Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV8990

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
22-005037-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere gekwalificeerde diefstallen, waarvan een aantal gepleegd met geweld en/of bedreiging met geweld. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen jegens zijn voormalige vriendin.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren. Daarnaast stelt ze als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd onder het toezicht van GGZ Inforsa reclassering te Amsterdam zal bevinden. Verder wordt de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005037-10

Parketnummers: 12-700049-08 en 12-707823-08

Datum uitspraak: 18 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 12 november 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Lelystad te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 augustus 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 7 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland. Voorts is beslist omdat de inbeslaggenomen voorwerpen en de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 22 juli 2009 het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 7 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 28 september 2010 voormeld arrest vernietigd voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tot en met 5 tenlastegelegde en de strafoplegging en heeft de zaak naar dit gerechtshof teruggewezen teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Omvang van de zaak

Gelet op voormelde procesgang is, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 28 september 2010, de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het onder 2 tot en met 5 tenlastegelegde en de strafoplegging. Het onder 1, 6 en 7 tenlastegelegde is voor wat betreft de bewezenverklaring door de Hoge Raad in stand gelaten en mitsdien niet meer aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 09 november 2007 te Goes met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld ten bedrage van ongeveer 30 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en/of

[benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die [benadeelde partij 1] mondeling dreigde haar iets te zullen aandoen en/of die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] (pepper)spray in het gezicht heeft gespoten;

3.

hij op of omstreeks 14 december 2007 te Goes met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf het parkeerterrein van het Oosterscheldeziekenhuis heeft weggenomen een personenauto (Ford Escort), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.

hij op of omstreeks 01 december 2007 te Goes tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij op of omstreeks 01 december 2007 te Goes en/of te Middelburg, in elk geval in het arrondissement Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of (telkens) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak feit 3

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde van oordeel dat - gelet op de zich in het dossier bevindende stukken en het overige verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep - onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat de verdachte de auto heeft weggenomen.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte van dit feit behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feiten 2, 4 en 5

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 09 november 2007 te Goes met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld ten bedrage van ongeveer 30 euro, toebehorende aan [benadeelde partij 1], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, die [benadeelde partij 1] mondeling dreigde haar iets te zullen aandoen en die [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (pepper)spray in het gezicht heeft gespoten;

4.

hij op 01 december 2007 te Goes tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas, toebehorende aan [benadeelde partij 5];

5.

hij op 01 december 2007 te Goes en te Middelburg,tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen telkens een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde partij 5], waarbij verdachte en zijn mededader telkens het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd - kort en zakelijk weergegeven - dat de verklaringen van de getuige [getuige] onbetrouwbaar zijn, omdat de getuige wrok tegen de verdachte koestert daar zij zijn ex-partner is, zij met agressie- en gedragsproblemen kampt en een borderlinestoornis heeft en omdat zij er als medeverdachte belang bij heeft de verdachte te belasten en zichzelf in de slachtofferrol te plaatsen. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in de verklaringen van de getuige [getuige] aanwijsbare tegenstrijdigheden voorkomen. Ter adstructie van haar betoog heeft de raadsvrouw een aantal e-mails van de getuige [getuige], die aan de verdachte en zijn vriendin zijn gericht, aan het hof overgelegd, teneinde een beeld van de persoon van de getuige te schetsen. Deze e-mails dateren evenwel uit augustus en december 2010, terwijl de onderhavige feiten zijn gepleegd in november en december 2007 en de verklaringen van [getuige] terzake eveneens van voor 2010 dateren. Bij de bespreking van de door de raadsvrouw gevoerde verweren zal het hof de inhoud van de genoemde mails daarom buiten beschouwing laten.

De raadsvrouw heeft vervolgens per feit verweer gevoerd, welke verweren het hof hieronder zal bespreken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er, buiten de verklaring van de getuige [getuige], onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is waaruit betrokkenheid van de verdachte bij het onder 2 tenlastegelegde kan worden afgeleid, zodat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw naar voren gebracht - kort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte niet past in de door getuigen gegeven signalementen en dat de resultaten van het forensisch onderzoek naar de mening van de verdediging niet de benodigde overtuiging opleveren voor de conclusie dat de verdachte bij het onder 2 tenlastegelegde betrokken is geweest.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De getuige [getuige] heeft over het onder 2 tenlastegelegde een zeer gedetailleerde verklaring afgelegd. Zij heeft onder meer verklaard dat de verdachte haar op de dag van de overval belde, dat ze elkaar ontmoetten in een coffeeshop op de Grote Markt te Goes - hetgeen ook door de verdachte is verklaard -, dat de verdachte iets had gedaan en dat ze met de verdachte van kleding moest wisselen. De getuige heeft voorts verklaard - zakelijk weergegeven - dat de verdachte haar later heeft verteld dat hij een sigarenzaak had overvallen, dat hij pepperspray had gebruikt en dat hij de pepperspray later op straat bij de sigarenzaak had weggegooid en dat hij voor de overval gebruik had gemaakt van de fiets van de getuige [getuige], zijnde een blauwe damesfiets.

