Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BZ4539

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
18-03-2013
Zaaknummer
105.000.105/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na afgebroken onderhandelingen. Gerechtvaardigd vertrouwen in totstandkoming dealerovereenkomst, verstrekken van informatie. Bewijswaardering. Schadebeperkingsplicht, causaal verband tussen afbreken onderhandelingen en tevergeefs gemaakte kosten, gederfde winst. Verklaring voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel Recht

Zaaknummer : 105.000.105/02

Rolnummer (oud) : C97/1011

Rolnummer rechtbank : 95.2655

arrest d.d. 20 september 2011

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. P.A.J.M. Lodestijn te Roermond,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GREENIB CAR B.V.,

gevestigd te Sassenheim,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Greenib,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ´s-Gravenhage.

Het verdere verloop van het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 25 juli 2006, waarbij aan Greenib een bewijsopdracht is gegeven.

Vervolgens zijn getuigenverhoren gehouden op 20 oktober 2006 en 19 januari 2007. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich bij de stukken.

Hierna heeft Greenib een memorie na enquete ingediend, gevolgd door een memorie na enquete aan de zijde van [appellante].

Ten slotte hebben partijen op de rol van 10 mei 2011 de stukken overgelegd en wederom arrest gevraagd. In het procesdossier van [appellante] ontbreken de beide pleitnotities in hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof handhaaft hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenarrest van 25 juli 2006. Bij dat arrest is Greenib toegelaten door alle middelen rechtens te bewijzen dat [appellante] haar bewust onjuist heeft geïnformeerd omtrent de voortgang van het bouwproces en de daarvoor benodigde vergunningen.

2. Getuigenverhoren zijn gehouden op 20 oktober 2006 en 19 januari 2007. Aan de zijde van Greenib zijn gehoord de getuigen [betrokkene 2], directeur van KIA Nederland, en [statutair directeur appellante], statutair directeur van [appellante]. [appellante] heeft afgezien van contra-enquete.

3. Het hof is op grond van de afgelegde getuigenverklaringen, mede bezien in het licht van de overgelegde stukken, van oordeel dat Greenib niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. Dit oordeel berust op de navolgende overwegingen.

4. Uit de beide getuigenverklaringen, in onderling verband beschouwd, valt af te leiden dat [betrokkene 2] en [statutair directeur appellante] in de periode vanaf november 1993 tot aan de ontbinding door Greenib van de intentieverklaring bij brief van 28 maart 1994, onderling contact hebben gehad omtrent het onderhavige bouwproces. Van andere contacten tussen (vertegenwoordigers van) Greenib en [appellante] in de bewuste periode is niet gebleken. Uit de getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [statutair directeur appellante], gelezen in samenhang met de overgelegde stukken, kan naar het oordeel van het hof – anders dan Greenib meent – niet worden afgeleid dat [appellante] Greenib bewust onjuist zou hebben geïnformeerd over de voortgang van het bouwproces en de daarvoor benodigde vergunningen, meer in het bijzonder over (a) het moment van aanvraag van de bouwvergunningen, (b) de noodzaak van een bodemonderzoek, en (c) de noodzaak om asbesthoudende elementen uit het dak van de gebruikte wagenhal te verwijderen. Het hof zal achtereenvolgens op deze aspecten ingaan.

ad a. het moment van aanvraag van de bouwvergunningen

5. Noch uit de verklaring van de getuige [betrokkene 2] noch uit de verklaring van de getuige [statutair directeur appellante] blijkt dat Greenib op enig moment aan [appellante] heeft gevraagd of (en op welk moment) de benodigde bouwvergunningen voor de showroom en de werkplaats waren aangevraagd. Evenmin blijkt dat [appellante] (al dan niet uit eigen beweging) hierover enige specifieke mededeling aan Greenib heeft gedaan. Integendeel, de getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij nooit een concrete vergunningaanvraag of vergunning heeft gezien en dat hij [appellante] niet om een vergunningaanvraag heeft gevraagd. Voorts heeft de getuige [statutair directeur appellante] verklaard dat de voorbereidingen van het bouwproces door een bouwbegeleider werden gecoördineerd, dat hij zich niet heeft bemoeid met de benodigde vergunningen en dat hij daarover ook geen concrete mededelingen heeft gedaan aan [betrokkene 2]. Volgens de getuige [statutair directeur appellante] heeft [betrokkene 2] hem niet gevraagd hoe het zat met de bouwaanvragen. Gelet op dit alles, kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat [appellante] Greenib ten aanzien van het moment van aanvraag van de bouwvergunningen – bewust - onjuist zou hebben geïnformeerd. Het feit dat [betrokkene 2] volgens zijn verklaring uit mededelingen van [statutair directeur appellante] over o.a. de noodzaak van een bodemonderzoek en de vondst van asbest heeft afgeleid dat er een vergunningaanvraag was ingediend, acht het hof niet doorslaggevend. Gesteld noch gebleken is immers dat [appellante] destijds van deze interpretatie van [betrokkene 2] op de hoogte was.

