Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV8982

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
22-001589-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft tot driemaal toe onder valse voorwendselen jonge mannen, waarvan één minderjarig, zijn woning ingelokt. Vervolgens heeft hij geprobeerd deze personen te dwingen of te bewegen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Bij één van deze personen heeft de verdachte ook daadwerkelijk ontuchtige handelingen gepleegd. Verder heeft de verdachte heeft het slachtoffer later – toen hij hem op straat tegenkwam – met de dood bedreigd.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001589-11

Parketnummers: 09-900716-09, 09-925457-10 en 09-925779-09 en 09-900269-08 (tul)

Datum uitspraak: 8 december 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 februari 2011 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1967,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding I (parketnummer: 09-900716-09) onder 3 en 4, primair en bij dagvaarding II (parketnummer: 09-925779-09) onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I onder 1, 2 en 4 subsidiair, bij dagvaarding II onder 1 en bij dagvaarding III (parketnummer: 09-925457-10) onder 1, 4, 6 en 7 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën in dit arrest zijn gevoegd. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

feit 1:

hij op of omstreeks 11 augustus 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet:

- die [slachtoffer] bij de armen gegrepen en/of

- die [slachtoffer] bij/om de keel gegrepen en/of

- die [slachtoffer] de hal van een flatgebouw ingetrokken en/of

- zijn, verdachtes, hand voor de mond van die [slachtoffer] gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij stil moest zijn en/of

- een mes tegen de keel van die [slachtoffer] gehouden en/of - (voortdurend) die [slachtoffer] stevig vastgehouden en/of - die [slachtoffer] de lift ingeduwd en/of de gang en/of zijn, verdachtes, woning ingeduwd en/of

- (toen zij in verdachtes woning waren) de deur van die woning op slot gedaan en/of de sleutel in zijn, verdachtes, zak gestopt en/of

- die [slachtoffer] drie messen getoond;

feit 2:

hij op of omstreeks 11 augustus 2009 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),

terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid had beroofd en/of beroofd hield:

- die [slachtoffer] heeft gevraagd of hij hem, verdachte, wilde pijpen en/of

- die [slachtoffer] heeft gevraagd of hij, verdachte, hem mocht pijpen en/of

- die [slachtoffer] heeft gevraagd of hij, verdachte, hem mocht neuken en/of

- dicht tegen die [slachtoffer] aan is gaan zitten en/of

- in het bijzijn van die [slachtoffer] harddrugs heeft gebruikt en/of

- getracht heeft de broek van die [slachtoffer] omlaag te trekken en/of

- op dwingende toon heeft gezegd dat die [slachtoffer] zijn broek uit moest trekken en/of

- getracht heeft de penis van die [slachtoffer] aan te raken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3 primair:

hij op of omstreeks 11 augustus 2009 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),

- die [slachtoffer 2] onder valse voorwendselen heeft meegelokt naar zijn, verdachtes, woning en/of

- in het bijzijn van die [slachtoffer 2] een mes en/of drugs binnen handbereik heeft gehad en/of

- een voor die [slachtoffer 2] intimiderende en/of bedreigende sfeer heeft gecreëerd, door

* drugs te gebruiken (al dan niet met behulp van een mes) en/of

* die [slachtoffer 2] een foto te laten zien met daarop een onbloot meisje en/of

* (daarbij) te vragen of die [slachtoffer 2] 500 euro wil verdienen en/of

* (daarbij) te zeggen dat die [slachtoffer 2] in zijn boxershort naar sex tussen hem, verdachte, en het meisje (dat op de foto staat) moet kijken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3 subsidiair:

hij op of omstreeks 11 augustus 2009 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding een persoon, [slachtoffer 2], geboren op [geboortejaar] 1992, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, (opzettelijk) te bewegen tot het plegen van ontuchtige handelingen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),

- die [slachtoffer 2] onder valse voorwendselen heeft meegelokt naar zijn, verdachtes, woning en/of

- in het bijzijn van die [slachtoffer 2] een mes en/of drugs binnen handbereik heeft gehad en/of

- een voor die [slachtoffer 2] intimiderende en/of bedreigende sfeer heeft gecreëerd, door