Deze verklaring vindt steun in andere bewijsmiddelen, te weten in de verklaring van de getuige [getuige 2] dat de overvaller hem met een spray in het gezicht heeft gespoten, in de verklaring van de getuige [getuige 3] dat de overvaller haar ook met (pepper)spray bespoot en met een fiets wegvluchtte, en in de verklaring van de getuige [getuige 4], die enige tijd achter de overvaller is aangerend en zag dat de man wegvluchtte op een groenkleurige damesfiets, alsmede dat de man op het moment dat hij de fiets pakte handschoenen en een busje pepperspray liet vallen.

Dat de getuige [getuige 4] een andere kleur van de fiets noemt dan de getuige [getuige 1] doet niet af aan de ondersteunende waarde van deze verklaring. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat kleuren verschillend kunnen worden waargenomen en groen en blauw zijn in dat geval kleuren die dicht bij elkaar kunnen liggen. Het is dus heel goed mogelijk dat de getuigen [getuige 4] en [getuige 1] de kleur van de fiets verschillend hebben geïnterpreteerd. Wel spreken beide getuigen over een damesfiets.

De verklaring van de getuige [getuige 1] vindt voorts steun in de resultaten van het door het NFI verrichte onderzoek, waarbij DNA-materiaal van de verdachte op het door de getuige [getuige 4] meegenomen busje traangas en één van de handschoenen is aangetroffen.

Vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maken de door de getuige [getuige 1] ten aanzien van feit 2 afgelegde verklaring naar het oordeel van het hof betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er, buiten de verklaring van de getuige [getuige 1], evenmin voldoende wettig en overtuigend bewijs is waaruit blijkt dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van deze feiten, zodat de verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw naar voren gebracht - kort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte weliswaar heeft verklaard dat hij aanwezig was bij het kopen van kleding met de gestolen bankpas, maar dat hij er niet van op de hoogte was dat deze pas van diefstal afkomstig was. Uit de verklaring van de benadeelde [benadeelde partij 5] blijkt ook niet dat de verdachte bij de diefstal van de pas betrokken was en de verdediging acht de verklaring van de getuige [getuige 5] onbetrouwbaar.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[getuige 1] heeft ten aanzien van de feiten 4 en 5 bij de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd waarbij zij ook zichzelf heeft belast. Tijdens haar verhoor door de rechter-commissaris op 16 oktober 2008 heeft [getuige 1] die verklaring herhaald en tevens verklaard dat zij tegenover de politie de waarheid heeft verklaard.

De verklaring van [getuige 1] vindt steun in hetgeen door de getuige [getuige 5] is verklaard.

Op 15 februari 2008 heeft hij in het huis van bewaring te Middelburg verklaard dat hij van een Marokkaanse medegedetineerde heeft vernomen - zakelijk weergegeven - dat deze medegedetineerde een oude vrouw van haar pinpas beroofd zou hebben door middel van een verwisseltruc, dat hij met haar pinpas heeft gepind en € 3.800,- van haar rekening heeft gehaald. Deze medegedetineerde heeft hij later geïdentificeerd als zijnde de verdachte.

Op 6 april 2008 heeft de getuige [getuige 5] nog een verklaring afgelegd. Daarbij heeft hij ook de aantekeningen die hij van de gesprekken met de verdachte had gemaakt aan de politie overhandigd. Deze aantekeningen sluiten aan bij hetgeen door de getuige [getuige 1] is verklaard.

De verklaring van de getuige [getuige 1], als ook van de getuige [getuige 5], vindt voorts steun in de bevindingen van de politie ten aanzien van de met de gestolen bankpas verrichte transacties en in de aangifte van het slachtoffer [benadeelde partij 1]. Hieraan doet niet af dat door [benadeelde partij 5] niet over een wisseltruc of over hulp bij de pinautomaat is verklaard. Feit van algemene bekendheid is immers dat een zogenoemde 'wisseltruc' bedoeld is om iemand snel en ongemerkt een bankpas te ontfutselen, terwijl het hof het gelet op de leeftijd van het slachtoffer - op de pleegdatum van het feit was zij 83 jaar - voorstelbaar acht dat zij zich niet meer alles herinnert.

