Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV9991

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
200.093.363-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag van instantie niet verleend. Rolverwijzing voor betalen griffierecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.093.363/01

Zaak/rolnummer rechtbank : 1132061 \ CV EXPL 10-39585

arrest d.d. 6 december 2011

inzake

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. ing B.J. den Hartog te Amsterdam,

tegen

D-Reizen B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Hoofddorp,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn te 's-Gravenhage.

Het geding

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam van 27 mei 2011.

Appellante heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen.

Appellante heeft de zaak aangebracht. Voor appellante heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen.

De zaak is op 6 september 2011 aangehouden tot de rol van 4 oktober 2011 voor: Afwachten griffierecht appellante + overleggen dagvaarding 1e aanleg.

Appellante heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald.

In verband met het achterwege blijven van betaling van het griffierecht heeft het hof op 11 oktober 2011 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier.

Op 17 oktober 2011 is een faxbrief van de advocaat van appellante van 17 oktober 2011 met bijlage bij het hof binnengekomen. Op 27 oktober 2011 heeft de advocaat van appellante nog een fax naar het hof gezonden. Op 1 november 2011 heeft de advocaat van appellante een mail met bijlagen naar de secretaresse van de president van dit gerechtshof gezonden.

De motivering van de beslissing

De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 6 september 2011. Volgens art. 3 lid 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet appellante ervoor zorgen dat binnen vier weken na 6 september 2011, dus uiterlijk 4 oktober 2011, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof. Appellante heeft niet tijdig betaald.

Appellante voert het volgende aan. De zaak is vanwege de bekende onvolkomenheden met het elektronisch roljournaal in die periode zonder H-formulier aangebracht tegen 1 september 2011. De advocaat van appellante is op geen enkele manier door het hof na aanbrengen van de dagvaarding ingelicht. Hem heeft noch een factuur in verband met griffierechten, noch een ander bericht bereikt. Hij heeft zojuist per telefoon het zaaknummer vernomen en gehoord dat de zaak voor arrest staat op 6 december as. Er lijkt hem sprake te zijn van een vergissing. Hij verzoekt, omdat hij in het geheel niet is ingelicht, alsnog van memorie van grieven te mogen dienen, de toevoeging te mogen overleggen en al datgene te doen wat noodzakelijk is om de procedure op gewone wijze in gang te zetten.

Het hof overweegt het volgende. Partijen worden in hoger beroep in alle gevallen vertegenwoordigd door een advocaat. Deze moet op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in hoger beroep zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn bijgeschreven op de rekening van het hof en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding van de termijn daarvan. Volgens de administratie van FEZ is de nota voor het betalen van griffierecht op 9 september 2011 verzonden naar de postbus van het kantoor van de advocaat van appellante. Voor de vraag vóór wanneer appellante het griffierecht moest betalen, is niet relevant of de advocaat van appellante de nota wel of niet heeft ontvangen. Het antwoord op die vraag volgt namelijk uit de Wgbz: dat is uiterlijk vier weken na de eerste roldag.

In de periode dat het roljournaal vanwege de problemen met Diginotar buiten werking was, was de advocaat enigszins belemmerd om te weten te komen of de zaak die hij naar het hof had gestuurd voor aanbrengen, daadwerkelijk was aangebracht en dat de termijn waarbinnen het griffierecht moest zijn bijgeschreven was gaan lopen. Weliswaar had de advocaat, zeker bij het niet ontvangen van een nota, kunnen bellen met de griffie van het hof om het zaaknummer te weten te komen en dat bij de betaling te vermelden zoals talloze advocaten die nieuwe zaken aanbrachten, in die periode hebben gedaan, maar het feit dat de advocaat van appellante door het niet in werking zijn van roljournaal, waar de advocaat niets aan kon doen, enigszins belemmerd is geweest informatie te krijgen over het aanbrengen van de zaak, is voor het hof reden om de hardheidsclausule van art. 427a lid 3 Rv. toe te passen. Het hof zal appellante nog een week extra geven om het griffierecht, voor zover dat nog niet is betaald, te betalen in die zin dat het griffierecht uiterlijk op 13 december 2011 moet zijn bijgeschreven op de rekening van het hof. Als het griffierecht uiterlijk op 13 december 2011 is bijgeschreven op de rekening van het hof, zal worden voortgeprocedeerd. Als het griffierecht niet op 13 december 2011 is bijgeschreven op de rekening van het hof, zal het hof geïntimeerde ontslaan van instantie en appellante in de kosten van het haar hoger beroep veroordelen.

Het hof zal de behandeling aanhouden tot de rol van 20 december 2011 voor controle of het griffierecht uiterlijk 13 december 2011 is bijgeschreven op de rekening van het hof.

De beslissing

Het hof:

- stelt appellante in de gelegenheid ervoor zorg te dragen dat het griffierecht uiterlijk 13 december 2011 is bijgeschreven op de rekening van het hof;

- verwijst de zaak naar de rol van 20 december 2011 voor controle of het door appellante verschuldigde griffierecht uiterlijk op 13 december 2011 is bijgeschreven op de rekening van het hof.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 december 2011.