Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:CA2979

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
200.069.884/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

identiteit contractpartij, gebondenheid in persoon of als vennootschapsdirecteur, gerechtvaardigd vertrouwen, betaling door een derde (art. 6:30 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civielrecht

Zaaknummer : 200.069.884/01

Rolnummer rechtbank : 351058 / HA ZA 09-3658

arrest d.d. 26 juli 2011

inzake

[appellant]

wonende te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. C.J. Dreef te ‘s-Gravenhage,

tegen

VOORWINDEN KOZIJNSPECIALIST B.V.,

gevestigd te Gorinchem,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Voorwinden,

advocaat: mr. C. van der Boom te Vlaardingen.

De verdere loop van het geding

1. Voor het verloop van het geding tot dan toe verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 3 augustus 2010 en de daarin genoemde gedingstukken en proceshandelingen. De in dat arrest bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 7 september 2010 en van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. [appellant] heeft daarna een memorie van grieven (met producties) genomen, waarbij hij één grief tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 april 2010 heeft aangevoerd. Voorwinden heeft de grief bestreden in een memorie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk akteverzoek (eveneens met producties). Daarna hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

2. Partijen zijn niet met grieven of anderszins opgekomen tegen de door de rechtbank in het bestreden vonnis sub 2.1 tot en met 2.3 opgenomen feiten, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Gelet daarop en met inachtneming van hetgeen overigens uit de overgelegde producties als vaststaand blijkt, gaat het in deze zaak om het volgende.

3. Voorwinden heeft [appellant] in 2009 een drietal facturen gestuurd, gedateerd respectievelijk op 23 februari 2009 ten bedrage van € 1.758,82, op 20 mei 2009 ten bedrage van € 14.364,49 en op 9 juli 2009 ten bedrage van € 6.074,95. De facturen zijn gericht aan Aannemersbedrijf Le Bol en verstuurd ter attentie van B. [appellant] te Leidschendam. In de facturen wordt achtereenvolgens als omschrijving vermeld: “Levering werk [adres], 3-vaks kozijn tbv. Balkon volgens opgaaf en isolatieglas” (factuur d.d. 23 februari 2009), “Levering werk [adres] en Gestapelde achterkozijnen volgens laatste opgaaf dd. 05-05-2009” (factuur d.d. 20 mei 2009) en “Levering tbv. Aanbouw te Voorburg, Vouwwand merk A volgens onze offerte dd. 24-02-2009, Plaatsen kozijn op lokatie en Kraan 40 ton door u gehuurd voor werk [adres]” (factuur d.d. 9 juli 2009).

4. Op 7 augustus 2009 heeft [appellant] op de facturen een bedrag voldaan van € 5.660,-. Het resterende totaalbedrag van € 16.538,26 is ondanks ingebrekestelling bij brief van 11 augustus 2009, onbetaald gebleven. In dit geding heeft Voorwinden betaling gevorderd van het openstaande bedrag, vermeerderd met rente en kosten. Met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten is het door Voorwinden gevorderde in het bestreden vonnis toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank het verweer van [appellant] dat niet hij maar de vennootschap Lébol Holding B.V. de contractspartij is van Voorwinden verworpen. Volgens de rechtbank mocht Voorwinden er gerechtvaardigd van uit gaan dat zij zaken deed met [appellant] in persoon en dus niet, zoals [appellant] had aangevoerd, met Lébol Holding B.V. waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is.