* drugs te gebruiken (al dan niet met behulp van een mes) en/of

* die [slachtoffer 2] een foto te laten zien met daarop een ontbloot meisje en/of

* (daarbij) te vragen of die [slachtoffer 2] 500 euro wil verdienen en/of

* (daarbij) te zeggen dat die [slachtoffer 2] in zijn boxershort naar sex tussen hem, verdachte, en het meisje (dat op de foto staat) moet kijken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4:

hij op of omstreeks 07 september 2009 en/of 08 september 2009 te 's-Gravenhage, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit:

- het wrijven over zijn ([slachtoffer 3]'s) penis en/of

- het likken van zijn ([slachtoffer 3]'s) penis en/of ballen

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:

- het op slot draaien van de voordeur van de woning en/of - het opbergen van de sleutel(s) van die voordeur in zijn, verdachtes, kleding en/of

- het tonen van een mes aan die [slachtoffer 3] en/of

- het in zijn broekzak stoppen van dat mes en/of

- het gebruiken van meerdere, althans een, bolletje(s) cocaïne in het bijzijn van die [slachtoffer 3] en/of

- door te zeggen dat die [slachtoffer 3] niet door hem heen mocht praten omdat hij anders echt zou gaan trippen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

feit 5:

hij op of omstreeks 10 juni 2010 te 's-Gravenhage [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn vuist/hand een (stoot)beweging gemaakt richting (de slaap/het hoofd van) die [slachtoffer 3] en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd "Het is dat ik nu geen tijd heb, maar je komt nog wel. Ik maak je dood" en/of "ik kom je halen" en/of "ik ga je doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 6:

hij op of omstreeks 07 juni 2010 te 's-Gravenhage op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het slaan in het gezicht van die [slachtoffer 4] en/of rukken/trekken van de tas van de schouder van die [slachtoffer 4];

feit 7:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 mei 2010 tot en met 10 juni 2010 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 5], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 5], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte:

- die [slachtoffer 5] (veelvuldig, althans meermalen) gebeld en/of

- die [slachtoffer 5] (veelvuldig, althans meermalen) sms-berichten gestuurd en/of

- die [slachtoffer 5] (meermalen) mms-berichten (met foto's van haar zoon) gestuurd en/of

- in de tuin van die [slachtoffer 5] haar tuinmeubels en/of prullenbak(ken) om ver gegooid en/of op hun kop gezet en/of

- een bloempot in de tuin van die [slachtoffer 5] vernield en/of

- een tuinslang door de brievenbus van de voordeur van de woning van die [slachtoffer 5] gehangen en/of de kraan van die tuinslag open gezet (waardoor er water de woning instroomde);

feit 8:

hij op of omstreeks 15 mei 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (bruto) 1,5 gram in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 11 augustus 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet:

- toen zij in verdachtes woning waren de deur van die woning op slot gedaan en de sleutel in zijn, verdachtes, zak gestopt en

- die [slachtoffer] drie messen getoond;

feit 2:

hij op 11 augustus 2009 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door feitelijkheden en bedreiging met feitelijkheden [slachtoffer] te dwingen tot het plegen en dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid had beroofd:

- die [slachtoffer] heeft gevraagd of hij hem, verdachte, wilde pijpen en

- die [slachtoffer] heeft gevraagd of hij, verdachte, hem mocht pijpen en

- die [slachtoffer] heeft gevraagd of hij, verdachte, hem mocht neuken en

- dicht tegen die [slachtoffer] aan is gaan zitten en

- in het bijzijn van die [slachtoffer] harddrugs heeft gebruikt en

- getracht heeft de broek van die [slachtoffer] omlaag te trekken en

- op dwingende toon heeft gezegd dat die [slachtoffer] zijn broek uit moest trekken en

- getracht heeft de penis van die [slachtoffer] aan te raken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3 subsidiair:

hij op 11 augustus 2009 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door beloften van geld en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding een persoon, [slachtoffer 2], geboren op 28 oktober 1992, waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, (opzettelijk) te bewegen tot het plegen van ontuchtige handelingen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),

- die [slachtoffer 2] onder valse voorwendselen heeft meegelokt naar zijn, verdachtes, woning en

