Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:5208

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
14-08-2013
Zaaknummer
22-003532-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van enkele uren schuldig gemaakt aan een drietal gewelddadige straatroven. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een diefstal. Het Hof acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Het Hof is van oordeel dat de recidive kans groot en de verdachte zwakbegaafd is.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1592 (duizend vijfhonderdtweeënnegentig) dagen. Daarnaast gelast het Hof dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld onder bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003532-10

Parketnummer: 09-757269-10

Datum uitspraak: 28 december 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1984,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

15 november 2010, 7 februari 2011, 18 april 2011, 20 juni 2011, 31 oktober 2011, 29 november 2012 en 17 december 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-[benadeelde partij 1] en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 14 februari 2010 te 's-Gravenhage op de openbare weg, de Houtrustweg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (merk Gazelle) met fietstassen en/of een tas (die in de fietstassen zat) met inhoud (onder andere een dameshorloge en/of een mobiele telefoon, merk Nokia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

  • -

    duwen van die [benadeelde partij 1] terwijl zij op de fiets zat, waardoor en/of waarna zij van haar fiets viel en op de grond terecht kwam en/of

  • -

    nadat die [benadeelde partij 1] was opgestaan, haar bij de arm pakken en/of

  • -

    vervolgens met de vuist met kracht op/tegen de schouder, althans het lichaam stompen/slaan, waardoor en/of waarna die [benadeelde partij 1] (wederom) op de grond viel en/of

  • -

    die [benadeelde partij 1] de woorden toegevoegen: "Pas op, of ik schiet je door je kop", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;


2:

hij op of omstreeks 14 februari 2010 te 's-Gravenhage op de openbare weg, de Reinkenstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een handtas met inhoud (onder andere een envelop), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het met kracht slaan op/tegen het gezicht van die [benadeelde partij 2] (waardoor en/of waarna zij met haar hoofd op het trottoir viel en/of zij korte tijd buiten bewustzijn is geweest);

3:

hij op of omstreeks 14 februari 2010 te 's-Gravenhage, op de openbare weg, de Laan van Meerdervoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (merk Ranger Opoe) en/of een handtas met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

  • -

    slaan op/tegen het hoofd en/of de nek (waardoor die [benadeelde partij 3] van haar fiets viel) en/of

  • -

    vervolgens) meermalen met kracht stompen tegen/in het gezicht en/of hoofd en/of

  • -

    trekken aan die fiets;

4

primair:

hij op of omstreeks 9 februari 2010 te 's-Gravenhage op de openbare weg, de Laan van Meerdervoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (merk Batavus) met fietstassen en/of een tas (die in die fietstassen zat) met inhoud (onder andere een portemonnee en/of een mobiele telefoon, merk Samsung), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het stompen/slaan tegen het gezicht (waardoor en/of waarna die [benadeelde partij 4] van haar fiets viel);

4

subsidiair:

hij op of omstreeks 14 februari 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk een NS-kaart op naam van [benadeelde partij 4], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5

primair:

hij op of omstreeks 14 februari 2010 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Nokia) en/of een portemonnee met inhoud (onder andere een bankpas), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5

subsidiair:

hij op of omstreeks 14 februari 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk een mobiele telefoon, merk Nokia en/of een ING-bankpas op naam van [benadeelde partij 5], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat de verdachte van het onder 4 primair ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken, nu onvoldoende wettig bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Voorts kan naar het oordeel van het hof het onder 4 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden, nu niet is komen vast te staan dat de verdachte, gelet op de door hem afgelegde verklaring, zich de NS-kaart wederrechtelijk had toegeëigend.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:


hij op 14 februari 2010 te 's-Gravenhage op de openbare weg, de Houtrustweg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk Gazelle) met fietstassen en een tas (die in de fietstassen zat) met inhoud (onder andere een dameshorloge en een mobiele telefoon, merk Nokia), toebehorende aan [benadeelde partij 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het:

