Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BW0959

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
22-003234-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft opzettelijk gehandeld in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, namelijk hij heeft wederrechtelelijk voordeel gekregen uit hennepkwekerij.

Het Hof legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.600,- (drieduizend zeshonderd euro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003234-11 PO

Parketnummer: 10-662093-07

Datum uitspraak: 25 november 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2007 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1944,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Procesgang

Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 25 november 2011 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, onder meer ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

De aanvankelijke vordering van het openbaar ministerie hield -na wijziging ter terechtzitting in eerste aanleg- in dat aan de veroordeelde de verplichting zou worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 22.918,70,-, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak onder 1 bewezen verklaarde feit.

De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 2 oktober 2007 het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 29.870,80 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 29 juni 2009 heeft dit gerechtshof het vonnis van de rechtbank vernietigd en het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 35.020,80 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

De veroordeelde heeft tegen het arrest beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 28 juni 2011 heeft de Hoge Raad voornoemd arrest vernietigd en de zaak naar dit hof teruggewezen teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. De Hoge Raad heeft daartoe overwogen dat het hof in zijn arrest van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging is afgeweken, terwijl het hof -in strijd met artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering- niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.

Onderzoek van de zaak

De onderhavige beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering in hoger beroep

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal worden vastgesteld op een bedrag van € 35.020,80,-, en dat aan de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag zal worden opgelegd.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de vordering

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk voordeel verkregen door middel van of uit baten van het in zijn strafzaak onder 1 bewezen verklaarde feit.

Bewijsvoering

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Vaststelling van de betalingsverplichting

Het hof gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de verklaring van de veroordeelde zoals afgelegd tegenover de politie, van het proces-verbaal voordeelberekening van de politie Rotterdam-Rijnmond, d.d. 11 januari 2006, en van de standaardnormen zoals die in de wetenschap zijn ontwikkeld.

Nu de veroordeelde tegenover de politie opening van zaken heeft gegeven omtrent het aantal oogsten en de door hem verkregen opbrengsten (en de uit de verklaring van de veroordeelde af te leiden verkoopprijs ongeveer overeenkomt met de standaardnorm),zal het hof uitgaan van de opgave van verdachte in diens verklaring. Het hof ziet geen reden om bij de berekening van de opbrengsten uit te gaan van de standaardnormen. Het hof neemt derhalve voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel twee oogsten met een gemiddelde opbrengst van € 3.250,- per oogst als uitgangspunt.

Het hof gaat op grond van de door de politie in de kwekerij aangetroffen hoeveelheid planten uit van een hoeveelheid van 284 planten per oogst, hetgeen ongeveer overeenkomt met de verklaring van de veroordeelde inhoudende dat hij iets van 250 plantjes had staan.

Overeenkomstig het proces-verbaal voordeelberekening stelt het hof de directe kosten vast op een bedrag van € 4,40 per plant, hetgeen bij een hoeveelheid van 284 planten per oogst resulteert in een totaalbedrag van € 1.249,60 per oogst.

Ten aanzien van de elektriciteitskosten overweegt het hof dat deze kosten thans niet voor aftrek in aanmerking komen nu deze kosten niet daadwerkelijk door de veroordeelde zijn betaald en de benadeelde partij bij arrest van 25 november 2011 niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering tot vergoeding van die kosten. Ten overvloede wijst het hof erop dat de veroordeelde

-overeenkomstig het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering- de rechter kan verzoeken het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat te matigen wanneer de elektriciteitskosten alsnog (aan de benadeelde partij) worden betaald.

Overeenkomstig de standaardnormen zoals die in de wetenschap zijn ontwikkeld en in navolging van de advocaat-generaal zal het hof in verband met de door de veroordeelde gemaakte investeringskosten € 200,- aan afschrijvingskosten per oogst in mindering brengen. De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep -overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotitie- op het standpunt gesteld dat het gehele investeringsbedrag ad € 9.000,- op de bruto opbrengst in mindering dient te worden gebracht. Het hof stelt vast dat voormeld bedrag niet in verband is te brengen met een hennepkwekerij van een omvang als bij de verdachte is aangetroffen, dat is van ongeveer 284 planten. Het hof zal uitgaan van de norminvesteringskosten voor een kwekerij van 200-300 planten van € 4.000,--. Voorts wordt niet dit gehele bedrag in mindering gebracht op de bruto opbrengst omdat, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal, naar oordeel van het hof niet alle investeringskosten in directe relatie staan tot het plegen van het onder 1 bewezen verklaarde delict. Deze kosten zijn door veroordeelde gemaakt ter zake van productiemiddelen waarmee meerdere oogsten zouden kunnen worden gerealiseerd. De omstandigheid dat de veroordeelde die door hem gestelde investering - waarvan de gestelde hoogte naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk is gemaakt - vanwege de ontmanteling van de hennepkwekerij niet (geheel) heeft kunnen terugverdienen, maakt dit naar oordeel van het hof niet anders.

Het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat bedraagt gelet op het voorgaande:

Opbrengst per oogst: € 3.250,-

Kosten per oogst: 1.449,60

Wederrechtelijk verkregen voordeel per oogst: € 1.800,40

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: € 3.600,80

Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat mitsdien vast op € 3.600,- (drieduizend zeshonderd euro).

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de veroordeelde voorts aangevoerd dat hij niet over voldoende draagkracht beschikt -dan wel in de toekomst zal beschikken- om aan een eventuele betalingsverplichting ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel te kunnen voldoen. Naar het oordeel van het hof is evenwel -ondanks de leeftijd van de veroordeelde en mede gelet op de hoogte van het te betalen bedrag- niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde in de toekomst niet een zodanig inkomen zal kunnen genieten dat zijn redelijkerwijs te verwachten draagkracht ontoereikend zal zijn om het bovengenoemde bedrag te betalen. Het hof verwerpt dit verweer dan ook en zal de veroordeelde de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 3.600,- (drieduizend zeshonderd euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.600,- (drieduizend zeshonderd euro).

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. G.J.W. van Oven en mr. A.M. Zwaneveld, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 november 2011.

Mr. A.M. Zwaneveld is buiten staat dit arrest te ondertekenen.