Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV8955

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
22-004140-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Het Hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Tevens wordt de vordering tot schadevergoeding toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004140-10

Parketnummers: 10-630072-09, 10-637525-09, 10-637527-09, 10-637974-08 en 10-632113-06 (tul)

Datum uitspraak: 9 december 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1971,

[adres], thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 8 juni 2011, 9 november 2011 en 25 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 5 ten laste gelegde vrijgesproken. Ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde is bepaald dat aan de verdachte de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege opgelegd, en ter zake van het onder 4 en 6 tenlastegelegde is bepaald dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Voorts zijn in eerste aanleg beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2007 onder parketnummer 10-632113-06 voorwaardelijk opgelegde straf, alsmede de in beslaggenomen voorwerpen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

primair:

hij op of omstreeks 17 februari 2009 te Rotterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen/houden van de penis van die [benadeelde partij 2] in de mond van die [benadeelde partij 1] en/of het aftrekken van die [benadeelde partij 2] door die [benadeelde partij 1] en/of het plassen door die [benadeelde partij 2] over het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of het houden van het gezicht van die [benadeelde partij 1] nabij de anus van die [benadeelde partij 2] en/of het likken door die [benadeelde partij 1] aan/nabij de billen van die [benadeelde partij 2], waarbij het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het slaan met een hamer tegen de knieën althans het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of tonen van een stanleymes/breekmes aan die [benadeelde partij 1]en/of die [benadeelde partij 2] en/of het zeggen tegen die [benadeelde partij 1] van de woorden: "Als je hem probeert te helpen, ga je eraan" en/of het slaan van die [benadeelde partij 1] (met een bezemsteel) en/of het zeggen tegen die [benadeelde partij 1] dat hij die [benadeelde partij 2] moet pijpen en/of aan diens kont moest likken;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 februari 2009 te Rotterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het brengen/houden van de penis van die [benadeelde partij 2] in de mond van die [benadeelde partij 1] en/of het aftrekken van die [benadeelde partij 2] door die [benadeelde partij 1] en/of het plassen door die [benadeelde partij 2] over het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of het houden van het gezicht van die [benadeelde partij 1] nabij de anus van die [benadeelde partij 2] en/of het likken door die [benadeelde partij 1] aan/nabij de billen van die [benadeelde partij 2], het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het slaan met een hamer tegen de knieën althans het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of tonen van een stanleymes/breekmes aan die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] en/of het zeggen tegen die [benadeelde partij 2] van de woorden: "Als je hem probeert te helpen, ga je eraan" en/of het slaan van die [benadeelde partij 1] (met een bezemsteel) en/of het zeggen tegen die [benadeelde partij 1] dat hij die [benadeelde partij 2] moet pijpen en/of aan diens kont moest likken;

feit 2:

hij op of omstreeks 17 februari 2009 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen telefoons en/of DVD's en/of een portemonnee met inhoud en/of een notitieblokje en/of sleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het slaan met een hamer tegen de knieën althans het lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of tonen van een stanleymes/breekmes aan die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] en/of het zeggen tegen die [benadeelde partij 2] van de woorden: "Als je hem probeert te helpen, ga je eraan" en/of het slaan van die [benadeelde partij 1] (met een bezemsteel);

feit 3

primair:

hij op of omstreeks 17 februari 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk (en met voorbedachte raad) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die persoon opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg) met een hamer tegen diens knieën heeft geslagen en/of met een scherp en/of puntig voorwerp heeft gesneden/gestoken en/of (met een bezemsteel) tegen diens lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 februari 2009 te Rotterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [benadeelde partij 1], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een hamer tegen diens knieën heeft geslagen en/of tegen diens lichaam heeft geslagen en/of heeft geschopt, tengevolge waarvan die persoon enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 4:

hij op of omstreeks 04 december 2008 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [verdachte]), (met kracht)