  • -

    duwen van die [benadeelde partij 1] terwijl zij op de fiets zat, waardoor en waarna zij van haar fiets viel en op de grond terecht kwam en

  • -

    nadat die [benadeelde partij 1] was opgestaan, haar bij de arm pakken en

  • -

    vervolgens met de vuist met kracht tegen de schouder slaan, waardoor en waarna die [benadeelde partij 1] (wederom) op de grond viel en

  • -

    die [benadeelde partij 1] de woorden toevoegen: "Pas op, of ik schiet je door je kop";

2:

hij op 14 februari 2010 te 's-Gravenhage op de openbare weg, de Reinkenstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas met inhoud (onder andere een envelop), toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het met kracht slaan op het gezicht van die [benadeelde partij 2] (waardoor en waarna zij met haar hoofd op het trottoir viel en zij korte tijd buiten bewustzijn is geweest);

3:

hij op 14 februari 2010 te 's-Gravenhage, op de openbare weg, de Laan van Meerdervoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk Ranger Opoe) en een handtas met inhoud, toebehorende aan [benadeelde partij 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde partij 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het

  • -

    slaan op/tegen het hoofd en/of de nek (waardoor die [benadeelde partij 3] van haar fiets viel) en

  • -

    vervolgens) meermalen met kracht stompen tegen/in het gezicht en hoofd en

  • -

    trekken aan die fiets;

5

primair:
hij op 14 februari 2010 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Nokia) en een portemonnee met inhoud (onder andere een bankpas), toebehorende aan [benadeelde partij 5].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:


Diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de tot de gedingstukken behorende rapportages van gedragskundig onderzoek:

  • -

    Pro Justitia rapport d.d. 27 mei 2011, opgesteld en ondertekend door P.K.J. Ronhaar, psychiater, en M.M.F. van Casteren, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum;

  • -

    het commentaar op dit rapport, gegeven bij brief van 10 oktober 2011 door drs. J.M. Oudejans, psycholoog;

  • -

    Pro Justitia rapport d.d. 19 maart 2012, opgesteld en ondertekend door K. Foeken, psychiater;

  • -

    Pro Justitia rapport d.d. 6 april 2012, opgesteld en ondertekend door M. ten Berge, GZ-psycholoog,

alsmede op de verklaringen die de deskundigen Ronhaar, van Casteren, Oudejans en Ingenhoven ter terechtzitting in hoger beroep hebben afgelegd.

Het hof neemt over het door de deskundigen Ronhaar, van Casteren, Foeken en ten Berge gedeelde oordeel, dat bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van zwakbegaafdheid en van verslavingsproblematiek (alcohol en cannabis).

Het hof komt voorts, met in achtneming van de beschouwingen en de conclusies van alle deskundigen, tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.



Nu van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen sprake is en ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die tot een andersluidend oordeel aanleiding zou kunnen geven, is de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten strafbaar te achten.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-genereaal gevorderd dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden zal worden opgelegd, zoals geformuleerd in het rapport van de Reclasseringsinstelling Palier d.d. 21 november 2012. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Motivering op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van enkele uren schuldig gemaakt aan een drietal gewelddadige straatroven. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een diefstal.

