Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BZ4675

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
19-03-2013
Zaaknummer
200.076.589/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gemeentelijk besluit tot beëindiging samenwerking, toetsing beginselen van behoorlijk bestuur, art. 3:14 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2013/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector civielrecht

Zaaknummer : 200.076.589/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 345964/HA ZA 10-59

ARREST d.d. 20 december 2011

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. C.C. Oberman te Amsterdam

tegen

Gemeente ROTTERDAM,

zetelhoudende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. J. van den Brande te Rotterdam,

Het geding

1. Bij exploot van 8 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van 11 augustus 2010 van de rechtbank Rotterdam. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] acht grieven tegen dit vonnis aangevoerd, die door de Gemeente bij een memorie van antwoord (eveneens met producties) zijn bestreden. Partijen hebben hun zaak vervolgens ter zitting van 3 november 2011 door hun raadslieden doen bepleiten, zulks aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. [appellant] heeft zich daarbij bediend van een op voorhand ingezonden productie, te weten het tussenvonnis van 5 oktober 2011 van de rechtbank Rotterdam in zijn procedure tegen de [universiteit] (hierna: [universiteit]). Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. Daarna hebben partijen arrest gevraagd, waartoe zij beide hebben verwezen naar de reeds overgelegde kopie-dossiers.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 opgenomen feiten, nu partijen daartegen niet zijn opgekomen. Met inachtneming van hetgeen overigens uit overgelegde producties als vaststaand blijkt, gaat het in deze zaak om het volgende.

3. Tussen partijen bestond een overeenkomst van opdracht, vastgelegd in een “Financial Contract” van 1 mei 2007 (hierna ook: de samenwerkingsovereenkomst), op grond waarvan [appellant] tegen een door de Gemeente te betalen vergoeding van [bedrag] per maand een (deeltijd) gasthoogleraarschap aan de [universiteit] diende te vervullen en tegen een vergoeding van [bedrag] per maand een bijdrage diende te verlenen aan het programma van de Gemeente [programma]. De overeenkomst is per 1 januari 2009 voor wat betreft de voor de Gemeente te verrichten werkzaamheden verlengd tot en met 31 januari 2011, of tot een eerdergelegen datum indien “The Municipality of Rotterdam has fundamental considerations to end the Financial Contract” (artikel 6 van het contract). In augustus 2009 is in de media ophef ontstaan over de betrokkenheid van [appellant] bij het televisieprogramma [televisieprogramma] dat hij sedert het voorjaar 2008 vanuit Londen voor de Iraanse omroep [omroep]esenteerde. Op 13 augustus 2009 heeft [betrokkene] hierover telefonisch contact gehad met [appellant], die op dat moment met zijn gezin op vakantie was in het buitenland. [betrokkene] gaf in dat telefoongesprek te kennen dat bij de universiteit de wens bestond dat [appellant] publiekelijk afstand zou nemen van [omroep] en dat de [universiteit] hem niet langer zou steunen als hij zijn werk voor [omroep] zou voortzetten. [appellant] heeft vervolgens een verklaring opgesteld, waarin hij een nadere toelichting geeft op zijn werkzaamheden bij [omroep] en aangeeft daarover een beslissing te nemen na terugkeer van vakantie. De Gemeente heeft deze verklaring, via de [universiteit], op 13 augustus 2009 ontvangen. Daarnaast heeft [appellant] een artikel geschreven voor [krant], welk artikel hij op 17 augustus 2009 naar, onder andere, de Gemeente heeft gestuurd. Dit artikel is op 18 augustus 2009 door de krant gepubliceerd. In dit artikel verdedigt [appellant] zich tegen de bewering dat hij banden zou hebben met het Iraanse regime, geeft hij aan, voor wat zijn werk bij [omroep] betreft, volledig vrij te zijn in de te behandelen thema’s en uit te nodigen gasten en verklaart hij zich dienaangaande éérst een afgerond beeld te willen vormen, alvorens zijn gedragslijn te bepalen.