5. In zijn tegen dit oordeel voorgedragen grief betoogt [appellant] dat hij bij het uitvoeren van de opdrachten die tot voornoemde facturen hebben geleid, handelde als bestuurder van Lébol Holding B.V. en dat Voorwinden dat wist of kon weten. Hij heeft daarbij in de eerste plaats gewezen op de omstandigheid dat een andere factuur van Voorwinden die gericht was aan (de eenmanszaak van) [appellant], door Lébol Holding B.V., en dus niet door hem zelf of door zijn eenmanszaak, is betaald en dat Voorwinden dit ook aan het desbetreffende bankafschrift heeft kunnen zien. Deze betaling heeft plaatsgevonden op 10 juni 2009, zodat Voorwinden in elk geval vanaf dat moment al met deze vennootschap bekend was of kon zijn, aldus [appellant]. Daarbij komt dat de thans in geding zijnde facturen zijn gericht aan Aannemersbedrijf Le Bol, welke eenmanszaak nimmer heeft bestaan. Volgens [appellant] wijst dit er overigens ook op dat hij de naam van zijn vennootschap aan Voorwinden bekend heeft gemaakt. [appellant] heeft zich daarnaast beroepen op een bij zijn memorie van grieven overgelegde verklaring van [bet[betrokkene], gedateerd 7 november 2010. [betrokkene] verklaart daarin dat hij Voorwinden in contact heeft gebracht met het bedrijf van [appellant] en dat hij toen duidelijk heeft verteld dat het daarbij ging om Lébol Holding B.V.

6. Het hof stelt voorop dat degene die met een ander een overeenkomst sluit daaraan in beginsel zelf, in persoon, is gebonden en dat dit slechts anders kan zijn indien partijen omtrent de identiteit van de contractspartij over en weer anders hebben verklaard of indien zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen anders hebben afgeleid of hebben mogen afleiden. In dit verband stelt het hof vast dat de (e-mail)correspondentie, die aan de voornoemde facturen is voorafgegaan of daarop anderszins betrekking heeft, waaronder die betreffende een (gewijzigde) prijsopgave op 5 mei 2009 voor de levering en plaatsing door Voorwinden van voor- en achterkozijnen, is gericht aan en beantwoord do[appellant], [adres]” vanaf het emailadres [e-mail adres]”. Uit die correspondentie blijkt derhalve niet dat [appellant] om een (gewijzigde) prijsopgave verzocht, of daarmee uiteindelijk instemde, namens een ander dan hemzelf. In zijn emailbericht aan Voorwinden van 5 mei 2009 deelt [appellant] integendeel mee dat de facturen “aan mij BTW verlegd” (cursivering hof) zijn. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien op grond waarvan Voorwinden in de fase voorafgaande aan, ten tijde van of direct volgende op, de sluiting van de overeenkomsten moest begrijpen dat zij niet met [appellant] in persoon, maar met Lébol Holding B.V. zaken deed. Uit niets blijkt dat de prijsafspraken die uiteindelijk tot de thans gefactureerde leveranties en werkzaamheden hebben geleid zijn gemaakt door [appellant] namens Lébol Holding B.V., in zijn hoedanigheid van directeur/eigenaar van die vennootschap, welke vennootschap immers niet in Leidschendam, maar in Schiedam is gevestigd en opereert vanuit een ander emailadres, te weten “[e-mail adres]”. Dit klemt temeer nu een “holding” veelal niet als een werkmaatschappij optreedt. Een en ander brengt mee dat alleen [appellant] zelf en niet (tevens) Lébol Holding B.V. de contractspartij van Voorwinden is en tot betaling kan worden aangesproken. De verklaring van [betrokkene] maakt dit niet anders. Uit deze verklaring blijkt immers niet van enige betrokkenheid bij de totstandkoming van de overeenkomsten die aan de in geding zijnde facturen zijn voorafgegaan. Het feit dat Lébol Holding B.V. op 10 juni 2009 voor [appellant] een andere, thans niet in geding zijnde, factuur heeft betaald kan [appellant] evenmin baten, reeds omdat een bestaande schuld ook door een ander bevrijdend kan worden betaald (artikel 6:30 BW).

7. De grief faalt en het voorwaardelijk akteverzoek van Voorwinden behoeft derhalve geen bespreking. Het bestreden vonnis houdt stand. Bij deze uitslag past een kostenveroordeling ten laste van [appellant].

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 april 2010;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Voorwinden tot op heden begroot op € 520,- aan verschotten en op € 1.788,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, A.E.A.M. van Waesberghe en

G.J. Heevel en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juli 2011 in aanwezigheid van de griffier.