Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:3802

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
16-05-2022
Zaaknummer
200.008.327-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:2102, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

AAW/WAO-uitkering ten onrechte gestopt, een en ander levert een onrechtmatige daad op. Eiser vordert naast de reeds uitgekeerde nabetaling uitkering met wettelijke rente, nog vergoeding van andere (gestelde) schadeposten..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht

Zaaknummer : 200.008.327/01

Rolnummer Rechtbank : 42258 HA ZA 04-107

Arrest van 25 september 2012

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. E. Grabandt te 's-Gravenhage,

tegen

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) ,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: UWV,

advocaat: mr. W.P. den Hertog te 's-Gravenhage.

Het geding

1.

In deze zaak is op 17 juli 2008 een tussenarrest gewezen waarbij een comparitie van partijen is gelast. Partijen hebben afgezien van de comparitie. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven (met producties) drie grieven opgeworpen. Bij memorie van antwoord heeft UWV de eerste grief onderschreven en de andere twee (gemotiveerd) bestreden.

UWV heeft, onder overlegging van stukken, arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.

Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de rechtbank Middelburg, sector civiel, van 5 maart 2008, waarbij de rechtbank de vordering van [appellant] , als zou die vordering verjaard zijn, heeft afgewezen.

3.

Nadat genoemd vonnis gewezen was, is komen vast te staan dat de door de rechtbank afgewezen vordering niet verjaard was, maar tijdig gestuit bleek te zijn. Tussen partijen is dat niet meer in discussie. Vorenstaande betekent dat grief 1 opgaat en dat het oordeel van de rechtbank, aangaande de verjaring van de vordering, geen stand kan houden, hetgeen er toe leidt dat de voorliggende zaak door het hof inhoudelijk dient te worden beoordeeld. Terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank Middelburg is niet aan de orde nu op de voorliggende zaak een (zij het onjuiste) eindbeslissing is gegeven.

4.

In de voorliggende zaak zijn nog geen feiten vastgesteld. Het hof zal de feiten thans alsnog vaststellen. Het gaat daarbij om het volgende.

5.1

[appellant] heeft zich per 27 september 1977 ziek gemeld. Nadat [appellant] over de maximale

uitkeringstermijn van 52 weken ziekengeld was betaald, is hem (aansluitend) een

AAW/WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

5.2

Bij beslissing van 22 november 1979 van de Bedrijfsvereniging van Bank- en

Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen (een rechtsvoorganger van UWV),

is [appellant] ’ uitkering krachtens de AAW/AOW per 1 december 1979 ingetrokken.

[appellant] is daarop, telkens over de maximale periode, eerst een WW-uitkering en daarop

volgend een WWV-uitkering verstrekt. Per 9 mei 1984 is door de gemeente Hulst aan

[appellant] een Bijstandsuitkering toegekend.

5.3

Bij brief van 31 oktober 1997 heeft GAK Nederland (ook een voorganger van UWV)

[appellant] in kennis gesteld van de beslissing dat het besluit van 22 november 1979 (zoals

hiervoor onder 5.2. aangeduid) werd ingetrokken en dat de AAW/WAO-uitkering op en

na 1 december 1979 onveranderd werd berekend naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 80-100%. GAK Nederland, heeft bij schrijven van 17 maart

1999 de onrechtmatigheid van de beslissing van 22 november 1979 erkend.

5.4

Na verrekening met reeds aan [appellant] uit anderen hoofde verstrekte uitkeringen, is

[appellant] in juli 1998 door (de rechtsvoorganger van) UWV een bedrag van ƒ 260.306,57

(netto) toegekend en in zijn geheel uitbetaald. Over dat bedrag ineens is in 1998 belasting

geheven.

5.5

[appellant] is over de nabetaling (verschuldigd wegens het ten onrechte niet

voortzetten per 1 december 1979 van de AAW/WAO-uitkering), in 1998 ook wettelijke

rente uitgekeerd (ad € 157.714,81). Ook over die wettelijke rente was [appellant] in het jaar

1998 belasting verschuldigd.

6.

[appellant] stelt dat UWV door de beslissing van 22 november 1979 onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Als rechtstreeks gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft [appellant] , naar hij betoogt, schade geleden met name voortvloeiend uit het feit dat hij onnodig en gedurende vele jaren in een bijstandsbehoevende situatie heeft verkeerd terwijl anderzijds hij als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat was op een andere wijze in zijn inkomen te voorzien. De geleden schade betreft zowel materiële als immateriële schade.

Tegen die achtergrond heeft [appellant] , na vermindering van eis, van UWV betaling gevorderd van een bedrag groot € 461.467,76 met rente en kosten. Voormeld totaal bedrag is naar opgave van [appellant] , opgebouwd uit de volgende posten:

  1. . € 34.290,18 ter zake van fiscale schade nabetaling;

  2. . € 154.235,38 ter zake van vermogensschade verkoop woning [adres] ;

  3. . € 104.633,10 ter zake van huurderving periode 1 mei 1984 tot 1 mei 2002;

  4. . € 89.876,22 ter zake van kosten vervangende woning periode 1984 t/m 1999;

  5. . € 35.323,82 ter zake van kosten (juridische) bijstand, procedures, accountants, taxateurs;

  6. . € 43.109,12 ter zake van immateriële schade.