- in het bijzijn van die [slachtoffer 2] een mes en drugs binnen handbereik heeft gehad en

- een voor die [slachtoffer 2] intimiderende en bedreigende sfeer heeft gecreëerd, door

* drugs te gebruiken (al dan niet met behulp van een mes) en

* die [slachtoffer 2] een foto te laten zien met daarop een ontbloot meisje en

* (daarbij) te vragen of die [slachtoffer 2] 500 euro wil verdienen en

* (daarbij) te zeggen dat die [slachtoffer 2] in zijn boxershort naar sex tussen hem, verdachte, en het meisje (dat op de foto staat) moet kijken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4:

hij op 07 september 2009 en/of 08 september 2009 te 's-Gravenhage, door feitelijkheden en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit:

- het wrijven over zijn ([slachtoffer 3]'s) penis en

- het likken van zijn ([slachtoffer 3]'s) penis en ballen

en bestaande die feitelijkheden uit:

- het op slot draaien van de voordeur van de woning en - het opbergen van de sleutel(s) van die voordeur in zijn, verdachtes, kleding en

- het tonen van een mes aan die [slachtoffer 3] en

- het in zijn broekzak stoppen van dat mes en

- het gebruiken van meerdere, althans een, bolletje(s) cocaïne in het bijzijn van die [slachtoffer 3] en

- door te zeggen dat die [slachtoffer 3] niet door hem heen mocht praten omdat hij anders echt zou gaan trippen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

feit 5:

hij op 10 juni 2010 te 's-Gravenhage [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn vuist/hand een (stoot)beweging gemaakt richting de slaap van) die [slachtoffer 3] en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Het is dat ik nu geen tijd heb, maar je komt nog wel. Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 6:

hij op 07 juni 2010 te 's-Gravenhage op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen enig geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 4], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het slaan in het gezicht van die [slachtoffer 4] en het rukken van de tas van de schouder van die [slachtoffer 4];

feit 7:

hij in de periode van 12 mei 2010 tot en met 10 juni 2010 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 5], met het oogmerk die [slachtoffer 5], te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte:

- die [slachtoffer 5] (veelvuldig, althans meermalen) gebeld en

- die [slachtoffer 5] (veelvuldig, althans meermalen) sms-berichten gestuurd en

- die [slachtoffer 5] (meermalen) mms-berichten (met foto's van haar zoon) gestuurd en

- in de tuin van die [slachtoffer 5] haar tuinmeubels en prullenbakken omver gegooid en/of op hun kop gezet en/of

- een bloempot in de tuin van die [slachtoffer 5] vernield en

- een tuinslang door de brievenbus van de voordeur van de woning van die [slachtoffer 5] gehangen en de kraan van die tuinslag open gezet (waardoor er water de woning instroomde);

feit 8:

hij op 15 mei 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Gevoerde verweren ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe -onder meer - aangevoerd dat de verklaring van aangever [slachtoffer] niet betrouwbaar is, nu uit de camerabeelden is gebleken dat aangever [slachtoffer] aantoonbaar leugenachtig heeft verklaard.

He hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de camerabeelden is niet gebleken dat aangever onder dwang van de verdachte naar diens woning is gegaan, zoals door aangever is verklaard. Derhalve zal het hof de verdachte partieel vrijspreken - te weten ten aanzien van de gedachtestreepjes van het onder bedreiging naar de woning van de verdachte gaan - van het onder 1 ten laste gelegde.

Dat de aangever anders heeft verklaard over de reden waarom, althans de wijze waarop, hij met de verdachte in diens woning terecht is gekomen dan is gebleken uit de camerabeelden, kan in beginsel reden zijn om te twijfelen aan de juistheid van aangevers verklaring. Het hof is evenwel van oordeel dat de verklaring van aangever omtrent hetgeen zich in die woning heeft afgespeeld, voldoende betrouwbaar is. Die verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de vriendin van aangever (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], p. 67a-68a). Na het incident heeft de aangever haar meteen opgebeld en verteld dat hij in de woning van de verdachte van zijn vrijheid was beroofd en tegen zijn wil seksueel was benaderd. Voorts hecht het hof belang aan de emotionele gemoedstoestand van de aangever kort na het voorval, zoals blijkt uit de verklaringen van zijn vriendin en van zijn moeder (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], p. 65a-66a).