Ook kan uit de mededeling van [statutair directeur appellante] dat hij “geen problemen met de vergunning verwachtte”, niet worden afgeleid dat hij Greenib – bewust – op het verkeerde been heeft gezet omtrent het moment van aanvragen van de benodigde vergunningen. Indien Greenib concrete informatie op dit punt had willen verkrijgen van [appellante], had het in redelijkheid op haar weg gelegen om daarnaar te vragen en niet (uitsluitend dan wel voornamelijk) af te gaan op de eigen interpretatie door [betrokkene 2] van de door [appellante] verstrekte informatie. Dit geldt temeer daar Greenib blijkens de getuigenverklaring van [betrokkene 2] wist dat [appellante] een bouwbegeleider had ingeschakeld. Hierbij is tevens van belang dat - als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist - vast staat dat [appellante] geen ervaring had met bouwprojecten als de onderhavige (waarvoor zij nu juist een bouwbegeleider had ingeschakeld). Uit de beide getuigenverklaringen blijkt bovendien niet dat Greenib aan [appellante] (voldoende duidelijk) kenbaar heeft gemaakt dat het moment van aanvraag van de vergunningen voor Greenib (kennelijk) van doorslaggevend belang was. In dit licht beschouwd, is verder niet van belang wat de (werkelijke) oorzaak van de vertraging was.

Ad b. en c. de noodzaak van een bodemonderzoek en van het verwijderen van asbest

6. Nu Greenib bij memorie na enquete (onder 3.1.1.) heeft gesteld dat haar eerst na het afbreken van de onderhandelingen is gebleken dat [appellante] haar ook op andere punten onjuist had geïnformeerd, zoals omtrent de noodzaak van een bodemonderzoek en de noodzaak om asbesthoudende materialen te verwijderen, behoeven deze onderdelen in feite geen afzonderlijke behandeling. Immers, deze redenen liggen volgens de eigen stellingen van Greenib niet ten grondslag aan haar litigieuze beslissing om de onderhandelingen met [appellante] af te breken. Nog afgezien hiervan, is het hof echter van oordeel dat Greenib evenmin is geslaagd in het bewijs dat [appellante] haar op deze punten bewust onjuist heeft geïnformeerd. In dit verband geldt het navolgende.

7. In de overgelegde gespreksnotities van [betrokkene 2] van 16 november 1993 is vermeld dat de bouwvergunning pas wordt afgegeven zodra de uitslag van een bodemonderzoek bekend is, dat dit onderzoek nog moet worden uitgevoerd en dat dit op z’n minst 6 weken duurt. De getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij hieruit impliciet heeft afgeleid dat er al een bouwvergunning was aangevraagd. De getuige [statutair directeur appellante] heeft echter verklaard dat hij niet meer weet of hij destijds aan [betrokkene 2] heeft medegedeeld dat er een noodzaak tot bodemonderzoek zou bestaan. Ook indien die mededeling (als vervat in de voornoemde gespreksnotities van [betrokkene 2]) wel zou zijn gedaan, staat daarmee naar het oordeel van het hof echter niet vast dat [appellante] bewust onjuiste informatie op dit punt heeft verstrekt aan Greenib. Immers, gesteld noch anderszins gebleken is dat [appellante] (althans [statutair directeur appellante]) bij het doen van die mededeling wist dat er door de gemeente een vrijstelling zou worden verleend op dit punt (als door Greenib bedoeld onder 3.3.3 van de memorie na enquete). Dit is ook overigens niet aannemelijk, daar de getuige [statutair directeur appellante] heeft verklaard dat de noodzaak van het (eventuele) bodemonderzoek in handen was van de door [appellante] ingeschakelde bouwbegeleider.

