [geïntimeerde] diende te worden afbetaald. Hoewel het dus gaat om een type overeenkomst dat valt onder het bereik van artikel 1:345 BW, is deze bepaling niet rechtstreeks van toepassing, omdat het in dit geval niet gaat om een door de vader van [geïntimeerde] voor zijn zoon gesloten overeenkomst, maar een door [geïntimeerde] zelf gesloten overeenkomst. De vraag of deze overeenkomst rechtsgeldig is gesloten en vernietigbaar is, dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 1:234 lid 1 BW.

8.

Dit artikel bepaalt dat een minderjarige, mits hij de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger heeft, bekwaam is rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.

In geschil is of de vader van [geïntimeerde], die voor het aangaan van de overeenkomst toestemming heeft gegeven, voor deze toestemming machtiging nodig had van de kantonrechter.

9.

Artikel 1:234 BW had voor de wetswijziging van 1996 tot uitgangspunt dat de minderjarige handelingsonbekwaam was (lid 1). Tot dat moment luidde het tweede lid van het artikel als volgt:

Een minderjarige die met oordeel des onderscheids handelt, is bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger, voor zover deze bevoegd is die rechtshandelingen voor de minderjarige te verrichten.

Bij de wetswijziging zijn de beide eerste leden samengevoegd en is in het nieuwe eerste lid bepaald dat de minderjarige handelsbekwaam is, mits hij toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger heeft, waarbij de zinsnede “voor zover deze bevoegd is die rechtshandelingen voor de minderjarige te verrichten” is komen te vervallen.

10.

Anders dan door Varde is aangevoerd, ontbreekt in de wetsgeschiedenis elk aanknopingspunt om aan te nemen dat de wetgever met het schrappen van bedoelde zinsnede heeft bedoeld de rechtsbescherming van de minderjarige te beknotten. De passages waar Varde een beroep op doet, zien op het nieuwe derde lid, dat bepaalt, kort gezegd, dat toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger wordt verondersteld als het gaat om rechtshandelingen die gebruikelijk door minderjarigen worden verricht, welke bepaling tot veel vragen in de kamer heeft geleid. Nu de wetgever zwijgt over de reden voor het schrappen van de hiervoor genoemde passage en het weinig aannemelijk is dat de wetgever heeft beoogd om ten aanzien van overeenkomsten als bedoeld in artikel 1:345 BW de rechtsbescherming in de vorm van controle door de kantonrechter afhankelijk te maken van de wijze waarop de overeenkomst is gesloten, te weten door of voor de minderjarige, is er aanleiding voor de uitleg van artikel 1:234 lid 1 BW aan te sluiten bij hetgeen in de literatuur algemeen is aanvaard, namelijk dat, kort gezegd, dit artikellid dient te worden gelezen alsof de genoemde passage er nog in staat.

11.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de vader van [geïntimeerde] machtiging van de kantonrechter behoefde voor het geven van toestemming aan de door [geïntimeerde] met Dexia gesloten overeenkomst en dat, nu deze toestemming ontbreekt, [geïntimeerde] niet bekwaam was de overeenkomst aan te gaan.

12.

Bij brief van 25 augustus 2005 is op de onbekwaamheid van [geïntimeerde] een beroep gedaan en is de overeenkomst vernietigd. Door Varde is aangevoerd dat hiermee de overeenkomst niet rechtsgeldig is vernietigd, omdat het recht om zich op vernietiging te beroep toen al verjaard was. [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd bestreden.

Op grond van het bepaalde in artikel 3:52 lid 1onder a BW verjaart een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling in geval van onbekwaamheid drie jaar nadat de onbekwaamheid is geëindigd of, indien de onbekwame een wettelijke vertegenwoordiger heeft, drie jaar nadat de handeling ter kennis van de wettelijke vertegenwoordiger is gekomen. De verjaring vindt plaats als een van deze termijnen is verstreken.

Volgens Varde is de vader van [geïntimeerde] op het moment van sluiten van de overeenkomst op de hoogte geraakt van de rechtshandeling en is toen de verjaringstermijn aangevangen. Dit standpunt faalt. Aanvaarding ervan zou immers betekenen dat de effectuering van de met de wettelijke regeling beoogde bescherming van de minderjarige afhankelijk zou zijn van optreden van degene die nu juist in strijd met die beschermingsregels heeft gehandeld. Dat de wetgever dit niet wenselijk acht, volgt uit de wetsgeschiedenis inzake artikel 3:52 lid 1 onder d BW, volgens welke bepaling de verjaring van de vordering tot vernietiging op grond van artikel 1:347 BW (het ontbreken van toestemming van de kantonrechter) een aanvang neemt op het moment dat de bevoegdheid tot vernietiging aan de minderjarige ten dienste staat. Volgens de wetgever is dit laatste het geval wanneer de minderjarige meerderjarig is geworden en op de hoogte is geraakt van het ontbreken van toestemming van de kantonrechter of op het moment dat de nieuwe wettelijke vertegenwoordiger hiervan wist. (Parlementaire Geschiedenis, blz. 235-236).

Op grond van het bovenstaande wordt derhalve geoordeeld dat de verjaringstermijn van drie jaar in ieder geval niet voor 3 december 2003, de dag waarop [geïntimeerde] meerderjarig is geworden, is gaan lopen. De vernietiging van 25 augustus 2005 was dus tijdig.

Hetgeen Varde verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

13.

Het hof passeert het bewijsaanbod van Varde als niet ter zake doende, althans onvoldoende gespecificeerd.

14.

De conclusie is dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd en daar terecht het oordeel aan heeft verbonden dat [geïntimeerde] niet gebonden is aan de WCAM-overeenkomst.

Nu de beide eerste grieven falen en de derde grief zelfstandig belang mist, zal het vonnis van de rechtbank worden bekrachtigd met veroordeling van Varde in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof

- bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie

‘s- Gravenhage van 20 mei 2009;

- veroordeelt Varde in de kosten van het hoger beroep tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 262,-- aan vast recht en € 1.896,-- (tarief I, 3 punten) aan salaris voor zijn advocaat;

- verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Rijperman, J.H.W de Planque en A.M. Voorwinden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2012 in aanwezigheid van de griffier.