Daar komt bij dat hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld zodanig grote gelijkenis vertoont met hetgeen onder 3 subsidiair en 4 bewezen is verklaard dat de die feiten betreffende bewijsmiddelen mede redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2. Het hof verwijst naar hetgeen dienaangaande hierna wordt overwogen.

Het hof overweegt voorts dat het gebrek aan bewijs ten aanzien van het onder bedreiging naar de woning van verdachte gaan, een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving in diezelfde woning niet in de weg staat. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat onvoldoende vast is komen te staan dat de aangever in de woning van de verdachte zou zijn geweest alwaar de verdachte hem een bepaald voorstel zou hebben gedaan, een en ander zoals omschreven in zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Voorts heeft de raadsman bepleit dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte wist dat de aangever minderjarig was. Derhalve stelt de raadsman zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Na het voorval in de woning is - zoals blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 3], huismeester van het flatgebouw waarin verdachtes woning op de 10e etage is gelegen (proces-verbaal van verhoor getuige, p. 72-73) de aangever, naar het kantoortje van de huismeester gegaan hetwelk gelegen is op de tweede etage van dat gebouw. Aldaar heeft de aangever het hele voorval verteld aan de huismeester. De huismeester heeft voorts verklaard dat hij zag dat aangever heel bang was toen hij bij hem kwam. Aangever zat in elkaar gedoken en heeft tegen de huismeester gezegd dat hij erg bang was voor de 'rasta-man'. Hetgeen aangever tegen de huismeester heeft verklaard omtrent het voorval, komt overeen met zijn eigen verklaring afgelegd bij de politie. Daar komt bij dat de huismeester later de camerabeelden die in de flat gemaakt worden, heeft bekeken. Op die beelden zag hij dat aangever rechtstreeks vanaf de 10e etage naar zijn kantoortje is gekomen. Het hof leidt hieruit af dat aangever meteen hulp gezocht heeft.

Bij het oordeel dat het onderhavige feit kan worden bewezenverklaard speelt voorts een rol dat hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld zodanig grote gelijkenis vertoont met hetgeen onder 1, 2 en 4 bewezen is verklaard dat de die feiten betreffende bewijsmiddelen mede redengevend zijn voor de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair. Het hof verwijst naar hetgeen dienaangaande hierna wordt overwogen.

Het hof heeft derhalve geen reden om aan de verklaring van de aangever te twijfelen.

Voorts heeft de aangever verklaard dat verdachte - toen zij samen in de lift stonden - naar zijn leeftijd heeft gevraagd en dat de aangever hierop heeft geantwoord dat hij 16 jaar oud was (proces-verbaal van verhoor aangever, p. 52). Het hof acht deze verklaring geloofwaardig. Het hof is van oordeel dat derhalve is komen vast te staan dat de verdachte wist dat de aangever minderjarig was.

Ten aanzien van feit 4:

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde, nu de seksuele handelingen tussen de aangever en de verdachte vrijwillig hebben plaatsgevonden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Door de aangever is verklaard dat de seksuele handelingen tegen zijn wil hebben plaatsgevonden (proces-verbaal van verhoor aangever, p. 24). In een telefoongesprek tussen de aangever en zijn vrienden heeft deze het woord 'knife' gebruikt (proces-verbaal van verhoor aangever, p. 24). Zijn vrienden waarschuwen vervolgens de politie en geven het adres door waar aangever zich zou bevinden. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding gaat de politie naar aanleiding van een melding, inhoudende dat een persoon, onder bedreiging van een mes, tegen diens wil in een woning zou worden vastgehouden, naar de woning van de verdachte (p. 13). Deze woning bevindt zich op de 10e etage van een flatgebouw. Op het moment dat de verbalisanten zich bevinden bij de afgesloten portiekdeur van verdachtes woning, gaat de voordeur van deze woning open en komt een hevig geëmotioneerde jonge man, naar later bleek de aangever, naar buiten welke er uit zag alsof hij hevig in paniek was (proces-verbaal van aanhouding, p. 13).