De raadsvrouw heeft de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige 5] betwist. Zij heeft daartoe aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de getuige met zijn verklaring een overplaatsing naar open kamp of dagdetentie wilde bereiken, dat het vreemd is dat de getuige de naam van de verdachte niet kent terwijl hij verder van alle details van de zaak op de hoogte is, dat de verdachte in detentie niet over de zaak gesproken zal hebben omdat hij weet dat het feit in de gevangenis als minderwaardig wordt beschouwd en dat [getuige 5] mogelijk van vriendjes van [getuige 1] die in hetzelfde wietcircuit als de getuige [getuige 5] verkeren over het feit heeft gehoord.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de zich in het dossier bevindende brief van de getuige [getuige 5] en het proces-verbaal van verhoor van de getuige op 15 februari 2008, blijkt dat de hoofdreden voor de getuige om een verklaring af te leggen was dat hij een 'deal' met justitie wenste te sluiten. Bij brief van 17 maart 2008, welke brief zich ook in het dossier bevindt, is de getuige er door de Officier van Justitie van op de hoogte gesteld dat op het voorstel van de getuige tot het sluiten van een 'deal' niet zou worden ingegaan. Desondanks heeft de getuige op 6 april 2009 alsnog een verklaring over de onderhavige zaak afgelegd, omdat hij de beroving van de bejaarde vrouw een laffe streek vond.

Tijdens het verhoor op 5 maart 2008 heeft de getuige de verdachte op een politiefoto aangeduid als "[naam]", wat een deel van de voornaam van de verdachte is.

Door de getuige [getuige 5] is tevens een verklaring afgelegd over het bij arrest van dit hof van 22 juli 2009 onder

1 bewezenverklaarde feit, welk feit de verdachte heeft bekend. Dit betrof een overval op een dove man. Nu de verdachte kennelijk niet schroomde de getuige over dit feit te vertellen, ziet het hof niet in waarom de verdachte de getuige niet ook over de hem onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten zou hebben verteld. De informatie van [getuige 5] omtrent dit eerste feit bleek bovendien juist.

De door de raadsvrouw geschetste 'complottheorie', inhoudende dat [getuige 5] in het wietcircuit van vriendjes van [getuige 1] over het onderhavige feit zou hebben vernomen, is door de raadsvrouw niet nader onderbouwd en legt het hof als hoogst onwaarschijnlijk terzijde.

Concluderend is het hof op grond van het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat de verklaring van de getuige [getuige 5] betrouwbaar is te achten.

Ten aanzien van de door de getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring heeft de raadsvrouw voorts nog aangevoerd dat de getuige heeft verklaard dat de verdachte haar "met een blik in zijn ogen" tot het plegen van het onder 4 tenlastegelegde heeft gedwongen. Dit acht de raadsvrouw ongeloofwaardig.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bij de politie heeft de getuige [getuige 1] op 9 april 2008 verklaard dat ze doodsbang is van de verdachte en dat ze "deze dingen" van hem moest doen. Bij de rechter-commissaris heeft de getuige verklaard dat ze nog steeds wordt bedreigd. Gelet op de angst die de getuige duidelijk voor de verdachte voelt, acht het hof het aannemelijk dat zij zich op bepaalde momenten en ook ten tijde van het onderhavige feit onder druk en dwang van de verdachte voelde staan, alsmede dat de getuige dit gevoel alleen al door een bepaalde blik van de verdachte kon bekomen. Deze subjectieve gevoelens van [getuige 1] doen - of zij nu op redelijkheid berusten of niet - aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen aangaande de feitelijkheden niet af.

Vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maken de door de getuige [getuige 1] ten aanzien van de feiten 4 en 5 afgelegde verklaringen naar het oordeel van het hof betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Voor het overige zijn de bewijsverweren naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De verweren worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft mondeling gevorderd dat het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, dat het hof de straf voor de bij arrest van dit hof van 22 juli 2009 onder 1, 6 en 7 bewezenverklaarde feiten zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden en dat het hof de verdachte ter zake van de thans aan de orde zijnde feiten 2, 3, 4 en 5 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Strafmotivering