7.

Tussen partijen is in confesso dat UWV ten onrechte de [appellant] toekomende AAW/AOW-uitkering per 1 december 1979 heeft gestaakt. Een en ander valt aan te merken als een door UWV jegens [appellant] gepleegde onrechtmatige daad. Schade die van dat onrechtmatig handelen het rechtsreeks gevolg is, komt voor vergoeding in aanmerking. In dat kader heeft UWV door de nabetaling vermeerderd met wettelijke rente in ieder geval een deel van de schade voor zijn rekening genomen. Zoals uit het hiervoor onder 6. weergegevene blijkt, wenst [appellant] naast vorenstaande betaling, nog nadere vergoeding van geleden schade. Het hof zal hieronder de gevorderde schade per opgevoerde post bespreken.

8.

ad 6.a: de fiscale schade nabetaling

8.1

[appellant] stelt zich wat deze post betreft op het standpunt dat de op enig moment door het UWV (in één keer) uitgekeerde wettelijke rente direct verband houdt met de te late uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Nu fiscale regels aan een gunstiger heffing van IB over die betaling (van wettelijke rente) in de weg staan en hij dientengevolge geen aanspraak kon maken op het niet progressief belastingtarief, is, naar [appellant] betoogt, door hem wel degelijk als gevolg van de te late uitbetaling méér belasting verschuldigd geworden dan normaliter. Die méér betaalde belasting is volgens [appellant] als schade aan te merken.

8.2

Het hof wijst dit onderdeel van de vordering van [appellant] af. Verschuldigde belasting, geheven over uitgekeerde wettelijke rente kan niet als een schadepost worden aangemerkt.

Wettelijke rente over een verschuldigde hoofdsom wordt in het algemeen in één keer uitbetaald en (in de tijd waar het hier om gaat) daarna in zijn geheel belast. Vertragingsschade wordt per definitie niet per jaar ontvangen.

Het hof verwijst ook naar de brief van de belasting dienst van 25 september 2000.

9.

ad 6.b, 6.c en 6.d: de vermogensschade verkoop woning, de huurderving en de kosten vervangende woonruimte.

9.1

In dit kader heeft [appellant] aangevoerd dat hij, als gevolg van meergenoemde onrechtmatige daad van UWV, zijn vrij van hypotheek en deels verhuurde onroerende zaak [adres] , noodgedwongen (op 14 mei 1984) heeft moeten verkopen. De verkoopopbrengst bedroeg ƒ 70.000,-- (= € 31.764,62) terwijl de getaxeerde waarde van de woning per 18 maart 2003 € 186.000,-- bedroeg, hetgeen, aldus [appellant] , een verschil oplevert als gevorderd. [appellant] acht UWV (op grond van de gepleegde onrechtmatige daad) gehouden voormeld bedrag als schadevergoeding aan hem te voldoen.

Verder betoogt [appellant] dat zo het UWV in 1979 de juiste beslissing omtrent zijn arbeidsongeschiktheid genomen had en hem een WAO-uitkering had toegekend, verkoop van de woning niet nodig geweest was en de huuropbrengsten normaal hadden voortgeduurd. Nu de huuropbrengsten van de woning, als gevolg van de (door onrechtmatig handelen van UWV) noodgedwongen verkoop van de woning gestopt zijn, valt die gederfde huuropbrengst, vermeerderd met rente aan te merken als schade als gevolg van de onrechtmatige daad van UWV. Hetzelfde geldt volgens [appellant] met betrekking tot de kosten vervangende woonruimte. Immers, na verkoop van de woning is [appellant] weliswaar in de woning blijven wonen, maar is hij aan de nieuwe eigenaar een (beperkte) huur gaan betalen. De daarmee gemoeide kosten wenst [appellant] ook op UWV als schade uit onrechtmatige daad te verhalen.

9.2

Het hof wijst ook dit onderdeel van de vordering van [appellant] af. Naar zijn oordeel heeft [appellant] een en ander onvoldoende onderbouwd. [appellant] geeft niet aan waarom hij als gevolg van het onrechtmatig handelen van het UWV genoodzaakt was zijn eigen woning te verkopen. Productie 16, overgelegd bij memorie van grieven verschaft ook geen inzicht ter zake. De enkele verwijzing naar het moeten aanvragen van een bijstandsuitkering vormt onvoldoende onderbouwing van de gestelde noodzaak tot verkoop. Het hebben van een eigen woning staat op zich aan bijstandsverlening niet in de weg.