- (meermalen) in/tegen het gelaat heeft gestompt en/of geslagen en/of,

- een kopstoot in/tegen het gelaat heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 6:

hij op of omstreeks 23 januari 2009 te Rotterdam in/van een (portiek-)woning, gelegen op of aan de [adres], opzettelijk en wederrechtelijk een (voor-)deur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Woonbron, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (meermalen) (met kracht) op/tegen die (voor-)deur te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te bonken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 primair:

hij op 17 februari 2009 te Rotterdam door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen/houden van de penis van die [benadeelde partij 2] in de mond van die [benadeelde partij 1] en het aftrekken van die [benadeelde partij 2] door die [benadeelde partij 1] en het plassen door die [benadeelde partij 2] over het lichaam van die [benadeelde partij 1] en het houden van het gezicht van die [benadeelde partij 1] nabij de anus van die [benadeelde partij 2] en het likken door die [benadeelde partij 1] aan/nabij de billen van die [benadeelde partij 2], waarbij het geweld en de bedreiging met geweld hebben bestaan uit het slaan met een hamer tegen de knieën van die [benadeelde partij 1] en tonen van een stanleymes aan die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] en het zeggen tegen die [benadeelde partij 2] van de woorden: "Als je hem probeert te helpen, ga je eraan" en het slaan van die [benadeelde partij 1] (met een bezemsteel);

feit 1 subsidiair, nu blijkens de hiernavolgende overwegingen met betrekking tot de strafbaarheid van het feit het vorenstaande niet tot een veroordeling kan leiden:

hij op 17 februari 2009 te Rotterdam door geweld en door bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, namelijk het brengen/houden van de penis van die [benadeelde partij 2] in de mond van die [benadeelde partij 1] en het aftrekken van die [benadeelde partij 2] door die [benadeelde partij 1] en het plassen door die [benadeelde partij 2] over het lichaam van die [benadeelde partij 1] en het houden van het gezicht van die [benadeelde partij 1] nabij de anus van die [benadeelde partij 2] en het likken door die [benadeelde partij 1] aan/nabij de billen van die [benadeelde partij 2], welk geweld en welke bedreiging met geweld hebben bestaan uit het slaan met een hamer tegen de knieën van die [benadeelde partij 1] en het tonen van een stanleymes aan die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] en het zeggen tegen die [benadeelde partij 2] van de woorden: "Als je hem probeert te helpen, ga je eraan" en het slaan van die [benadeelde partij 1] met een bezemsteel;

feit 2:

hij op 17 februari 2009 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen telefoons en DVD's en een portemonnee met inhoud en een notitieblokje en sleutels, toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2};

feit 3 primair:

hij op 17 februari 2009 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die persoon opzettelijk met een hamer tegen diens knieën heeft geslagen en met een scherp en puntig voorwerp heeft gesneden en met een bezemsteel tegen diens lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 4:

hij op 04 december 2008 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon te weten [verdachte], met kracht

- in het gelaat heeft geslagen en,

- een kopstoot in het gelaat heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

feit 6:

hij op 23 januari 2009 te Rotterdam in een portiekwoning, gelegen op of aan de [adres], opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur, toebehorende aan Woonbron, heeft beschadigd door meermalen met kracht tegen die voordeur te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te bonken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Met betrekking tot het onder 1 primair bewezenverklaarde overweegt het hof als volgt.

Noch uit de wetsgeschiedenis van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht noch uit de wetswijzing van 9 oktober 1991 waarbij dit artikel zijn huidige redactie heeft gekregen, blijkt dat de wetgever heeft bedoeld dat onder het delict van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, ook seksuele handelingen zouden vallen die zijn gepleegd door een ander dan degene die de dwang heeft uitgeoefend. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Aldus volgt uit die bewijsmiddelen en de daarop gefundeerde bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde dat de verdachte weliswaar de persoon is geweest die dwang heeft uitgeoefend, maar dat de seksuele handelingen feitelijk zijn verricht door [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2]. Het onder 1 primair tenlastegelegde kan derhalve niet gekwalificeerd worden als verkrachting (vgl. HR 11 oktober 2005, NJ 2006, 614). Nu het bewezenverklaarde ook niet op een andere wijze kan worden gekwalificeerd, behoort de verdachte dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Nu het onder 1 primair tenlastegelegde niet tot een veroordeling van de verdachte heeft kunnen leiden heeft het hof tevens een oordeel gegeven omtrent het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 25 november 2009 opgemaakt en ondertekend door J.M. Oudejans, psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

"Betrokkene is lijdende aan zwakbegaafdheid en een psychotisch proces. Gezien de redelijke organisatie van het denken passen de symptomen eerder bij de classificatie schizofrenie van het paranoïde type en niet bij een gedesorganiseerde schizofrenie. Onderzochte heeft ten tijde van het plegen van de onder 4 tot en met 6 tenlastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan kunnen inzien, doch is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid te bepalen".

