Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BW9356

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
200.075.018.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Huwelijksgoederenregime wordt beheerst door Turks recht. Regime van de verwervingsdeelneming is van toepassing. Beroep op overspel op grond van artikel 236 TBW slaagt niet: huwelijk is op grond van het Nederlandse recht ontbonden op grond van een duurzame ontwrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 1 juni 2011

Zaaknummer : 200.075.018.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-10208

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Lindhout te ‘s-Gravenhage,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. F. Yildiz te ‘s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 1 oktober 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 juli 2010 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De man heeft op 9 november 2010 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van vrouw:

- op 18 oktober 2010 een brief van15 oktober 2010 met bijlagen.

De zaak is op 15 april 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

De advocaat van de vrouw heeft pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - de verdeling van de mede-eigendom en de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime naar Turks recht als volgt vastgesteld:

- aan de vrouw wordt toebedeeld de echtelijke woning te [adres]

- op de vrouw rust de verplichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen de op de echtelijke woning rustende hypothecaire geldleningen bij ASR;

- de vrouw moet zich inspannen om de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire geldlening;

- de vrouw draagt de kosten van de notaris welke gemoeid zijn met de eigendomsoverdracht van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw;

- ieder der partijen is gehouden de helft te dragen van de kosten welke mogelijk zijn gemoeid met het ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening;

- de man moet wegens vereffening van de netto verwervingen een bedrag van € 6.565,25 aan de vrouw voldoen.

Voorts is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de aan partijen in gemeenschap toebehorende woning in [woonplaats], alsmede de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de verdeling van de mede-eigendom en de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime naar Turks recht als volgt vast te stellen:

- aan de vrouw wordt toebedeeld de echtelijke woning te [adres]

- op de vrouw rust de verplichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen de met de echtelijke woning verbonden hypothecaire schuld;

- de kosten van de notaris welke zijn gemoeid met de eigendomsoverdracht van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw worden door de man voldaan;

- de man dient aan de vrouw te voldoen wegens vereffening van de netto verwervingen het gehele bedrag van deze netto verwervingen, zonder nadere verrekening;

- het aandeel van de man in de netto verwervingen wordt opgeheven.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt het beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Toepasselijk recht

4. Door de rechtbank is beslist dat het huwelijksgoederenregime van partijen wordt beheerst door Turks recht. Partijen hebben tegen deze beslissing geen grond aangevoerd. Het hof zal derhalve bij de beoordeling van het verzoek het Turks huwelijksvermogensrecht toepassen, zoals dat door de rechtbank is uitgewerkt in haar beschikking van 11 december 2009.

Overspel

5. De vrouw stelt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte niet heeft aangenomen dat de oorzaak van het beëindigen van het huwelijk het overspel van de man is geweest. De man heeft ten tijde van het huwelijk aan de vrouw opgebiecht dat hij al gedurende een jaar een relatie had met de vrouw met wie de man thans samenwoont en een kind heeft. Nu sprake is van overspel dient aan de vrouw de echtelijke woning en de daarmee verbonden hypothecaire geldlening, alsmede de woning in Turkije en de inboedel aan de vrouw te worden toebedeeld zonder nadere verrekening met de man.

6. De man stelt dat hij de vrouw in 2005 heeft verlaten en dat partijen vanaf deze datum feitelijk gescheiden hebben geleefd. De reden voor de breuk tussen partijen was een zeer verstoorde verhouding en communicatie. Pas in 2007 is de man een relatie aangegaan met zijn nieuwe partner. Gelet op het vorenstaande kan door de vrouw geen beroep worden gedaan op artikel 236 Turks Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW).

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 236 TBW heeft iedere echtgenoot recht op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van diens verwervingen. Indien echter het huwelijk wegens overspel wordt beëindigd, kan de rechter naar billijkheid beslissen tot vermindering of opheffing van het aandeel van de schuldige echtgenoot in de nettowaarde.

8. Nu het hier gaat om een bepaling die gevolgen van het huwelijk regelt, zal het hof die kwalificeren als van huwelijksvermogensrechtelijke aard. Dat betekent dat deze bepaling in beginsel te dezen toepasselijk is.