Dat [appellant] kennelijk, zoals het hof uit voormelde productie 16 begrijpt, op basis van enkele gepubliceerde onderzoeken van de sociale dienst van de gemeente Rotterdam en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, verwachtte dat hij in de toekomst zijn onderhoudskosten niet meer zou kunnen betalen en toen op het idee is gekomen om zijn woning te verkopen aan een door hem zelf opgerichte woningbouwvereniging met het voornemen om de woning terug te kopen als hij in betere financiële omstandigheden zou komen, leidt ook niet tot de conclusie dat sprake is geweest van een gedwongen verkoop.

Overigens is het ook niet aannemelijk geworden dat er sprake is van schade zoals door [appellant] gesteld. [appellant] heeft zijn woning dan wel verkocht, maar wel aan de door hem zelf opgerichte woningbouwvereniging […] , van welke vereniging hij (zelfstandig bevoegd) voorzitter is (met zijn twee zoons als medebestuurslid). Aan deze vereniging betaalde [appellant] huur voor zijn woning. Hoe de financiën geregeld waren binnen die vereniging, waarvan gesteld noch gebleken is dat deze leden had afgezien van [appellant] en zijn beide zoons, is niet toegelicht noch gebleken.

Met betrekking tot de door [appellant] op dit punt gevorderde schade merkt het hof ook op dat het hem volstrekt niet duidelijk is waarom [appellant] de verkoopopbrengst van zijn woning in 1984, afzet tegen een taxatie van die woning in maart 2003. De schade die [appellant] aldus berekent, lijkt niets te maken te hebben met de situatie in 1984.

Waar het causaal verband tussen de onrechtmatige daad van UWV en de verkoop van de woning door [appellant] niet komt vast te staan, kunnen de posten “huurderving” en “kosten vervangende woonruimte” (als afgeleide posten) onbesproken blijven.

10.

ad 6.e: de kosten (juridische) bijstand, procedures, accountants, taxateurs.

10.1

[appellant] stelt zich in dezen op het standpunt dat hij als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van het UWV diverse bestuursrechtelijke procedures heeft moeten voeren en dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, alle buiten de proceskostenveroordeling(en) gemaakte extra kosten, inclusief de kosten van de voorliggende procedure, vanwege de evident onrechtmatige besluitvorming door het UWV, toch naar redelijkheid en billijkheid voor vergoeding in aanmerking behoren te komen.

10.2

Ook deze post wordt door het hof afgewezen. Met betrekking tot de bestuursrechtelijke procedures heeft reeds een kostenveroordeling plaats gevonden, zodat kosten, gemoeid met die procedures niet meer aan de orde kunnen komen. Overigens is [appellant] in veel van die gevoerde procedures in het ongelijk gesteld, zodat ook om die reden er geen aanleiding is de kosten van die procedures ten laste van UWV te brengen.

Buitengerechtelijke incassokosten, voor zover gevorderd, zijn door [appellant] niet nader gespecificeerd zodat die kosten, zo [appellant] daarop al aanspraak zou kunnen maken, niet kunnen worden toegewezen.

De overige kosten (zoals die van accountants en taxateurs), voor zover het al geen kosten betreft ter adstructie van de door het hof in het onderhavige arrest afgewezen vordering, kunnen evenmin op UWV verhaald worden, nu het hier om kosten gaat die [appellant] gemeend heeft te moeten maken, maar die niet het rechtstreekse gevolg zijn van de door UWV gepleegde onrechtmatige daad.

Aan de redelijkheid en billijkheid kunnen geen argumenten ontleend worden om de kosten die hier aan de orde zijn toch op UWV te verhalen. [appellant] wijst in dat verband enkel naar de onrechtmatige daad van UWV, hetgeen naar het oordeel van het hof onvoldoende adstructie is.

11.

ad 6.f: de immateriële schade.

11.1 [appellant] betoogt in dat verband dat de onrechtmatige handelwijze van UWV geleid heeft tot psychosociale ontreddering aan zijn kant, welke ontreddering als tot vergoeding van immateriële schade aanleiding gevend letsel is te beschouwen. Op deze post oordeelt het hof wel een bedrag aan schadevergoeding toewijsbaar. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat de gang van zaken rond het ten onrechte stopzetten van de [appellant] toekomende uitkering onmiskenbaar een ernstige en langdurige uitwerking heeft gehad op de psyche van [appellant] . Een en ander kan als (psychische) schade worden aangemerkt. Op deze post zal een vergoeding groot € 3.000,-- worden toegewezen.

12.

Gelet op vorenstaande moet de conclusie zijn dat de vordering van [appellant] ten dele kan toewijsbaar is. Het bestreden vonnis (waarin anders beslist is) kan dan ook niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

Het hof ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding de proceskosten in beide instanties te compenseren.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Middelburg, sector civiel van 5 maart 2008;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt UWV om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag groot € 3.000,--;

  • -

    compenseert de proceskosten van zowel de eerste aanleg als van het hoger beroep;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, J.M.Th. van der Hoeven-Oud en

V.

Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2012 in aanwezigheid van de griffier