Ten aanzien van deze feiten concluderen rapporteurs dat de verdachte lijdende was aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. Voorts concluderen rapporteurs dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 lijdende was aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - hem niet kunnen worden toegerekend.

Ten aanzien van de kans op herhaling overwegen de rapporteurs als volgt. "Betrokkene heeft geen enkel ziektebesef, vanwege zijn zwakbegaafdheid zal hij veel van hetgeen er om hem heen zal gebeuren niet begrijpen (en paranoïde interpreteren), hij neemt (...) geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn acties (...) en hij beschikt niet over een sociaal netwerk of betekenisvolle relaties, laat staan een steunend sociaal netwerk. (...) Het spreekt tegen deze achtergond voor zich dat er bij een terugkeer in de maatschappij legio destabiliserende factoren en invloeden zijn (...). Op grond van voorgaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat, indien betrokkene onbehandeld in de maatschappij terug zou keren, het recidiverisico al op (zeer) korte termijn zeer groot is.

Betrokkene dient een klinische behandeling van zijn psychische stoornis te krijgen in een daartoe gespecialiseerde setting".

Voorts heeft het hof acht geslagen op de aanvullende rapportage van het NIFP, d.d. 7 mei 2010 opgemaakt en ondertekend door J.M. Oudejans en F.R. Kruisdijk. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

"Betrokkene heeft onverminderd psychotische belevingen. Dit alles past in een inmiddels chronisch en onbehandeld psychotisch toestandsbeeld zoals dat destijds door het Pieter Baan Centrum werd vastgesteld. Gelet op deze stand van zaken kan gesteld worden dat het advies nog steeds in de richting gaat van een klinische behandeling. Gelet op het proces-verbaal van de zitting van 1 maart 2010 en de reactie van betrokkene in het gesprek met de psycholoog kan evenwel worden geconcludeerd dat hij inmiddels absoluut niet bereid is om mee te werken aan enige vorm van begeleiding, en weigert zich te conformeren aan enige voorwaarde in het kader van een TBS met voorwaarden. Verder wordt duidelijker dat een eventuele op te starten medicamenteuze dwangbehandeling contrair kan worden bevonden aan de intentie van een TBS met voorwaarden. Met deze stand van zaken zien rapporteurs geen andere mogelijkheid om betrokkene adequaat te behandelen en de maatschappelijke veiligheid voldoende te waarborgen dan te adviseren om hem een TBS met dwangverpleging op te leggen".

Tot slot heeft het hof acht geslagen op de aanvullende rapportage van het NIFP, d.d. 26 oktober 2011 opgemaakt en ondertekend door J.M. Oudejans en F.R. Kruisdijk. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. "Het aanvullend onderzoek geeft geen enkele aanleiding om in vergelijking met het vorige onderzoek (aanvullende rapportage d.d. 7 mei 2010) tot andere conclusies te komen ten aanzien van de diagnostiek, de toerekeningsvatbaarheid, de beoordeling van de delictgevaarlijkheid en het juridisch kader waarbinnen betrokkene voor zijn ernstige psychiatrische stoornis behandeld zou moeten worden om het recidiverisico te verminderen. Betrokkene ontkent tot op heden alle ten laste gelegde feiten, toont geen enkel ziektebesef, en is op geen enkele wijze gemotiveerd voor een (medicamenteuze) behandeling, in welk juridisch kader dan ook. Enigszins anders dan de eerste inschatting ten tijde van het eerste PBC onderzoek in 2009 doch in lijn met de aanvullende rapportage uit 2010, is er ook ten tijde van dit aanvullend onderzoek geen enkele grond om aan te nemen dat betrokkene bereid is om mee te werken aan enige vorm van begeleiding dan wel zich te conformeren aan enige voorwaarde in het kader van een tbs met voorwaarden. Met deze stand van zaken wordt geen ander mogelijkheid gezien om betrokkene adequaat te behandelen en de maatschappelijke veiligheid voldoende te waarborgen dan uw college te adviseren om betrokkene een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen".