Bij het oordeel dat het onderhavige feit kan worden bewezenverklaard speelt voorts een rol dat hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld zodanig grote gelijkenis vertoont met hetgeen onder 1, 2 en 3 subsidiair bewezen is verklaard dat de die feiten betreffende bewijsmiddelen mede redengevend zijn voor de bewezenverklaring van feit 4. Het hof verwijst naar hetgeen dienaangaande hierna wordt overwogen.

Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaring van de verdachte, inhoudende dat de seksuele handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden, niet geloofwaardig.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 subsidiair en 4:

Het hof neemt bij de waardering van het bewijs ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 subsidiair en 4 mede in aanmerking dat in deze aangiften duidelijke overeenkomsten zijn vast te stellen ten aanzien van de handelwijze van verdachte.

Alle drie de aangevers zijn jonge mannen die in de buurt van het Centraal Station in Den Haag worden aangesproken door de verdachte met het verzoek of ze hem kunnen 'helpen' met iets. Ze worden voorts allen meegenomen naar de woning van de verdachte. In de zaak van [slachtoffer 1] als in die van [slachtoffer 3] doet de verdachte de deur op slot. In alle drie de zaken worden de aangevers verzocht om op de bank te gaan zitten. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte dicht tegen hem aan gaat zitten. In de zaak van [slachtoffer 2] als in die van [slachtoffer 3] biedt de verdachte geld aan als zij participeren in of toekijken bij seksuele handelingen van de verdachte met een vrouw. [slachtoffer 1] als [slachtoffer 3] verklaart dat de verdachte in de woning op de televisie het pornokanaal Private Spice aanzet respectievelijk het programma aanstaat. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte 3 keukenmessen uit zijn zak haalt en op de salontafel legde, [slachtoffer 2] heeft verklaard dat op tafel een mes lag, en [slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte een mes onder de bank vandaan haalde en in zijn kontzak stopte. Bij [slachtoffer 1] probeerde verdachte diens broek naar beneden te trekken en vroeg hem of hij seks met de verdachte wilde hebben; bij [slachtoffer 2] vroeg hij of deze in zijn boxershort getuige wilde zijn van seksuele handelingen van de verdachte met een vrouw; [slachtoffer 3] moest in zijn boxershort zitten en deze rondom zijn geslachtsdelen straktrekken. Alle drie de aangevers verklaren dat verdachte in de woning drugs gebruikte in hun bijzijn. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte 'bruin' rookte, [slachtoffer 2] dat verdachte een pijpje ging roken en [slachtoffer 3] dat verdachte steeds balletjes cocaïne rookte. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte met het mes dat op tafel lag in zijn pijpje ging roeren en dat hij bang was. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte begon te trippen en erg hysterisch deed. [slachtoffer 3] heeft voorts verklaard dat als verdachte niet rookte, laatstgenoemde geïrriteerd raakte (proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris). Het op slot draaien van de deur en/of de aanwezige messen, het gebruik van drugs en het onberekenbare gedrag van verdachte, hebben ervoor gezorgd dat alle drie de aangevers zeer bang zijn voor de verdachte of zich bedreigd voelden.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat in het verleden aangiften tegen de verdachte zijn gedaan (te weten [slachtoffer 6] in 2003, [slachtoffer 7] in 2007 en [slachtoffer 8] in 2008), welke - ten aanzien van de daarin beschreven handelwijze van de verdachte - opvallend overeenkomen met de hierboven weergegeven aangiften en dat deze aangiften tot een veroordeling hebben geleid.

Op grond van het vorenstaande, een en ander in onderling samenhang beschouwd, komt het hof tot het oordeel dat de feiten 1, 2, 3 subsidiair en 4 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De ieder van deze feiten betreffende bewijsmiddelen zijn ook voor de andere feiten redengevend.