9. Het hof stelt vast dat het huwelijk van partijen is ontbonden met toepassing van het Nederlandse recht. Naar Nederlands recht wordt op verzoek van één der echtgenoten de echtscheiding uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Door de rechtbank is bij beschikking van 11 december 2009 de echtscheiding uitgesproken op grond van een duurzame ontwrichting. De vrouw is tegen deze beslissing niet in beroep gekomen, waardoor de echtscheidingsgrond - duurzame ontwrichting - in rechte is komen vast te staan. Aan het in artikel 236 lid 3 TBW gestelde vereiste van ‘overspel’, is derhalve niet voldaan, zodat die bepaling reeds op die grond niet zal kunnen leiden tot het door de vrouw beoogde gevolg, te weten het opheffen van het aandeel van de man in de netto verwervingen. Ten overvloede overweegt het hof nog dat het daarmee niet toekomt aan de vraag of toepassing van artikel 236 lid 3 TBW, indien wèl aan dit vereiste zou zijn voldaan, in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde.

10. Dit leidt ertoe dat de grief van de vrouw faalt en haar verzoek om het aandeel van de man in de netto verwervingen op te heffen zal worden afgewezen.

Scheiding persoonlijk vermogen en verwervingen

Echtelijke woning en notariskosten

11. De vrouw verzoekt de echtelijke woning aan haar toe te delen onder de verplichting om voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen de met de echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening. De man heeft tegen dit verzoek van de vrouw geen verweer gevoerd. De rechtbank heeft overeenkomstig het verzoek van de vrouw besloten, zodat het hof de bestreden beschikking te dienaangaande zal bekrachtigen. Slechts in geschil is het dragen van de kosten van de notaris welke zijn gemoeid met de eigendomsoverdracht van de echtelijke woning. Naar het oordeel van het hof is het redelijk dat de kosten ter zake van de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime door partijen gelijkelijk worden gedragen. De werkzaamheden terzake van de notaris zijn immers in belang van beide partijen.

Vennootschap onder firma

12. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte de vennootschap onder firma ‘[naam bedrijf]’ als verwerving heeft aangemerkt. De vennootschap onder firma behoort tot het persoonlijk vermogen van de man, zodat de schuld van de vennootschap als een persoonlijke schuld van de man dient te worden aangemerkt en derhalve niet in mindering dient te worden gebracht op de nettowaarde van de verwervingen.

13. De man stelt dat de (naar het hof begrijpt: het aandeel van de man in de) vennootschap onder firma op 1 januari 2002 als persoonlijk vermogen van de man kan worden aangemerkt, maar stelt dat het uit de vennootschap onder firma voortvloeiende vermogen na 1 januari 2002 als verwerving dient te worden aangemerkt. Aangezien het vermogen van de vennootschap onder firma fluctueert kan dit niet als een vast vermogensbestanddeel worden aangemerkt. Het standpunt van de vrouw om aan de man enkel de negatieve bedragen toe te rekenen is onredelijk en onwettelijk, zodat de man wenst uit te gaan van het wettelijk kader van een ‘verdeling bij helfte’.

14. Het hof overweegt als volgt. Artikel 219 TBW bepaalt dat verwervingen vermogensbestanddelen zijn, die iedere echtgenoot gedurende het regime van de verwervingsdeelneming onder bezwarende titel heeft verkregen. Artikel 220 TBW bepaalt dat tot het persoonlijk vermogen behoren de vermogensbestanddelen die bij aanvang van het huwelijksgoederenregime aan een van de echtgenoten toebehoren.