Aldus handelend heeft de verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, waarbij hij geen rekening heeft gehouden met de voorzienbare psychische gevolgen die zijn handelwijze voor hen zou hebben. Evenmin heeft hij zich bekommerd om de risico’s op (zeer) ernstig letsel die het door hem toegepaste geweld steeds in zich droeg. Dergelijke feiten brengen bovendien gevoelens van angst en onveiligheid teweeg in de samenleving als geheel.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder (onder meer) onherroepelijk tot vrijheidsstraffen van aanzienlijke duur is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft geconstateerd dat er sprake is een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, nu de behandeling in hoger beroep niet met een einduitspraak is afgerond binnen 16 maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel. Het hof overweegt dienaangaande dat deze overschrijding mede het gevolg is geweest van de proceshouding van de verdachte, die eerst in de loop van de appelfase blijk gaf van bereidheid tot medewerking aan een observatieplaatsing en een nadere verklaring over het tenlastegelegde heeft afgelegd, en vervolgens vergeefs heeft beproefd zijn appel in te trekken, alsmede van het honoreren van het verzoek van de verdediging, tot een ambulant onderzoek naar verdachtes geestvermogens bij wijze van contra-expertise bij het PBC-rapport en van de nadere vertraging die samen hing met feitelijk onderzoek op Curacao en met de voor de verdachte gunstige consequenties van de van het PBC-rapport afwijkende conclusies uit de contra-expertise. Het hof ziet derhalve geen reden hieraan gevolgen te verbinden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat naast de op te leggen maatregel zoals hierna overwogen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt het hof als volgt.

Over de persoon van de verdachte hebben P.K.J. Ronhaar, psychiater, en M.M.F. van Casteren, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, op 27 mei 2011 gerapporteerd.

De rapporteurs concluderen dat er bij de verdachte in de eerste plaats sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid. Op basis van deze zwakbegaafdheid is betrokkene niet in staat zijn leven op adequate wijze zelfstandig vorm te geven. De verdachte heeft geleerd zich op een antisociale wijze met zijn beperkingen staande te houden. Antisociale gedragingen werden voor het eerst zichtbaar in zijn vroege puberteit en zijn inmiddels verankerd geraakt in een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De antisociale persoonlijkheidsstoornis van betrokkene heeft een nadrukkelijk psychopathische kleuring, echter zonder dat van psychopathie kan worden gesproken. De zwakbegaafdheid en de antisociale persoonlijkheidsstoornis worden bij betrokkene gecompliceerd door zijn middelengebruik.

Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was er sprake van zwakbegaafdheid, de antisociale persoonlijkheidsstoornis en de afhankelijkheid van alcohol en cannabis.

Vanwege de nadrukkelijke doorwerking van de zwakbegaafdheid en de antisociaal gekleurde beperkingen die hieruit voortvloeien, achten de rapporteurs de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor de feiten 1, 2 en 3. De rapporteurs achten de verdachte voor feit 5 toerekeningsvatbaar.

De kans op herhaling van feiten soortgelijk aan de feiten 1, 2 en 3 wordt door de rapporteurs groot geacht, onder meer vanwege het feit dat - hoewel de verdachte zich met overtuiging voorneemt om zijn leven voortaan anders in te richten - hij daar juist vanwege de beperkingen vanuit zijn gebrekkige ontwikkeling nauwelijks zelfstandig toe in staat kan worden geacht.

De rapporteurs adviseren het hof de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen, nu de verdachte, om het recidiverisico afdoende te bestrijden, in een gedwongen kader langdurige begeleiding nodig heeft waarbij hem voldoende structuur en adequate dagbesteding aangereikt kunnen worden.

Op verzoek van de verdediging heeft drs. J.M. Oudejans, als stafpsycholoog verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie te Amsterdam en aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, de rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 27 mei 2011 van commentaar voorzien. De conclusies van de heer Oudejans zijn neergelegd in zijn brief van d.d. 10 oktober 2011.

De heer Oudejans heeft – verkort en zakelijk weergegeven – kritiek geuit op het niet inschakelen van een tolk Papiamento en op de diagnostiek. De diagnose antisociale persoonlijkheidsstoornis wordt volgens Oudejans ten onrechte gesteld en slecht onderbouwd; de kenmerken van psychopathie zijn niet gefundeerd en als concept innerlijk tegenstrijdig en logisch onmogelijk. Ook uit Oudejans kritiek op de onderbouwing van de verminderde toerekeningsvatbaarheid en van het risico op escalatie.

