Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2012:3511

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
11-01-2016
Zaaknummer
200.103.888-01T
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2014:1242
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

incident artikel 843a Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.103.888/01 (voorheen 200.042.090/01)

Zaaknummer rechtbank : 305266 / HAZA 08-964

arrest van 11 september 2012

inzake

[opposante] ,

wonende [woonplaats] ,

opposante,

tevens eiseres in het incident ex artikel 843a Rv,

hierna te noemen: [opposante] ,

advocaat: mr. M. Bonarius te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende [woonplaats] ,

geopposeerde,

tevens verweerster in het incident ex artikel 843a Rv,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.J. de Bruin te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 17 januari 2012 is [opposante] in verzet gekomen van het arrest van 20 december 2011. In de verzetdagvaarding tevens vordering ex art. 843a Rv (met een productie) heeft Vermeulentwee grieven aangevoerd tegen dat arrest alsmede een incidentele vordering ex artikel 843a Rv ingesteld. [geïntimeerde] heeft hierop gereageerd bij akte inhoudende in het geding brengen van producties tevens inhoudende uitlaten over door opposante in het geding gebrachte productie tevens reactie op door opposante aangekondigde getuige. Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is in het incident ex artikel 843a Rv arrest gevraagd.

Beoordeling van het incident

1.

In verzet zijn geen bezwaren aangevoerd tegen de door het hof bij arrest van 20 december 2011 onder 1.1 tot en met 1.7 weergegeven feiten en de samenvatting van het geschil. Het hof blijft dan ook bij hetgeen aldaar is overwogen.

2.

[geïntimeerde] is, zoals onder 1.1 van voormeld arrest is weergegeven, geconfronteerd met onderzoeken van de Belastingdienst en de gemeente Rotterdam naar het verzwijgen van inkomsten uit arbeid. [geïntimeerde] verwijt [opposante] , kort gezegd, dat zij onjuiste informatie over vermeende werkzaamheden heeft verschaft, waardoor een vordering is ingesteld tot terugbetaling van bijstandsuitkering en [geïntimeerde] is veroordeeld voor uitkeringsfraude. In de hoofdzaak vordert [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, onder meer voor recht te verklaren dat [opposante] a. onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [geïntimeerde] door het te doen voorkomen dat [geïntimeerde] voor [opposante] werkzaamheden heeft verricht over de jaren 2002 tot en met 2006 terwijl [geïntimeerde] in werkelijkheid geen werkzaamheden heeft verricht en b. bedrog heeft gepleegd door in de boeken van haar bedrijf op te nemen dat [geïntimeerde] voor haar gewerkt zou hebben in de jaren 2002 tot en met 2006, zonder dat er sprake was van het verricht hebben van werkzaamheden.

3.

In het incident wordt verzocht om [geïntimeerde] op grond van het bepaalde bij artikel 843a Rv te veroordelen tot afgifte aan [opposante] van onderzoeksverslagen, processen-verbaal, controlerapporten, dagvaardingen en uitspraken opgemaakt en gegeven in de zaken van de gemeente Rotterdam, de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de verklaringen van [opposante] over de werkzaamheden van [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom in goede justitie door het hof te bepalen. [opposante] voert daarbij aan dat deze stukken noodzakelijk zijn om te kunnen vaststellen of de maatregelen van de Belastingdienst, de gemeente Rotterdam en het Openbaar Ministerie het gevolg zijn van gedragingen van [opposante] .

4.

Krachtens artikel 843a Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

5.

[opposante] heeft aangevoerd een rechtmatig belang te hebben bij overlegging van de gevraagde bescheiden. [geïntimeerde] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering. Gelet op artikel 24 Rv heeft de rechter alsdan geen bevoegdheid ambtshalve een of meer verweren daartegen bij te brengen en de vordering daarop af te wijzen. Daarmee zou de rechter immers buiten de rechtsstrijd van partijen treden (vergelijk Hoge Raad 6 oktober 2006, LJN AX7774). De incidentele vordering zal dan ook worden toegewezen, met de verplichting van [geïntimeerde] om de stukken binnen twee weken na dit arrest af te geven. Het hof ziet geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.

6.

Over de overgelegde producties en de opgevoerde getuige Bouwman dient het hof zich in het kader van dit incident nog niet uitlaten. Een beslissing omtrent de proceskosten in het incident wordt aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt naar de rol verwezen om [opposante] in de gelegenheid te stellen te reageren op de af te geven stukken en deze desgewenst (deels) in de procedure in te brengen. Alsdan is [opposante] tevens in de gelegenheid om te reageren op de laatstelijk door [geïntimeerde] in het geding gebrachte producties.

Beslissing in het incident

In het incident

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] op grond van het bepaalde bij artikel 843a Rv tot afgifte binnen twee weken na heden aan [opposante] van onderzoeksverslagen, processen-verbaal, controlerapporten, dagvaardingen en uitspraken opgemaakt en gegeven in de zaken van de gemeente Rotterdam, de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie naar aanleiding van de verklaringen van [opposante] over de werkzaamheden van [geïntimeerde] ;

  • -

    verklaart dit arrest tot hier uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan tot de einduitspraak;

In de hoofdzaak

- bepaalt dat de zaak weer wordt uitgeroepen ter rolle van 23 oktober 2012 voor het nemen van een akte aan de zijde van [opposante] als bedoeld in rechtsoverweging 6.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, H.J.H. van Meegen en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2012 in aanwezigheid van de griffier.