Gevoerde verweren ten aanzien van de feiten 5, 6 en 7

Ten aanzien van feit 5:

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde, omdat de verklaring van getuige [getuige 3] onbetrouwbaar is en deze verklaring dient te worden uitgesloten voor het bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard (proces-verbaal van verhoor p.28-29) dat zij, vanwege de epilepsie waaraan zij lijdt, zich niet alles omtrent het tenlaste gebeuren meer kan herinneren. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat hetgeen zij wel heeft verklaard, zij niet uit eigen wetenschap heeft verklaard. Het enkele feit dat de getuige enkele uren na de aangifte van [slachtoffer 3] haar verklaring heeft afgelegd, betekent niet zonder meer dat de getuige haar verklaring heeft afgestemd op de aangifte van [slachtoffer 3] en in strijd met de waarheid heeft verklaard. Concrete feiten of omstandigheden waaruit dit zou voortvloeien zijn door de raadsman niet aan zijn veronderstelling ten grondslag gelegd. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Ten aanzien van feit 6:

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het resultaat van de fotobewijsconfrontatie onbetrouwbaar is en dientengevolge van het bewijs dient te worden uitgesloten, een en ander zoals omschreven in zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota. Voorts stelt de raadsman zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De aangever heeft verklaard dat hij op 7 juni 2010 zijn woning verliet en richting het Shell benzinestation is gelopen aan de Rijswijkseweg. Bij de kruising Waldorpstraat met de Rijswijkseweg kwam een man hem tegemoet lopen. Deze man liep met hem mee richting het benzinestation. Deze man droeg een bruin leren jack en oversized "baggy"kleding en hij droeg een bril met smal montuur en heldere glazen. De aangever weet niet meer wat voor broek of schoenen de man aanhad. Deze man volgde hem zelfs tot in het benzinestation. De aangever heeft bij de benzineshop snoep gehaald en is weer teruggelopen richting zijn woning. De man bleef hem nog steeds volgen. Toen de aangever bijna bij de woning was, werd hij met een vlakke hand door de man in het gezicht geslagen. De man deed een greep naar zijn schoudertas en haalde geld uit zijn portemonnee (proces-verbaal van verhoor aangever, p. 38-39).

Uit het proces-verbaal van de fotoconfrontatie van 27 juni 2010 (proces-verbaalnummer PL1514 2010117449) blijkt dat de confrontatie is uitgevoerd in overeenstemming met de procedures fotobewijsconfrontatie in de Handleiding Confrontatie. De foto van de mogelijke verdachte is op plaats nr. 9 geplaatst. Door de verbalisant is aangegeven dat de testobservatie achteraf heeft plaatsgevonden, doordat voorafgaand aan de confrontatie geen geschikte toetsingspersonen aanwezig waren. Uit deze testobservatie is gebleken dat de personen op de foto's met nummer 2, 4, 7 en 10 de testobservator te jong leken. Blijkens het proces-verbaal van 27 juni 2010 (blz 53-54)zijn aan aangever 10 foto's getoond. De aangever heeft verklaard dat de persoon op foto 9 de persoon is waarover hij heeft verklaard en hij heeft daarbij opgemerkt dat hij de persoon herkent omdat de persoon een heel apart gezicht heeft dat de aangever benoemd als een 'rijstkorrelgezicht'.

Nu de aangever heel specifiek aangeeft op welke grond hij de verdachte herkent als de dader waar over hij heeft verklaard, is naar het oordeel van het hof - ondanks het feit dat de testobservator eerst na de confrontatie is geraadpleegd - geen reden om aan de betrouwbaarheid van de aanwijzing door de aangever van de verdachte te twijfelen. Het hof wijst er daarbij op dat de aangever verdachte aanwijst uit 6 foto's van personen die voldoen aan het door hem opgegeven signalement. Het hof verwerpt het verweer.

Daarnaast wijst het hof erop dat de aangever in het verhoor van 26 juni 2010 (blz 49-50) aangeeft verdachte in de afgelopen maanden een keer of zes op straat tegengekomen te zijn, waarbij verdachte aangever steeds gedurende ongeveer een kwartier hinderlijk volgt. Het hof leidt hieruit af dat aangever verdachte al van gezicht kende voorafgaand aan dit feit, zodat ook had kunnen worden volstaan met het enkel aan de aangever tonen van een foto van de verdachte.