Op de terechtzitting van 31 oktober 2011 zijn de deskundigen J.M. Oudejans, P.K.J. Ronhaar, en M.M.F. van Casteren verschenen, alsmede de deskundige D.E. Ockerse-May, reclasseringsmedewerker. Zij zijn allen gehoord ter zitting. Het verzoek van de verdediging, inhoudende het verzoek tot contra-expertise, is door het hof toegewezen. Daarbij diende tevens over de mogelijkheid van terbeschikkingstelling met voorwaarden te worden gerapporteerd.

Op 19 maart 2012 heeft K. Foeken, psychiater, gerapporteerd over de persoon van de verdachte. In het rapport wordt geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in die zin dat betrokkene zwakbegaafd is. Voorts is er sprake van verslavingsproblematiek. De verdachte is afhankelijk van cannabis en alcohol.

Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was er sprake van zwakbegaafdheid; deze is immers een chronische aandoening. Ook toen was er sprake van verslavingsproblematiek, betrokkene was bovendien onder invloed van alcohol en cannabis. Uit het onderzoek komen antisociale trekken naar voren, maar er zijn vooralsnog onvoldoende aanwijzingen om met zekerheid te kunnen stellen dat er sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, temeer omdat verdachtes gedrag sterk wordt beïnvloed door zijn verslavingsproblematiek en zijn beperkte cognitieve vermogens.

De ten laste gelegde feiten onder 1, 2, 3 en 5 kunnen grotendeels worden verklaard vanuit verdachtes zwakbegaafdheid in combinatie met middelengebruik. Geadviseerd wordt betrokkene te beschouwen als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Gezien het beloop tot op heden, het feit dat er sprake is van een cognitieve beperking waarmee betrokkene nooit heeft geleerd om adequaat om te gaan, en de hardnekkige verslavingsproblematiek is de kans op recidive aanzienlijk.

De verdachte dient in eerste instantie een intensieve behandeling te krijgen gericht op zijn problematiek waarbij meerdere probleemgebieden tegelijkertijd de aandacht kunnen krijgen. Een dergelijke intensieve behandeling kan plaatsvinden bij Hoeve Boschoord en kan plaatsvinden binnen een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Op 6 april 2012 heeft dr. M. ten Berge, GZ-psycholoog, gerapporteerd over de persoon van de verdachte. De rapporteur concludeert dat er bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling en van langdurige middelenafhankelijkheid (cannabis, alcohol, deels in remissie). Ten tijde van het ten laste was hiervan sprake.

Tevens is er sprake van antisociale trekken bij betrokkene, en van ernstige antisociale gedragingen in het verleden. Gezien de zwakbegaafdheid en het forse middelenmisbruik kan ten tijde van dit onderzoek echter (nog) niet met zekerheid gesproken worden van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Vanwege de zwakbegaafdheid, de sociaal-emotionele achterstand en de langdurige afhankelijkheid (verslaving) van alcohol en drugs (cannabis) kan betrokkene voor het ten laste gelegde enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Het recidiverisico kan bij onveranderde omstandigheden als hoog ingeschat worden. De kans op herhaling van antisociaal gedrag is zeker aanwezig. Hierin spelen met name de ongunstige leefomstandigheden (financiën, huisvesting, geen werk) en de verslavingsgevoeligheid – in combinatie met de zwakbegaafdheid van de verdachte – een belangrijke rol.

Intensieve begeleiding en behandeling zijn geïndiceerd, gericht op de ernstige verslavingsproblematiek van betrokkene, versterking van zijn sociale- en copingvaardigheden, en vermindering van de impulscontroleproblematiek. Hoewel de verdachte nu aangeeft gemotiveerd te zijn, is de kans op terugval op antisociale gedragingen zeker aanwezig. Er dient daarom een hoog niveau van toezicht in een gesloten setting en een forse stok achter de deur te zijn voor de verdachte. Gezien het feit echter dat eerdere hulpverlening nooit echt van de grond is gekomen wordt geadviseerd dit in het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Gelet op verdachtes problematiek, zijn beperkte copingvaardigheden en beperkt denkniveau is een intensieve klinische behandeling in Hoeve Boschoord geïndiceerd.