15. Tussen partijen staat onbestreden vast dat ten tijde van de wijziging in het Turkse recht van overgang van het wettelijke stelsel van een scheiding van goederen naar het stelsel van de verwervingsdeelneming per 1 januari 2002, het aandeel in de voormelde vennootschap onder firma behoorde tot het privévermogen van de man. Aangezien het vermogen van de vennootschap onder firma van wisselende samenstelling is, is het hof met de man van oordeel dat de wijzigingen in het aandeel van de man in de vennootschap onder firma met ingang van 1 januari 2002 als verwervingen moeten worden aangemerkt. In dit geval kan echter niet worden vastgesteld welk deel van het vennootschapsvermogen is verworven vóór, dan wel met ingang van 1 januari 2002. Het had op de weg van de man gelegen aan te tonen wat de stand van het vermogen was op 1 januari 2002 en welke wijzigingen daarin nadien hebben plaatsgevonden. Nu de man geen stukken hiertoe heeft overgelegd en ter zitting heeft gesteld niet over jaarstukken te beschikken, gaat het hof - bij gebreke van nadere gegevens omtrent de samenstelling van het vennootschapsvermogen - er vanuit dat het gehele aandeel van de man in het vermogen van de vennootschap onder firma als persoonlijk vermogen van de man dient te worden aangemerkt. Dit leidt ertoe dat het aandeel van de man in het vennootschapsvermogen niet voor verrekening met de vrouw in aanmerking komt.

Inboedel

16. De vrouw stelt dat de rechtbank ten aanzien van de inboedelgoederen een verrassingsbeslissing heeft genomen door uit eigener beweging over te gaan tot het vaststellen van de waarde van de inboedel en de helft van deze waarde aan de man toe te delen. De vrouw stelt dat haar aandeel van de inboedel een waarde heeft van € 358,-. De inboedel die de man in zijn bezit heeft, behelst een waarde van € 3.000,-.

17. De man betwist dat sprake is geweest van een verrassingsbeslissing ten aanzien van de waardering van de inboedel van partijen. De schatting van de rechtbank is reëel en komt overeen met de waarde van standaard gezin. De stelling van de vrouw dat haar aandeel van de inboedel slechts een waarde vertegenwoordigt van € 358,- is ongeloofwaardig. Ten aanzien van de inboedelgoederen die de man in zijn bezit heeft, stelt hij dat deze een waarde van € 150,- vertegenwoordigen.

18. Het hof overweegt als volgt. Nu partijen beiden de omvang en de waarde van de inboedel niet hebben gespecificeerd en onderbouwd, stelt het hof in goede justitie als verdeling vast dat partijen zonder nadere verrekening behouden die inboedelgoederen die zij feitelijk in hun bezit hebben.

Vaststellen van de verwervingen en deelgenootschapsvorderingen

19. De waardering van de verwervingen zijn niet in geschil, zodat het hof uit zal gaan van de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde bedragen. De verwervingen en deelschapsvorderingen kunnen als volgt worden vastgesteld.

Verwervingen man:

Helft overwaarde echtelijke woning: € 16.750,-

Waarde woning in Turkije: € 24.000,-

€ 40.750,-

Verwervingen vrouw:

Helft overwaarde echtelijke woning: € 16.750,-

Deelgenootschapsvorderingen

Deelgenootschapsvorderingen van de vrouw op de man: ½ x € 40.750,- = € 20.375,-

Deelgenootschapsvorderingen van de man op de vrouw: ½ x € 16.750,- = € 8.375,-

€ 12.000,-

20. Het voorgaande leidt ertoe dat de man ter zake van de vereffening aan de vrouw is verschuldigd een bedrag van € 12.000,-.

21. Op grond van het vorenoverwogene zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de notariskosten voortvloeiend uit de eigendomsoverdracht van de echtelijke woning tussen partijen gelijkelijk zullen worden gedragen;

bepaalt dat het aandeel van de man in het vermogen van de vennootschap onder firma wordt aangemerkt als persoonlijk vermogen van de man;

stelt de verdeling van de inboedelgoederen vast aldus dat aan de man wordt toegedeeld de inboedel die hij feitelijk onder zich heeft zonder nadere verrekening met de vrouw en dat

aan de vrouw wordt toegedeeld de inboedel die zij feitelijk onder zich heeft zonder nadere verrekening met de man;

veroordeelt de man wegens vereffening van de verwervingen aan de vrouw een bedrag te voldoen van € 12.000,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Stollenwerck en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2011.