Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:5211

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
14-08-2013
Zaaknummer
22-001289-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:703, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. De verdachte heeft [slachtoffer] in zijn eigen woning niet alleen van een telefoon en cocaïne beroofd maar hem daar ook nog het leven ontnomen.

Voorts rekent het hof het de verdachte aan dat hij een onschuldige derde als dader heeft aangewezen, waardoor deze geruime tijd ten onrechte gedetineerd is geweest.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001289-11

Parketnummer: 09-758977-09

Datum uitspraak: 21 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 maart 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortejaar] 1984,

[adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 25 oktober 2011, 13 november 2012 en 7 december 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de in beslag genomen voorwerpen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

primair:

hij op een tijdstip in de periode van 13 en/of 14 december 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/heben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans in het bovenlichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair:


hij op een tijdstip in de periode van 13 en/of 14 december 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans in het bovenlichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, wegnemen van 60 ponypacks cocaïne en/of geld en/of een mobiele telefoon (merk Samsung Touchscreen, zwart),in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair:


hij op een tijdstip in de periode van 13 en/of 14 december 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans in het bovenlichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

en/of

hij op een tijdstip in de periode van 13 en/of 14 december 2009 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 60 ponypacks cocaïne en/of geld en/of een mobiele telefoon (merk Samsung Touchscreen, zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans in het bovenlichaam steken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof is – evenals de rechtbank en anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat op grond van de voorhanden bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend te bewijzen is dat de verdachte naar de woning van [slachtoffer] is gegaan met het vooropgezette doel die [slachtoffer] van het leven te beroven. Evenmin is wettig en overtuigend te bewijzen dat de verdachte, toen hij eenmaal in de woning was, zich gedurende enige tijd heeft beraden dan wel heeft kunnen beraden op een door de verdachte genomen besluit om die [slachtoffer] van het leven te beroven.

Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat uit de enkele omstandigheid dat kort voor het toebrengen van de dodelijke steek een schermutseling tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Genoemde omstandigheid laat onverlet de mogelijkheid dat de verdachte gehandeld heeft in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Derhalve behoort de verdachte te worden vrijgesproken van de aan hem primair ten laste gelegde moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een tijdstip in de periode van 13 en/of 14 december 2009 te 's-Gravenhage, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, wegnemen van ponypacks cocaïne en een mobiele telefoon (merk Samsung Touchscreen, zwart), toebehorende aan die [slachtoffer], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu – kort samengevat - op grond van het gehele dossier voldoende gerede twijfel bestaat omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [slachtoffer], een en ander zoals nader verwoord in zijn overgelegde pleitaantekeningen.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof van het volgende uit en overweegt te dien aanzien als volgt.

[slachtoffer] is in zijn woning in Den Haag met een mes in zijn borst gestoken, als gevolg waarvan hij is overleden. Op 14 december 2009 is hij daar dood aangetroffen. Bij zijn lichaam is een mes gevonden, dat soortgelijk was aan de messen in de woning van de verdachte. Op eerder genoemd mes zijn vezels aangetroffen en ook bloedsporen afkomstig van [slachtoffer].

Op 13 december 2009 was de porseleinen schaal, die rechts naast de televisie in de woning van [slachtoffer] stond, onder andere gevuld met pakjes cocaïne. Op 14 december 2009 was deze schaal nagenoeg leeg en is deze aangetroffen op de salontafel.

De verdachte is op 13 december 2009 meerdere keren bij [slachtoffer] langsgegaan, heeft om cocaïne gevraagd en heeft op één van die momenten– in ruil voor zijn Samsung telefoon - cocaïne gekregen van [slachtoffer]. Toen de verdachte voor de derde keer langskwam is hem gezegd dat hij geen cocaïne meer kreeg, omdat hij eerst moest betalen.

De Samsung telefoon, die hij op enig moment nadien uit de woning van [slachtoffer] heeft meegenomen, is op 15 december 2009 aangetroffen in de woning van de verdachte, evenals bebloede sokken en een paar schoenen met bebloede schoenzolen. De kans dat het bloed op de aangetroffen sokken en schoenzolen afkomstig kan zijn van het [slachtoffer], is met een berekende frequentie DNA-profiel van kleiner dan één op één miljard.

Op het plateau van het portiek waaraan de woningen van het [slachtoffer] en de verdachte grenzen zijn bloedsporen aangetroffen die van de voordeur van perceel 250 (de woning van [slachtoffer]) naar de voordeur van perceel 246 (de woning van de verdachte) liepen. Op de opgaande traptreden van het portiek werden geen bloedsporen aangetroffen.

In de woning van de verdachte is op 2 februari 2010 tussen de lattenbodem en de matras van het bed in de woonkamer een gripzakje met daarin 39 opgevouwen ponypacks en een blauw boterhamzakje met een wit klontje aangetroffen. Zowel de ponypacks en het blauwe boterhammenzakje bevatten cocaïne.

Die ponypacks hadden als logo de afbeelding van een zeehond met een bal op zijn neus en de letters “SNOW” erboven, lichtblauw van kleur, soortgelijk aan lege ponypacks die zijn aangetroffen in de woning van [slachtoffer].

Met betrekking tot het in de woning van [slachtoffer] aangetroffen mes en het door de verdediging bepleitte alternatieve scenario overweegt het hof het volgende.