Voorts heeft de getuige [getuige 4] (proces-verbaal van verhoor getuige, p. 59 en 60) verdachte niet herkend in de foslo-confrontatie, maar haar beschrijving van de dader - te weten ongeveer 1,74 meter lang en gekleed in een spijkerbroek, wit shirt, grijs oversized shirt en witte sportschoenen - komt in grote lijnen overeen met de persoon die staat afgebeeld op de afdrukken van de camerabeelden bij het benzinestation aan de Rijswijkseweg in Den Haag onmiddellijk voorafgaand aan het tenlaste gelegde feit en waarvan de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij de persoon is die op de afdrukken staat.

De getuige [getuige 5] (proces-verbaal van verhoor getuige, p. 64-65 en proces-verbaal van bevindingen, p. 66) heeft de verdachte eveneens niet herkend in de foslo-confrontatie, maar haar beschrijving van de dader - te weten ongeveer 1,74 meter lang, een smal gezicht, een zwarte bril, een sikje en gekleed in een wit shirt, een "baggy" spijkerbroek (een broek die eigenlijk te groot is) en sportschoenen - komt eveneens in grote lijnen overeen met de persoon die staat afgebeeld op de bedoelde afdrukken van de camerabeelden bij het benzinestation.

Het hof acht het voorts begrijpelijk dat de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] de verdachte niet hebben herkend in de foslo-confrontatie, nu de verdachte - zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard - op de avond van het ten laste gelegde feit een bril droeg en de verdachte op de foto van de foslo-confrontatie geen bril droeg.

Het hof acht op grond van het voorgaande dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 7:

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van belaging, nu het 21 keer bellen - en 13 keer gebeld worden - in bijna anderhalve maand tijd, naar aard, duur, frequentie en intensiteit van deze vastgestelde telefonische contacten te summier is om te spreken van het stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster, zoals ten laste gelegd.

Het hof stelt voorop dat het, in de ten laste legging voorkomende woord stelselmatig, kennelijk is gebruik in de betekenis die daaraan toekomt in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Voor de beoordeling of sprake is van stelselmatig inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer dient te worden gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, de omstandigheden waaronder zij hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De stelselmatigheid moet van dien aard zijn dat zij de gedragingen een indringend karakter geeft. Het gaat hierbij niet alleen om het telefonische contact, maar om het geheel aan bewezenverklaarde gedragingen, bezien in onderling verband en samenhang.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de relatie tussen de verdachte en de zoon van aangeefster op 12 mei 2010 door de zoon van aangeefster is beëindigd. Blijkens de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 5] en aangever [aangever] heeft de verdachte in de ten laste gelegde periode (zeer) vele malen gebeld. Voorts is komen vast te staan dat de verdachte zowel sms- als mms-berichten heeft verzonden naar aangeefster [slachtoffer 5]. Verder heeft de verdachte tot twee keer toe vernielingen aangericht in en rondom haar woning. De eerste keer heeft hij in haar voortuin tuinmeubilair kapot gemaakt en de tweede keer is hij nog een stap verder gegaan door water via haar brievenbus de woning in te doen stromen (proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 5], p. 46-49 en proces-verbaal van aangifte [aangever], p. 23-25). Deze feiten hebben zich voorgedaan in de verhoudingsgewijze korte periode van 12 mei tot en met 10 juni 2010.

Het hof overweegt dat gelet op voormelde omstandigheden, naar zijn oordeel sprake is van een 'stelselmatige' inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeeftser in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Ook overigens is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het aan hem onder 7 ten laste gelgde heeft begaan. Het hof betrekt hierbij nog dat aangeefster heeft aangegeven dat verdachte inmiddels haar leven beheerst en dat ze zich bedreigd voelt door de sms-berichten.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot door beloften van geld en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding, een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen te dulden.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft tot driemaal toe onder valse voorwendselen jonge mannen, waarvan één minderjarig, zijn woning ingelokt. Vervolgens heeft hij geprobeerd deze personen te dwingen of te bewegen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Bij één van deze personen heeft de verdachte ook daadwerkelijk ontuchtige handelingen gepleegd. Hiermee heeft de verdachte niet alleen het vertrouwen van deze jonge mannen geschonden, maar ook en vooral een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze personen. Gelet op hun reacties na het gebeuren, heeft dit een grote emotionele impact op hen gehad.