Het hof komt met in achtneming van de beschouwingen en de conclusies van de deskundigen tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van het begaan van het onder 2, 4 en 6 bewezen verklaarde als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2, 4 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Met in achtneming van de beschouwingen en conclusies van de deskundigen komt het hof tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van het begaan van het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De verdachte is derhalve ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde niet strafbaar en zal mitsdien van alle rechtsvervolging worden ontslagen.

Motivering van de op te leggen maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege de niet strafbaarheid van het feit. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair tenlastegelegde de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege wordt opgelegd, en ter zake van het onder 4 en 6 tenlastegelegde toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 november 2011, is de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dwingen van twee slachtoffers tot het over en weer plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen. Daarbij heeft de verdachte gebruik gemaakt van geweld en bedreiging met geweld. Door aldus te handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog geruime tijd de nadelige psychische gevolgen hiervan ondervinden.

Bij het bepalen van de na te noemen maatregel heeft het hof in aanmerking genomen de inhoud van de bovengenoemde rapportages, de overige adviezen en rapporten die over de persoon van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat de aard en de ernst van de onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde feiten en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, mede gelet op het door de voornoemde gedragsdeskundigen geconstateerde gevaar voor recidive, momenteel eisen dat de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte wordt opgelegd, met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Naar het oordeel van het hof kan niet anders worden gereageerd dan met oplegging van deze maatregel.

Nu bovendien de door de verdachte onder 1 subsidiair en 3 begane feiten een misdrijven betreffen waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, is aan alle wettelijke voorwaarden voldaan. De door de verdachte begane feiten ter zake waarvan de maatregel wordt opgelegd, zijn misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Het onder 2, 4 en 6 bewezenverklaarde

Ten aanzien van het onder 2, 4 en 6 bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en daarmee blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendom. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn zus in haar woning. Door aldus te handelen heeft hij inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit, en gevoelens van angst en onrust bij haar teweeggebracht. Tot slot heeft de verdachte de voordeur van de woning van zijn moeder beschadigd. Zodoende heeft de verdachte de eigenaar van die woning schade berokkend.

Gelet op de maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd en op de vastgestelde verminderde toerekenbaarheid, wordt aan de verdachte ten aanzien van de onder 2, 4 en 6 bewezen verklaard feiten geen straf of maatregel opgelegd.

Beslag

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een gebroken bezemsteel en een mes dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het voorwerpen zijn met behulp waarvan de feiten 1 en 3 zijn begaan.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een boek, zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag, zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.344,44.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag, te weten € 1.608,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is in hoger beroep niet door of namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële en immateriële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.608,- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding Woonbron

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich ten behoeve van Woonbron als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 6 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 192,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is in hoger beroep niet door of namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij Woonbron

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 192,- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 6 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij Woonbron.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 10 mei 2007, onder parketnummer 10-632113-06, is de verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Naar het oordeel van het hof zijn er - gelet op de op te leggen maatregel - geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 246, 300, 302, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2, 3 primair, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3 primair, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte niet strafbaar ter zake van het onder 1 subsidiair en 3 primair bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart de verdachte ter zake van het onder 2, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar.

Gelast ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 3 primair dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Bepaalt dat ten aanzien van de feiten 2, 4 en 6 geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een gebroken bezemsteel en een mes.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een boek.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] terzake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.608,- (duizend zeshonderdacht euro) bestaande uit € 108,- (honderdacht euro) materiële schade en € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 1.608,- (duizend zeshonderdacht euro) bestaande uit € 108,- (honderdacht euro) materiële schade en € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij Woonbron

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Woonbron, ingediend door [benadeelde partij 3], terzake van het onder 6 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 192,- (honderdtweeënnegentig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Woonbron t.a.v. [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 192,- (honderdtweeënnegentig euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Rotterdam van 12 juni 2009, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 10 mei 2007, parketnummer 10-632113-06, voorwaardelijk opgelegde 2 weken gevangenisstraf.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. Chr. Baardman en mr. G. Knobbout, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 december 2011.