8. Omtrent de noodzaak van het verwijderen van asbest heeft de getuige [betrokkene 2] (samengevat) het volgende verklaard. Hem is verteld dat het afbreken van de hal voor gebruikte auto’s op enige complicaties stuitte vanwege de aanwezigheid van asbest en dat hierdoor aanvullende kosten moesten worden gemaakt. Op enig moment in deze periode stelde [appellante] de openingsdatum van 1 februari 1994 ter discussie. Er werd een vertraging in de bouwwerkzaamheden voorzien van een maand of vier. In verband hiermee werd de geplande openingsdatum van de nieuwe showroom verschoven naar 1 juni 1994, aldus de getuige [betrokkene 2]. De getuige [statutair directeur appellante] heeft over de noodzaak van het verwijderen van asbest niets verklaard. Ook indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de voormelde verklaringen van de getuige [betrokkene 2], kan daaruit naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat [appellante] (althans [statutair directeur appellante]) Greenib bewust onjuist zou hebben geïnformeerd op dit punt. Op zich is immers niet bestreden dat er asbesthoudend materiaal aanwezig was dat verwijderd moest worden. Voorts zijn geen, dan wel onvoldoende concrete feiten en omstandigheden komen vast te staan waaruit blijkt dat [appellante] (althans [statutair directeur appellante]) bij het doen van de vorenbedoelde mededelingen wist dat het verwijderen van het asbesthoudend materiaal, dat zich bevond in de gebruikte wagens-hal, pas veel later zou plaatsvinden.

9. Ook overigens is het hof op grond van de getuigenverklaringen en de overgelegde stukken van oordeel dat Greenib niet heeft bewezen dat [appellante] haar bewust onjuist heeft geïnformeerd omtrent de voortgang van het bouwproces en de daarvoor benodigde vergunningen. Hetgeen Greenib verder nog heeft aangevoerd in het kader van haar bewijsopdracht, stuit af op al het voorgaande.

10. De stelling van Greenib dat de getuigen door het lange tijdsverloop sinds het begin van de procedure moeilijk de feiten van lang geleden konden herinneren en dat dit niet ten nadele van Greenib mag uitwerken, wordt verworpen. Uit het procesverloop in deze zaak valt naar het oordeel van het hof af te leiden dat ook Greenib zelf niet telkens met de nodige de voortvarendheid heeft geprocedeerd. Zo heeft Greenib bijvoorbeeld circa 10 maanden laten passeren alvorens de memorie van antwoord in te dienen. Daarnaast heeft Greenib niet duidelijk gemaakt dat – en waarom – het voor haar in redelijkheid niet mogelijk was geweest zich eerder van het benodigde bewijs te voorzien, bijvoorbeeld door het entameren van een voorlopig getuigenverhoor. Gelet op de inhoud van de afgelegde, gedetailleerde getuigenverklaringen en het verloop van de verhoren is naar het oordeel van het hof overigens niet gebleken dat de getuigen zich (met name) door het lange tijdsverloop bepaalde essentiële zaken niet meer konden herinneren.

Slotoverwegingen

11. Aangezien Greenib niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, moet er mede op grond van hetgeen is overwogen in het tussenarrest van 25 juli 2006, van uit worden gegaan dat [appellante] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de met Greenib gesloten intentieverklaring na de gereedkoming van de verbouwing van de showroom zou worden omgezet in een volwaardige dealerovereenkomst. Op grond van het gestelde over en weer staat vast dat de showroom gereed is gekomen en dat Greenib de onderhandelingen voordien heeft afgebroken. Het afbreken van de onderhandelingen is naar het oordeel van het hof onaanvaardbaar jegens [appellante] en kan aan Greenib worden toegerekend. Verder is in rov. 11 van het tussenarrest het verweer van Greenib al verworpen dat [appellante] hierdoor in het geheel geen schade zou hebben geleden.