De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 3] later - toen hij hem op straat tegenkwam - met de dood bedreigd. Voorts heeft de verdachte iemand geld afhandig gemaakt welke handeling voorafgegaan werd van geweld. De verdachte heeft daarnaast, gedurende ongeveer een maand, de moeder van zijn ex-vriend belaagd met telefoontjes en sms-berichten en heeft hij vernielingen in haar tuin en huis aangericht. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen zijn slachtoffers angst aangejaagd, maar ook onrust in de buurt en een gevoel van onveiligheid op straat veroorzaakt. Tot slot is de verdachte in het bezit geweest van een gebruikershoeveelheid cocaïne.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 november 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

De verdachte heeft - na het plegen van de onderhavige feiten - alle medewerking aan gedragskundig onderzoek geweigerd. In een Pro Justitia rapport van 7 januari 2011, opgemaakt door T.V. van Lent, psychiater, en een Pro Justitia rapport van 13 januari 2011, opgemaakt door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, concluderen Van Lent en Bullens voornoemd dat een opname in het Pieter Baan Centrum geen meerwaarde zou hebben, omdat te verwachten is dat verdachte in zijn weigering zal volharden. Uit het rapport van Bullens, die op 4 januari 2011 overleg heeft gehad met de behandelaar van verdachte bij De Waag, blijkt dat op basis van de geschiedenis van de verdachte en het beeld dat verdachte in de gesprekken opriep, er sprake lijkt van (forse) persoonlijkheidsproblematiek. Daarbij wordt aangetekend dar er twijfel bestaat of een ambulante behandeling uiteindelijk toereikend zal zijn om het recidiverisico significant te verlagen.

Bij gebreke van recente psychiatrische en psychologische rapportage heeft het hof, met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 19 juli 2005, opgemaakt door T.V. van Lent, psychiater, waaruit blijkt dat sprake is van afhankelijkheid van cocaïne en dat sprake is van een levensstijl die vele antisociale aspecten kent en die voor een belangrijk deel te verklaren zijn uit de afhankelijkheid van cocaïne. Voorts blijkt uit het Pro Justitia rapport van 8 augustus 2005, opgemaakt door drs. M.H. de Groot, klinisch psycholoog, dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Tevens bevindt zich in het dossier een voorlichtingsrapport van Palier, forensische en intensieve zorg, van 16 december 2009, opgemaakt door A. Taument, reclasseringswerker en C. Smalt, unitmanager, waarvan de conclusie - onder meer - luidt dat bij de verdachte sprake is van anti-sociale persoonlijkheidsproblematiek in combinatie met een forse verslavingsproblematiek.

Het hof onderschrijft het belang dat verdachte een intensieve behandeling ondergaat, gericht op zowel vermindering van zijn cocaïneafhankelijkheid als beheersing van zijn grensoverschrijdend seksueel gedrag. Een behandeling in het kader van een deels voorwaardelijk strafdeel komt evenwel niet in aanmerking reeds omdat de verdachte niet open staat voor (intensieve) psychiatrische en/of psychologische behandeling. Gelet daarop en ook overigens is het hof - alles overwegende - van oordeel dat een langdurige, geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie is op de door verdachte gepleegde misdrijven.

Het hof geeft het openbaar ministerie in overweging om te zijner tijd de voorwaardelijke invrijheidsstelling van verdachte afhankelijk te stellen van zijn bereidheid om aan een intensieve behandeling mee te werken. In dat kader wijst het hof erop dat het reclasseringsadvies van Palier d.d. 28 september 2010 inhoudt dat plaatsing binnen de Stichting Opvang Verslaafden te Ossendrecht passend is en dat het wenselijk is dat deze plaatsing direct aansluit op detentie.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige kamer te 's-Gravenhage van 29 december 2008 onder parketnummer 09-900269-08 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bevel dat die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 45, 57, 63, 246, 248a, 282, 285, 285b en 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 subsidiair, 4, 5, 6, 7 en 8 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te 's-Gravenhage van 29 december 2008, parketnummer 09-900269-08, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. T.W.H.E. Schmitz, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 december 2011.