De reclasseringsinstelling Palier heeft op 21 november 2012 een advies uitgebracht, opgemaakt en ondertekend door D.E. Ockerse-May, reclasseringswerker, en C. Smalt, leidinggevende.

Uit dit advies blijkt onder meer dat er op 22 oktober 2012 een intakegesprek bij Hoeve Boschoord afdeling Berkelland heeft plaatsgevonden. Na overleg met de behandelverantwoordelijke bleek verdachte geschikt te zijn voor het door die instelling aangeboden programma.

Palier adviseert om aan verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden aan de aan hem ten laste gelegde feiten, een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. In dit rapport zijn in totaal 18 voorwaarden, bijzondere en algemene, geformuleerd.

De verdachte heeft zich ter zitting in hoger beroep d.d. 29 november 2012 bereid verklaard deze voorwaarden na te leven.

Het hof komt, met in achtneming van de beschouwingen en de conclusies van deze deskundigen, tot het oordeel – zoals reeds hierboven is vermeld - dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Het hof leidt uit het beeld van de verdachte dat uit de beschikbare rapportages ontstaat, af dat de kans op recidive hoog is.

Voorts is het hof van oordeel dat uit de omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapporten eensluidend volgt dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in die zin dat sprake is van zwakbegaafdheid. Tevens is het hof van oordeel dat ook eensluidend uit de uitgebrachte rapporten volgt dat sprake is van middelenafhankelijkheid, waarmee derhalve vaststaat dat eveneens sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Omtrent de vraag of eveneens sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis wordt, zoals hierboven is weergegeven, verschillend geoordeeld door de deskundigen. Het hof begrijpt dat hierbij de verschillen in benaderingswijze van de deskundigen omtrent de classificatie en de diagnostiek mede bepalend zijn geweest.

Het hof laat de beantwoording van de vraag of de verdachte tevens lijdende is aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis thans achterwege, nu het hof, zoals hierboven reeds is weergegeven, heeft vastgesteld dat de verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zodat, gelet op de voorwaarden die worden gesteld aan de oplegging van de naar het oordeel van het hof aangewezen maatregel, geen noodzaak aanwezig is voor het beantwoorden van deze vraag.

Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en met in achtneming van de beschouwingen, de conclusies en de adviezen van de deskundigen in de omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapporten komt het hof – alles overwegende - tot het oordeel dat het geven van een last tot terbeschikkingstelling met na te noemen voorwaarden noodzakelijk en geboden is.

Het hof is – evenals de deskundige Ten Berge - van oordeel dat behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel – onder meer gezien de ernst van de feiten, de problematiek van de verdachte, de behandelnoodzaak en het hoge recidiverisico – niet is geïndiceerd.

Aan de in artikel 37a lid 1 onder 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden is voldaan aangezien het bewezen verklaarde misdrijven betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het geven van een last tot terbeschikkingstelling met voorwaarden eist. Het hof overweegt daarbij dat het bij de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten gaat om misdrijven die een gevaar opleveren voor de lichamelijke integriteit van een of meer personen.