4. Per e-mail van 18 augustus 2009 is aan [appellant] een brief verzonden, gedateerd 18 augustus 2009 en afkomstig van het college van burgemeester en wethouders. In die brief geeft de Gemeente te kennen dat zij eerst onlangs vernam dat [appellant] een discussieprogramma presenteert voor [omroep], stelt zij vast dat [omroep] wordt bekostigd door de Iraanse overheid en geeft zij aan door middel van de verklaring van [appellant] van 13 augustus 2009 en het [krantartikel] van 18 augustus 2009 kennis genomen te hebben van de visie daarop van [appellant]. De Gemeente geeft in de brief te kennen van oordeel te zijn dat [appellant] zich bij zijn besluit tot deelname aan het door de Iraanse autoriteiten ondersteunde [omroep] onvoldoende heeft gerealiseerd welke gevoelens dit in Rotterdam kon oproepen, alsmede dat hij de Gemeente had moeten consulteren bij zijn beslissing om aan dit programma deel te (blijven) nemen. Volgens de Gemeente heeft [appellant] “niet duidelijk direct en uit eigen beweging” zijn relatie met [omroep] verbroken, zodat het aan zijn inzet voor de Gemeente “maatschappelijk zo noodzakelijke draagvlak is komen te ontvallen” en zijn werk voor de Gemeente “doorslaggevend aan geloofwaardigheid heeft ingeboet”. In de brief wordt de samenwerking met [appellant] onder verwijzing naar deze overwegingen wegens “fundamental considerations” als bedoeld in artikel 6 van het Financial Contract per 1 november 2009 opgezegd.

5. Stellende dat de Gemeente de samenwerkingsovereenkomst ten onrechte en op onjuiste gronden heeft opgezegd, en daarmee jegens hem wanprestatie heeft gepleegd danwel onrechtmatig heeft gehandeld, heeft [appellant] in dit geding gevorderd dat de Gemeente wordt veroordeeld tot betaling aan hem van (1) € 71.548,-, althans een naar redelijkheid vast te stellen deel daarvan, terzake van materiële schadevergoeding, (2) € 10.000,- terzake van immateriële schadevergoeding en (3) € 2.500,- (exclusief BTW) terzake van vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten. In het bestreden vonnis is het door [appellant] gevorderde afgewezen. De rechtbank overwoog daarbij dat de medio augustus 2009 publiekelijk ontstane ophef rond zijn medewerking aan [omroep] bij [appellant] bekend was, dat kenbaar was dat niet alleen hij maar ook de Gemeente daardoor onder vuur lag, dat de Gemeente van hem mocht verwachten dat hij het belang en de urgentie van de kwestie voor de Gemeente inzag en dat uit zijn verklaring van 13 augustus 2009 en het [krantartikel] van 18 augustus 2009 blijkt dat hij dat inzicht miste. Volgens de rechtbank was met de ontstane maatschappelijke onrust en de reacties van [appellant] tezamen genomen voldaan aan de voor opzegging door de Gemeente vereiste “fundamental considerations” en kon ook overigens niet van onrechtmatig handelen door de Gemeente worden gesproken.

6. Met zijn eerste en tweede grief keert [appellant] zich tegen de overweging dat het voor hem kenbaar was dat de ontstane ophef rond zijn medewerking aan [omroep] voor de Gemeente urgent was en dat ook de Gemeente daardoor onder vuur lag. De Gemeente heeft hem voorafgaand aan het besluit om de samenwerking met hem te beëindigen nimmer benaderd en ook anderszins is hem niet duidelijk gemaakt dat de kwestie voor de Gemeente zodanig urgent was dat zijn samenwerking met de Gemeente op het spel stond. Voor zover hem in het telefoongesprek op 13 augustus 2009 door prof. [betrokkene] is voorgehouden dat de wens bestond dat hij zich publiekelijk zou distantiëren van [omroep], betrof dat alleen de wens van de universiteit en niet tevens die van de Gemeente, nu [betrokkene] in dat telefoongesprek niet heeft aangegeven mede namens de Gemeente te spreken. Als de Gemeente tevoren kenbaar zou hebben gemaakt dat een spoedige beslissing vereist was op straffe van beëindiging van de samenwerking met de Gemeente zou [appellant] afstand hebben genomen van [omroep], aldus [appellant] in zijn toelichting op de grieven. Met zijn derde tot en met vijfde grief bestrijdt [appellant] voorts dat sprake is geweest van omstandigheden die de door de Gemeente gehanteerde opzeggingsgrond “fundamental considerations” zouden kunnen rechtvaardigen, zoals de rechtbank heeft geoordeeld. Volgens [appellant] impliceert dit begrip dat er sprake moet zijn van enige vorm van verwijtbaarheid aan zijn zijde (MvG, sub 43), die in dit geval ontbrak. In dit verband heeft [appellant] erop gewezen dat de maatschappelijke onrust is ontstaan naar aanleiding van één enkel artikel, waarin hij bovendien ten onrechte werd beschuldigd van banden met het Iraanse regime. [appellant] stelt dat hij zich in zijn verklaring van 13 augustus 2009 en het [krantartikel] van 18 augustus 2009 expliciet van het Iraanse regime heeft gedistantieerd, terwijl hij over de voortzetting van zijn werkzaamheden voor [omroep] daarin (nog) geen standpunt had ingenomen. Hij bestrijdt voorts dat hij zich voor de Gemeente onbereikbaar heeft gehouden. Blijkens zijn zesde tot en met achtste grief blijft [appellant], anders dan de rechtbank, van mening dat de Gemeente zich niet als een redelijk handelend opdrachtgever heeft gedragen, en daarmee jegens hem is tekortgeschoten, door hem niet eerst te horen over zijn standpunt met betrekking tot zijn werkzaamheden voor [omroep] en het daarmee samenhangende gemeentelijke voornemen om de samenwerking met hem te beëindigen. Door de samenwerking op abrupte wijze te beëindigen en hem dienaangaande niet eerst te horen of bedenktijd te geven heeft de Gemeente bovendien gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play, zodat de Gemeente jegens hem schadeplichtig is, aldus de afsluitende conclusie van [appellant].

7. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij komen neer op de vraag of de Gemeente jegens [appellant] is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld door de samenwerkingsovereenkomst met een beroep op “fundamental considerations” voortijdig te beëindigen op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

8. Terecht heeft de Gemeente vooropgesteld dat de vraag of zich (voldoende) “fundamental considerations” voordoen die tot een voortijdige beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst dienen te leiden, blijkens de bewoordingen waarin (artikel 6 van) het Financial Contract is gesteld, op zichzelf is voorbehouden aan de Gemeente. Artikel 6 van het Financial Contract, dat gaat over de einddatum van de tussen partijen bestaande samenwerking, voorziet immers slechts in de mogelijkheid van een voortijdige beëindiging door [appellant] indien hij met zijn bijdrage aan het programma [programma] stopt, en aan de zijde van de Gemeente indien “The municipality of Rotterdam has fundamental considerations to end the Financial Contract”. Naar het oordeel van het hof ligt hierin besloten dat de Gemeente bij gebruikmaking van deze beëindigingsgrond een discretionaire bevoegdheid toekomt waarin zij een eigen (bestuurlijke) afweging kan maken van alle voor die beslissing relevante feiten en omstandigheden, zodat de vraag of van “fundamental considerations” sprake is door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst.

9. Anders dan [appellant] is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de Gemeente bij afweging van de over en weer betrokken belangen, van welke afweging zij heeft blijk gegeven in de beëindigingsbrief van 18 augustus 2009, in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot haar voornemen om de samenwerking met [appellant] te beëindigen. Bij de Gemeente speelde daarbij een opeenstapeling van factoren, waarmee zij rekening had te houden, waaronder met name het feit dat [appellant] voor de tweede keer in korte tijd, zowel op gemeentelijk als op landelijk niveau, in opspraak was geraakt, terwijl hij door de Gemeente nu juist was “ingehuurd” als bruggenbouwer in het kader van de gemeentelijke islamdebatten. Reeds in het voorjaar van 2009 waren er Kamervragen gesteld over (vermeende) uitlatingen van [appellant] over vrouwen en homoseksuelen en nu was er in de media en de politiek opnieuw ophef ontstaan, deze keer wegens de betrokkenheid van [appellant] bij het door de Iraanse overheid ondersteunde [omroep]. Blijkens de brief van 18 augustus 2009 speelde bij de door de Gemeente gemaakte afweging tevens een rol dat [appellant] zijn deelneming aan [omroep] ook na de verkiezingen in Iran, waarbij de vrijheid van meningsuiting ernstig in het geding was gekomen, had voortgezet, waardoor [appellant] de schijn had gewekt met het repressieve regime (indirect) te zijn verbonden. Deze omstandigheden maakten dat het maatschappelijk noodzakelijke draagvlak aan de inzet van [appellant] voor de Gemeente was komen te ontvallen en de geloofwaardigheid van de Gemeente in gevaar kwam, hetgeen de Gemeente naar het oordeel van het hof in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als “fundamental considerations” als bedoeld in de samenwerkingsovereenkomst met [appellant].