Nu de Hoge Raad het arrest van dit hof van 22 juli 2009 ook met betrekking tot de strafoplegging heeft vernietigd, dient het hof thans een straf op te leggen voor zowel de in het arrest van 22 juli 2009 onder 1, 6 en 7 bewezenverklaarde feiten, als voor de in het onderhavige arrest bewezenverklaarde feiten 2, 4 en 5 en wel in de vorm van één straf voor alle feiten gezamenlijk. De feiten 1, 6 en 7 zijn in het arrest van 22 juli 2009 gekwalificeerd als:

feit 1:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 6:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

en

feit 7:

bedreiging met verkrachting en enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere gekwalificeerde diefstallen, waarvan een aantal gepleegd met geweld en/of bedreiging met geweld. Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte en - voor zover van toepassing - zijn medeverdachte, de slachtoffers bewust hebben uitgezocht, daar de meeste van de slachtoffers op leeftijd zijn en zij, gezien hun leeftijd en eventuele beperkingen, niet of minder goed in staat zijn om zich tegen dergelijke misdrijven te verdedigen. Feiten zoals deze zijn laffe feiten. Het hof houdt het ervoor dat de verdachte slechts eigen geldelijk gewin voor ogen heeft gehad, en dat hij volledig voorbij is gegaan aan gevoelens van angst en onveiligheid die hij met zijn handelen bij de slachtoffers heeft veroorzaakt. Dat de verdachte en - voor zover van toepassing - de medeverdachte, met deze feiten, bij hun slachtoffers, naast materiële schade, grote emotionele schade hebben veroorzaakt, blijkt ook uit hetgeen ten aanzien van één van de slachtoffers in de toelichting bij de ingediende vordering benadeelde partij is opgenomen, alsmede uit de verklaring ter terechtzitting van de gemachtigde van één van hen.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen jegens zijn voormalige vriendin Sarah [getuige 1]. De verdachte heeft haar door de gedetineerdentelefoon bedreigd met verkrachting en met de dood. Bij het slachtoffer bestond de angst dat de verdachte deze bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zou (doen) leggen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 juli 2011, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Op de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van het hof, gelet op de ernst van de feiten en de recidive van de verdachte, niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van lange duur. Bij het bepalen van de straf heeft het hof tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies van Tactus verslavingszorg d.d. 27 april 2011. In de inhoud van dat rapport ziet het hof aanleiding een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, onder de voorwaarden zoals in dat advies omschreven.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en onder de na te noemen bijzondere voorwaarden een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen goederen, te weten een jas en een muts, verbeurd zullen worden verklaard.

Ten aanzien van de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen - zoals ook vermeld onder de nummers 1 en 2 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen-, welke voorwerpen volgens opgave van de verdachte aan hem toebehoren, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu deze geheel of grotendeels door middel van het onder 4 en 5 bewezenverklaarde zijn verkregen.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 830,-, bestaande uit € 30,- materiële schadevergoeding en € 800,- immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade.

Voorts heeft [benadeelde partij 5] zich in het onderhavige strafproces als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 en 5 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.144,36.

In hoger beroep zijn beide vorderingen aan de orde tot het in eerste aanleg geheel toegewezen bedrag van € 830,- respectievelijk € 3.144,36. Over de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gevorderde wettelijke rente is door de rechtbank geen beslissing genomen en de benadeelde partij heeft de vordering van de wettelijke rente in hoger beroep niet gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de verdediging is afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen bepleit en de raadsvrouw heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] namens de verdachte betwist.

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij [benadeelde partij 1] aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal in zoverre derhalve worden toegewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De gevorderde immateriële schadevergoeding leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500,-. Voor het overige levert behandeling van de vordering ter zake van de geleden immateriële schade naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft naar het oordeel van het hof eveneens aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 en 5 bewezenverklaarde. De vordering van deze benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

[benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 530,- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

[benadeelde partij 5]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.144,36 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 en 5 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 63, 285, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor deze feiten en de bij arrest van dit hof van 22 juli 2009 bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde: dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van GGZ Inforsa reclassering te Amsterdam en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen door of namens deze instelling te geven, ook indien deze inhouden een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Muts GIORGIO ARMANI

- 1.00 STK Jas ICEBERG halflang.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde partij 1] terzake van het onder 2 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 530,- (vijfhonderddertig euro), bestaande uit € 30,- (dertig euro) materiële schade en € 500,- (vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 530,- (vijfhonderddertig euro), bestaande uit € 30,- (dertig euro) materiële schade en € 500,- (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde partij 5] terzake van het onder 4 en 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.144,36 (drieduizend honderdvierenveertig euro en zesendertig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], een bedrag te betalen van € 3.144,36 (drieduizend honderdvierenveertig euro en zesendertig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover een mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. C.M. le Clercq-Meijer en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 augustus 2011.

Mr. Welbedacht is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.