Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:5300

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
10-02-2014
Zaaknummer
BK 11-00897
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Art. 26a Awr. Woning in nabijheid van zendmast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0386

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00897

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer d.d. 19 december 2012

in het geding van:

[X] te [Z], hierna ook: belanghebbende,

tegen

de directeur Gemeentebelastingen Rotterdam, de Inspecteur.

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2011, nummer AWB 11/898 WOZ-T2, op het beroep tegen twee uitspraken van de Inspecteur betreffende de beschikking waarbij voor het kalenderjaar 2010 de waarde van de onroerende zaak [adres] (hierna: de woning) is vastgesteld op € 579.000 per waardepeildatum 1 januari 2009, onderscheidenlijk de op die waarde gebaseerde aanslag in de onroerendezaakbelasting voor het jaar 2010.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 5 december 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Partijen zijn verschenen.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

en – doende wat de rechtbank had behoren te doen :

- verklaart het beroep van [X] tegen de uitspraken van de Inspecteur ongegrond.

Gronden

De tijdigheid van het hoger beroep

1.

De uitspraak van de rechtbank is in afschrift aan partijen verzonden op 17 oktober 2011. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde derhalve met maandag 28 november 2011. Het hogerberoepschrift is op donderdag 1 december 2011, dat wil zeggen binnen een week na afloop van de termijn, ter griffie van het Hof ingekomen. De envelop waarin het hogerberoepschrift was verzonden heeft een poststempel met datum 29 november 2011. Het hogerberoepschrift is gedateerd 25 november 2011. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat het hogerberoepschrift op vrijdag 25 november 2011, althans niet later dan zondag 27 november 2011 ter post is bezorgd. De Inspecteur heeft verklaard geloof te hechten aan die verklaring en zijn in het verweerschrift ingenomen standpunt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, in te trekken. Op grond van het vorenstaande komt het Hof tot het oordeel dat het hogerberoepschrift tijdig is ingediend.

Ambtshalve

2.

De Inspecteur heeft bij voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2010 de waarde van de woning vastgesteld op € 579.000 per waardepeildatum 1 januari 2009. Tevens heeft de Inspecteur voor het jaar 2010 een aanslag in de onroerendezaakbelasting van de gemeente Rotterdam opgelegd. De voornoemde beschikking en aanslag zijn vermeld in één geschrift (het aanslagbiljet) dat is geadresseerd aan [X].

3.

[X] heeft schriftelijk bij de Inspecteur bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde. Vervolgens heeft de Inspecteur, bij twee in een geschrift, gedagtekend 13 januari 2011, vervatte uitspraken op bezwaar, de beschikking en de aanslag gehandhaafd. Het geschrift is geadresseerd aan [X].

4.

Op 23 februari 2011 heeft de rechtbank van [X] en [Y] een beroepschrift ontvangen. Het is gericht tegen de voornoemde uitspraken van de Inspecteur en niet alleen ondertekend door [X], maar ook door [Y] als mede-indienster. Zij wonen beiden in de woning.

5.

In het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht is het voor een derde niet mogelijk een rechtsmiddel aan te wenden tegen een beschikking of een aanslag die niet uitdrukkelijk op zijn naam is gesteld. Evenmin kan een derde zich, in een geval als het onderhavige, als (belanghebbende) partij voegen in een geding van een ander. Het Hof verwijst naar hoofdstuk V, meer in het bijzonder artikel 26a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

6.

De rechtbank heeft het beroepschrift kennelijk opgevat als een beroep van [X] en de mede-indienster gezamenlijk en beiden als belanghebbende aangemerkt. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de rechtbank het beroep alsdan had moeten splitsen in een beroep van [X] en een beroep van de mede-indienster.

7.

De uitspraak van de rechtbank is te naam gesteld van [X] en [Y]. Het daartegen gerichte hogerberoepschrift is door beiden ondertekend. Het hoger beroep van beiden is in beginsel ontvankelijk, omdat de uitspraak van de rechtbank aan beiden is gericht. Gelet op het eerder overwogene splitst het Hof de zaak thans alsnog in twee hoger beroepen. Het heeft daartoe een extra zaaknummer toegekend aan het hoger beroep van [Y] (kenmerk BK-12/00887) en het bestaande kenmerk BK-11/00879 toegewezen aan het hoger beroep van uitsluitend [X].

8.

Het hoger beroep moet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft verzuimd het beroep van belanghebbende als een apart beroep te beschouwen. Hij, en niet de mede-indienster, was immers in formele zin de belanghebbende bij de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur welke met het beroep werden bestreden, daar die uitspraken aan hem waren gericht. Dat hij en de mede-indienster beiden eigenaar zijn of in de woning wonen, betekent niet dat de mede-indienster in beroep als een belanghebbende kan worden beschouwd. Om proceseconomische redenen voorziet het Hof zelf in de zaak en wijst het de zaak niet terug naar de rechtbank.

9.

Hetgeen hiervoor is overwogen omtrent [Y] laat onverlet dat zij bevoegd is in bezwaar, in beroep of in hoger beroep op te treden als gevolmachtigde van [X]. Ter zitting in hoger beroep heeft zij in die hoedanigheid namens [X] het woord gevoerd. Wat zij heeft aangevoerd, wordt daarom geacht door belanghebbende te zijn aangevoerd.

De waarde van de woning

10.

Het standpunt van belanghebbende is – kort weergegeven  dat de waarde van de woning hoger is vastgesteld dan gelet op de vanuit de woning zichtbare C-2000-zendmast (hierna: de zendmast) gerechtvaardigd zou zijn. De zendmast is geplaatst op 9 juni 2009, is 55 meter hoog en bevindt zich op een afstand van 198 meter van de woning. De aanwezigheid van de zend mast vormt volgens belanghebbende een inbreuk op de leefomgeving van de woning, zowel visueel als wat betreft risico voor de (volks)gezondheid. In verband hiermee zou de waarde van de woning niet hoger moeten worden vastgesteld dan op € 405.300, aldus belanghebbende.

11.

De Inspecteur bestrijdt het standpunt van belanghebbende. Hij wijst er onder meer op dat belanghebbende de woning op 31 januari 2007 heeft gekocht voor € 561.000. De mast is geplaatst na de waardepeildatum, hetgeen betekent dat – indien die plaatsing al een waardedruk mee zou brengen – geen sprake is van een invloed waarmee bij de onderwerpelijke waardevaststelling rekening zou moeten worden gehouden. Volgens de Inspecteur bestaat overigens geen concrete aanwijzing dat de prijzen van woningen in de omgeving van de zendmast na de plaatsing onder druk zijn komen te staan.

12.

De Inspecteur heeft – tegenover de betwisting door belanghebbende – voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning op de waardepeildatum met € 579.000 niet te hoog is vastgesteld. Het taxatierapport is voldoende gemotiveerd en geeft voldoende inzicht in het waardeniveau van de woning van belanghebbende. Reeds omdat de zendmast op de waardepeildatum nog niet geplaatst was, is met de door belanghebbende daaraan toegeschreven invloed op de waarde van de woning – wat er zij van die invloed - bij de waardebepaling terecht geen rekening gehouden. Mitsdien dient de beschikking in stand te blijven. Ook de aanslag moet, nu de heffingsmaatstaf niet te hoog is en verder geen andere bezwaren tegen de aanslag zijn aangevoerd, in stand blijven.

13.

Het beroep slaagt niet. De uitspraken van de Inspecteur zijn juist, zodat het beroep bij de rechtbank ongegrond is.

14.

Het Hof heeft geen reden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 19 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog te verstrekken of aan te vullen. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.