Uit het vezel- en textielonderzoek dat is verricht door het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 1 juni 2010 blijkt dat twee vezelsporen die zijn veiliggesteld vanaf het mes microscopisch overeenkomen met referentievezels uit de grijze trui. Naast deze twee microscopisch overeenkomende vezels bleken verschillende vezelsporen veiliggesteld vanaf het mes zeer veel te lijken op vezels uit het T-shirt en uit de grijze trui van slachtoffer [slachtoffer].

Ten aanzien van de posities van de beschadigingen in de grijze trui en het zwarte T-shirt stelt het NFI vast dat twee van de beschadigingen in het zwarte T-shirt overlappen met de posities van de beschadigingen in het achterpand van de grijze trui. Het T-shirt en de trui zijn mogelijk door dezelfde steekbewegingen beschadigd.

Het hof is van oordeel dat op basis van het hiervoor genoemd onderzoek van het NFI wettig en overtuigend bewezen is dat het aangetroffen en onderzochte mes is gebruikt om door twee soorten textiel heen te gaan. De vezelsporen komen overeen met vezelsporen van de kleding die het [slachtoffer] ten tijde van zijn overlijden droeg.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat deze sporen door eerder gebruik van het mes daarop terecht zijn gekomen.

Nu het mes bovendien soortgelijk is aan de messen die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen, er in de woning van [slachtoffer] geen soortgelijk messen zijn aangetroffen en er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat dit mes zich reeds in de woning van [slachtoffer] bevond voordat de verdachte naar die woning toe ging, is het hof van oordeel dat de verdachte in de avond van 13 op 14 december 2009 met bedoeld mes naar de woning van [slachtoffer] is gegaan en hem daar met dat mes heeft gestoken en van het leven heeft beroofd.

Na zijn aanhouding heeft de verdachte bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg uiteenlopende verklaringen afgelegd. Zijn eerste lezing hield in dat [medeverdachte] [slachtoffer] in diens woning in aanwezigheid van de verdachte heeft doodgestoken.

Ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij op dat punt heeft gelogen. [slachtoffer] zou volgens de verdachte door één of twee onbekende anderen zijn gedood en hij heeft [slachtoffer] dood aangetroffen in diens woning.

De ponypacks die in zijn woning zijn gevonden heeft hij gekocht van [betrokkene], met wie [slachtoffer] samen handelde in cocaïne.

De lezing van de verdachte, dat niet hij, maar een ander of anderen [slachtoffer] van het leven zou hebben beroofd en dat hij de in zijn woning aangetroffen ponypacks gekocht zou hebben van [betrokkene], is naar het oordeel van het hof op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

In overweging XII heeft de rechtbank in haar vonnis uitvoerig en naar het oordeel van het hof overtuigend gemotiveerd aangegeven waarom beide lezingen van de verdachte ongeloofwaardig zijn.

De gang van zaken die de verdachte ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft geschetst wordt niet ondersteund door enig wettig bewijsmiddel, is niet te verifiëren en staat op gespannen voet met door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde het begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag, voorafgegaan, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. De verdachte heeft [slachtoffer] in zijn eigen woning niet alleen van een telefoon en cocaïne beroofd maar hem daar ook nog het leven ontnomen en daarmee het kostbaarste dat een mens bezit.

Dit is een buitengewoon ernstig feit, waarmee aan de nabestaanden – aan de ouders en de tweelingbroer van het slachtoffer in het bijzonder – een onherstelbaar verlies en veel leed is toegebracht. Dit blijkt uit de grote opkomst van nabestaanden en vrienden van het slachtoffer, zowel ter zitting in eerste aanleg als ter zitting in hoger beroep, alsmede uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaringen.

Voorts rekent het hof het de verdachte aan dat hij een onschuldige derde als dader heeft aangewezen, waardoor deze geruime tijd ten onrechte gedetineerd is geweest.

Voorts neemt het hof de verdachte kwalijk dat hij tot op heden geen openheid van zaken heeft gegeven over wat er zich die nacht in de woning van het slachtoffer heeft afgespeeld. Hierdoor blijven de nabestaanden gissen naar de exacte toedracht van het overlijden van het slachtoffer. Zij blijven in onzekerheid over de vraag wat er precies in de laatste minuten van het leven met hun dierbare is gebeurd.

De verdachte heeft met zijn daad de rechtsorde een grote schok toegebracht.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft geconstateerd dat er sprake is een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, nu de behandeling in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen 16 maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel. Het hof overweegt dienaangaande dat deze overschrijding voornamelijk het gevolg is geweest van het honoreren van verzoeken van de verdediging en ziet derhalve geen reden hieraan gevolgen te verbinden.

Het hof is – evenals de advocaat-generaal – van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf, rekening houden met straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken, te hoog en daarmee niet passend is.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Het hof zal de op de beslaglijst onder 2, 3, 5 en 6 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn op de voet van artikel 13a van de Opiumwet voor onttrekking aan het verkeer vatbaar.

Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten ten aanzien van de op de beslaglijst onder 8, 9 en 10 genummerde voorwerpen.

Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 en 7 genummerde voorwerpen.

Ten aanzien van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is onder nummer 4 op de beslaglijst, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu het voorwerp verkregen is uit het strafbare feit en niet is kunnen worden vastgesteld aan wie het thans toebehoort.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de onder 2, 3, 5, en 6 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de onder 1 en 7 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van het onder 8, 9 en 10 op de kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp.

Verklaart verbeurd het onder 4 op de kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. G. Knobbout en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 december 2012.