Het hof acht het voorts van belang dat de verdachte zodra voor hem plaats beschikbaar is wordt opgenomen in Hoeve Boschoord, afdeling Berkelland, ongeacht of het arrest van het hof reeds onherroepelijk is. Derhalve zal het gerechtshof de duur van de op te leggen gevangenisstraf zodanig bepalen, dat deze (met inachtneming van de ter terechtzitting op 17 december 2012 door de advocaat-genereaal gedane toezegging dat de verdachte alsdan op 10 januari 2013 in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling) expireert op het moment waarop opname in Hoeve Boschoord, afdeling Berkelland, kan worden geëffectueerd, namelijk, zoals blijkt uit de van de Advocaat-generaal ontvangen mededeling, houdende nadere informatie van de deskundige Ockerse-May, op 10 januari 2013. Het hof zal de maatregel van terbeschikkingstelling met de door de reclassering genoemde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 550,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 550,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 550,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.726,27.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 1.726,27.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 5]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 369,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 369,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 5 primair bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 369,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 38 en 38a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij heden gelden, en de artikelen 36f, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 primair ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 5 primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1592 (duizend vijfhonderdtweeënnegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt vast dat - rekening houdend met de wettelijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling - de aldus aan de verdachte opgelegde vrijheidsstraf op 10 januari 2013 expireert.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de navolgende voorwaarden:

Bijzondere voorwaarden

1.

Betrokkene verblijft op de Trajectum Hoeve Boschoord afdeling Berkelland aan de Panhovenweg 12, 7157 BZ Rekken. Hij houdt zich aan de daar geldende huis- en leefregels en voorwaarden die daar aan hem gesteld worden en stelt zich hierin begeleidbaar op. Indien

de onvoorwaardelijke straf eindigt voor hij opgenomen kan worden op Trajectum Hoeve Boschoord, werkt betrokkene mee aan een overbruggingsplaatsing of verblijft hij in een PI tot aan zijn plaatsing.

2.

Betrokkene verandert niet van verblijfplaats dan na overleg met zijn behandelaren en de reclassering.

3.

Betrokkene verandert niet zonder toestemming van zijn begeleiders en de reclassering zijn werkuren bij het dagbestedingtraject.

4.

Betrokkene heeft geen omgang met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en stelt zich open op, inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft geen bezwaar dat deze op gepaste en discrete wijze door de reclassering worden gescreend.

5.

Betrokkene houdt zich aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door GGZ Reclassering Palier.

6.

Betrokkene verleent zijn medewerking aan het voordragen van een foto voor het reclasseringsdossier.

7.

Betrokkene conformeert zich aan de behandeling van Trajectum Hoeve Boschoord, afdeling Berkelland.

8.

Betrokkene onthoudt zich van alcohol- en druggebruik en hij onttrekt zich niet aan controles hierop.

9.

Betrokkene conformeert zich aan de behandeling voor verdere resocialisatie wanneer dit niet op Trajectum Hoeve Boschoord plaatsvindt.

10.

Betrokkene geeft inzicht in zijn financiën als daarom verzocht wordt en accepteert hiervoor begeleiding van de MJD van Palier.

11.

Betrokkene zorgt ervoor dat hij altijd bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren.

Algemene voorwaarden

12.

Betrokkene pleegt geen strafbare feiten.

13.

Betrokkene geeft toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die zij relevant acht en die van belang zijn voor een goede behandeling ofwel begeleiding in dit kader.

14.

Vanuit de reclassering is GGZ Reclassering Palier contactpersoon en toezichthouder.

15.

Betrokkene geeft toestemming aan de reclassering en aan zijn begeleiders, dat in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovengenoemde voorwaarden, deze informatie aan alle betrokken partijen gemeld wordt.

16.

GGZ Reclassering Palier is verantwoordelijk voor het uitbrengen van advies betreffende de voortgang van de maatregel.

17.

Tijdens de gehele TBS maatregel is het voor betrokkene niet toegestaan om zich buiten het Nederlandse vaste land te begeven.

18.

Betrokkene is op de hoogte van de consequenties mocht hij de gestelde voorwaarden overtreden en of zich onttrekken aan de behandeling.

Stelt in aanvulling op de voorwaarden dat de

verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn

identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of

meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter

inzage aanbiedt.

Verstrekt aan de Stichting Reclassering Nederland de opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 5 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 369,00 (driehonderdnegenenzestig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], een bedrag te betalen van € 369,00 (driehonderdnegenenzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. R.M. Bouritius en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 december 2012.