12. Bovendien is het hof van oordeel dat de onderhandelingen tussen partijen al in een zodanig vergevorderd stadium waren dat Greenib jegens [appellante] niet alleen aansprakelijk is voor tevergeefs gemaakte kosten, maar ook voor gederfde winst. Verwezen wordt in dit kader naar hetgeen is overwogen in rov. 10 van genoemd tussenarrest. Hierbij tekent het hof nog het volgende aan. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, is komen vast te staan dat Greenib de onderhandelingen zonder enige voorafgaande waarschuwing heeft afgebroken. Dit laatste valt overigens ook af te leiden uit de inhoud van de voornoemde getuigenverklaringen, in onderling verband beschouwd. De getuige [betrokkene 2] heeft immers niet verklaard dat er enige voorafgaande waarschuwing is geweest en de getuige [statutair directeur appellante] heeft verklaard dat hij toen hij de bedoelde tekeningen aan [betrokkene 2] gaf, daarover geen vragen kreeg en geen signaal kreeg dat Greenib vreesde dat de voortgang van het bouwproces uit de hand zou gaan lopen, en dat hij verbaasd (en teleurgesteld en boos) was toen hij plotseling de schriftelijke opzegging van Greenib ontving. Bovendien heeft de getuige [statutair directeur appellante] (onbetwist) verklaard dat hij van [betrokkene 2] nooit druk heeft ondervonden voor wat betreft de concrete voortgang. Dat daarvan wel sprake zou zijn geweest, blijkt naar het oordeel van het hof overigens (ook) niet uit de getuigenverklaring van [betrokkene 2]. Het hof is dan ook van oordeel dat Greenib de onderhandelingen niet alleen zonder goede grond maar ook zodanig abrupt heeft afgebroken dat [appellante] hierop in het geheel niet heeft kunnen anticiperen. Het hof is, gelet op de ernst van de vorenbedoelde gedragingen van Greenib en de aard van de beoogde duurovereenkomst, het Hyundai dealerschap met (onweersproken) een minimale duur van vijf jaren, van oordeel dat de primair gevorderde termijn van vijf jaar winstderving redelijk en billijk is, te rekenen vanaf 28 maart 1994 (als in hoger beroep gevorderd). [appellante] heeft aan de hand van het overgelegde rapport van [accountant appellante] (productie 19 bij conclusie van repliek) de mogelijkheid van gederfde winst als gevolg van het afbreken van de onderhandelingen voldoende aannemelijk gemaakt. De vraag of en in hoeverre daadwerkelijk sprake is van gederfde winst zal in een (eventuele) volgende procedure met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding moeten worden beantwoord. De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat deze verschuldigd zal zijn vanaf de data waarop de onderscheiden schadebedragen opeisbaar zijn.

13. Ten aanzien van het beroep van Greenib op eigen schuld van [appellante] overweegt het hof het volgende. Het is niet aan [appellante] te wijten dat het niet tot een dealerschap is gekomen, nu Greenib de onderhandelingen ten onrechte en zonder waarschuwing heeft afgebroken. De stelling van Greenib dat het [appellante] valt te verwijten dat zij de door partijen beoogde bedrijfshal, waarvoor al de nodige voorbereidingen waren getroffen en kosten waren gemaakt, nog heeft gebouwd nadat Greenib de onderhandelingen al had afgebroken, dient te worden behandeld in het kader van een schadestaatprocedure nu deze stelling betrekking heeft op de causaliteit en derhalve op de omvang van de schade.

Het beroep van Greenib op de schadebeperkingsplicht in die zin dat [appellante] het dealerschap van een ander automerk had kunnen verkrijgen (conclusie van antwoord onder 26) wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Greenib heeft namelijk in het geheel niet geadstrueerd dat het voor [appellante] feitelijk mogelijk was geweest andere automerken dan Hyundai “binnen te halen”.

14. De omvang van de schade veroorzaakt door het afbreken van de onderhandelingen komt in deze procedure verder niet aan de orde, nu slechts een verklaring voor recht is gevorderd. Dit alles leidt ertoe dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat de door [appellante] gevorderde verklaring voor recht alsnog zal worden toegewezen op de wijze als vermeld in het dictum. Greenib zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van beide instanties. De verklaring voor recht leent zich naar haar aard niet voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zodat de vordering van [appellante] op dit punt zal worden afgewezen.

Beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat Greenib aan [appellante] moet vergoeden de door [appellante] als gevolg van het afbreken van de onderhandelingen geleden schade, bestaande uit de door [appellante] in verband met het Hyundai dealerschap tevergeefs gemaakte kosten, alsmede de door [appellante] sedert 28 maart 1994 gederfde winst voor de duur van vijf jaren, vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf de data waarop de onderscheiden schadebedragen opeisbaar zijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt Greenib in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot op heden begroot op € 191,60 aan verschotten en € 2.034,- aan salaris advocaat;

- veroordeelt Greenib in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden begroot op € 249,81 aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de voornoemde proceskostenveroordelingen;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, P.M. Verbeek en J.J. Roos, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2011 in aanwezigheid van de griffier.