10. Deze beëindigingsbevoegdheid van de Gemeente laat op grond van het bepaalde in artikel 3:14 BW echter onverlet dat de Gemeente met de wijze waarop zij deze bevoegdheid uitoefent de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht behoort te nemen. Gezien de in de media en de politiek ontstane ophef kan daarbij niet worden voorbij gegaan aan de urgentie waarmee de Gemeente de kwestie met [appellant] diende aan te pakken. Ter voorkoming van verdere ophef en schade aan (de werkbaarheid van) het gemeentelijke sociale programma [programma 2] was een snelle beslissing geboden. De bij de Gemeente ontstane urgentie kan vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid naar het oordeel van het hof echter niet met zich brengen dat [appellant] niet uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden om op een voornemen tot beëindiging van de tussen partijen bestaande (contractuele) rechtsverhouding te reageren. Dit klemt temeer nu [appellant] al sedert het voorjaar 2008 werkzaam was voor [omroep], dat een publiek toegankelijke zender is, en zijn betrokkenheid daarbij niet eerder onderwerp van gesprek is geweest.

11. De Gemeente heeft gesteld dat zij aan deze (zorgvuldigheids)eis heeft voldaan. Zij heeft daarbij allereerst aangevoerd dat zij de verklaring van [appellant] van 13 augustus 2009 en het op 18 augustus 2009 gepubliceerde, maar al op 17 augustus 2009 opgestelde [krantartikel] heeft beschouwd als “wederhoor” van [appellant]. Naar het oordeel van het hof miskent de Gemeente daarmee echter dat [appellant] in deze artikelen slechts reageert op de aantijging dat hij door zijn deelname aan [omroep] het Iraanse bewind ondersteunt en niet (tevens) op een eventueel daarop gebaseerd gemeentelijk voornemen om de samenwerking met hem te beëindigen. Dat kon hij ook niet, nu het besluit om het Financial Contract om deze reden op te zeggen pas daarnà is genomen. In de opzeggingsbrief van 18 augustus 2009 verklaart de Gemeente immers dat zij kennis heeft genomen van de visie van [appellant] op de gang van zaken, zoals neergelegd in de verklaringen van 13 augustus 2009 en het [krantartikel], en dat zij vervolgens pas haar afwegingen heeft gemaakt ter beantwoording van de vraag of het werk van [appellant] bij [omroep] nog te verenigen was met zijn werk voor de Gemeente.

12. De Gemeente heeft voorts aangevoerd dat toen het college van burgemeester en wethouders op dinsdag 18 augustus 2009 besloot om het Financial Contract met [appellant] op te zeggen, daarvóór van de zijde van de Gemeente meerdere keren is geprobeerd contact te krijgen met [appellant] om over de kwestie te praten, maar dat [appellant] onbereikbaar was ofschoon hij wist dat hij gebeld zou (kunnen) worden. De Gemeente heeft dit te bewijzen aangeboden door het doen horen van de heer [betrokkene 2], toenmalig wethouder van [portefeuille], en mevrouw [betrokkene 3], beleidsmedewerker bij de Gemeente. Omdat [appellant] heeft ontkend dat hij in de gelegenheid is geweest om op het voornemen tot beëindiging van de samenwerking met de Gemeente te reageren en voorts heeft weersproken dat hij voor de Gemeente onbereikbaar was ziet het hof aanleiding om de Gemeente tot haar bewijsaanbod toe te laten.

13. In afwachting van de resultaten van de getuigenverhoren zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Het hof verzoekt partijen om ter gelegenheid van de verhoren te verschijnen in persoon ([appellant]) dan wel deugdelijk vertegenwoordigd door een tot het aangaan van een schikking gemachtigde persoon (de Gemeente), zodat mede gelet op de met de onderhavige kwestie samenhangende procedure tussen [appellant] en de [universiteit], het daarin eveneens bevolen getuigenverhoor en de financiële betrokkenheid die de Gemeente ook bij die procedure heeft, na afloop en afhankelijk van (het verloop van) de getuigenverhoren een schikking kan worden beproefd.

Beslissing

Het hof:

- laat de Gemeente toe tot bewijslevering als vermeld in rechtsoverweging 12;

- bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. A.E.A.M. van Waesberghe, op

dinsdag 14 februari 2012 om 13.30 uur;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden februari tot en met april 2012, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, A.E.A.M. van Waesberghe en H.J.H. van Meegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2011

in aanwezigheid van de griffier.