Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV9990

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
200.094.504-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag van instantie niet verleend. Rolverwijzing Memorie van Grieven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.094.504/01

Zaak/rolnummer rechtbank : 110661 / HAZA 98-3784

arrest d.d. 29 november 2011

inzake

1.[Naam],

wonende te [Woonplaats],

2. […] B.V.,

gevestigd te […],

appellanten,

advocaat: mr. E.M. van Buijs-Bemmel te Krimpen aan den IJssel,

tegen

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal.

Het geding

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen partijen gewezen vonnissen van de Rechtbank Rotterdam van 29 december 2004 en 23 maart 2011.

Appellanten hebben tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnissen en hebben geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen.

Appellanten hebben de zaak aangebracht. Voor appellanten heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen.

De zaak is op 27 september 2011 aangehouden tot de rol van 25 oktober 2011 voor: Afwachten griffierecht partijen.

Appellanten hebben niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald.

In verband met het achterwege blijven van betaling van het griffierecht heeft het hof op 1 november 2011 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier.

Op 3 november 2011 is een fax van de advocaat van appellanten bij het hof binnengekomen met als bijlagen een H16 -formulier en een nota d.d. 4 oktober 2011 met een stempel dat de nota ontvangen is op 17 oktober 2011.

Op 4 november 2011 is een fax van de advocaat van appellanten bij het hof binnengekomen.

De motivering van de beslissing

De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 27 september 2011. Volgens art. 3 lid 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moeten appellanten ervoor zorgen dat binnen vier weken na 27 september 2011, dus uiterlijk 25 oktober 2011, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof. Het verschuldigde griffierecht is op 26 oktober 2011 bijgeschreven op de rekening van het hof. Dit is dus 1 dag te laat.

Appellanten voeren het volgende aan. De factuur tot betaling van het griffierecht dateert van 4 oktober 2011, maar is op het kantoor van de advocaat van appellanten pas op 17 oktober 2011 ontvangen. Er bleef slechts een betalingstermijn over van zeven dagen. De advocaat heeft de factuur ter betaling afgegeven, maar zag dat de betaling pas op 26 oktober 2011 is afgeschreven, een dag later dan de gestelde uiterlijke betalingstermijn. De advocaat van appellanten verzoekt om enige coulance te betrachten ondanks de formeel te late betaling maar feitelijk korte overschrijding. Dit verzoek doet de advocaat van appellanten ook in verband met het feit dat er door de Rechtbank Rotterdam door het overlijden van een van de procespartijen de procedure is gesplitst in twee aparte procedures in welke ook twee vonnissen zijn gewezen. Tegen het eerste vonnis is reeds appel ingesteld. Die zaak is reeds bij het hof aanhangig. De bedoeling was voeging met die procedure te vragen. In eerste instantie was er ook sprake van een hoofdelijke aansprakelijkheid en door de splitsing is deze hoofdelijkheid ook min of meer in het luchtledige komen te hangen.

Het hof overweegt het volgende. Partijen worden in hoger beroep in alle gevallen vertegenwoordigd door een advocaat. Deze moet op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in hoger beroep zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn bijgeschreven op de rekening van het hof en op de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding van de termijn daarvan.

Het is het hof bekend dat FEZ de verzending van nota's terzake griffierechten in burgerlijke zaken sinds begin oktober 2011 heeft uitbesteed aan Post.nl. Aan deze uitbesteding aan Post.nl is inmiddels een einde gekomen. Post.nl moest de nota's sorteren naar E-billing-klanten en niet E-billing-klanten en vervolgens de griffienota's voor de E-billing-klanten uitprinten en verzenden. Het is het hof bekend dat er bij de verzending van de papieren nota's door Post.nl het een en ander is misgegaan. Niet uitgesloten is dan ook dat de nota d.d. 4 oktober 2011 in deze zaak te laat verzonden is. Hierdoor is de termijn tussen de datum van ontvangst van de nota en de dag waarop de betaling binnen moest zijn, verkort zonder dat dit aan de advocaat van appellanten te wijten is. De overschrijding van de betalingstermijn is slechts één dag.

Het hof ziet in het bovenstaande aanleiding om art. 127a lid 3 Rv. toe te passen. Naar het oordeel van het hof leidt toepassing van art. 127a lid 2 Rv. in, gelet op het belang van partijen bij toegang tot de rechter, tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol van 10 januari 2012 voor een (eerste) termijn voor

appellanten om een memorie van grieven te nemen.

De beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 10 januari 2012 voor een (eerste) termijn voor appellante om een memorie van grieven te nemen.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 november 2011.