Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV7598

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
200.087.262/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY0957, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BY0957
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:1514
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling van de huwelijksgemeenschap. Geen verknochtheid van een uitkering in geld op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen een verzekeringsmaatschappij en de man ter zake alle aanspraken wegens materiële en immateriële schade, gelden ten gevolge van een ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/144
RFR 2012/81
FJR 2013/12 met annotatie van I.J. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 26 oktober 2011

Zaaknummer : 200.087.262.01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 09-1467 en 10-454

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.D. van Velthoven te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.C.G. Stut te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 13 mei 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 februari 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 12 juli 2011 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 23 augustus 2011 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van vrouw:

- op 21 juni 2011 een brief van 20 juni 2011 met bijlage;

van de zijde van man:

- op 22 augustus 2011 een brief een van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 2 september 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 20 mei 2010 van de rechtbank Rotterdam en naar de bestreden beschikking.

Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld als in het lichaam van de bestreden beschikking vermeld.

De echtscheidingsbeschikking is op 3 februari 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2. De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de vrouw als gedaan in haar inleidend verzoek, voor zover de rechtbank deze heeft afgewezen, of ten dele heeft toegewezen of daarop in het geheel niet heeft beslist, alsnog toe te wijzen.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bekrachtigen, voor zover het betreft de beslissing ter zake van de verknochtheid van de door de man ontvangen letselschadevergoeding.

In incidenteel appel verzoekt de man de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen voor zover:

a) daarbij de rechtbank heeft bepaald dat de man de kosten van de AWBZ-bijdragen ten bedrage van € 9.045,53 aan de vrouw dient te vergoeden en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad

primair te bepalen dat de man niet de AWBZ-bijdragen ad € 9.045,53 aan de vrouw verschuldigd is en te bepalen dat de vrouw aan de man het door de man aan haar betaalde bedrag van € 9.045,53 verschuldigd is voor zover dit bedrag reeds door de man aan de vrouw is voldaan;

subsidiair te bepalen dat de AWBZ-bijdragen bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld en te bepalen dat de vrouw aan de man de helft van het door de man aan haar betaalde bedrag van € 9.045,53, zijnde een bedrag van € 4.522,77, verschuldigd is voor zover dit bedrag reeds door de man aan de vrouw is voldaan;

b) daarbij de rechtbank heeft bepaald dat de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] niet bij de verdeling wordt betrokken en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de rekening aan de vrouw wordt toebedeeld en het positieve saldo van deze rekening per 3 februari 2011 bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld en dat de vrouw de helft van het positieve saldo aan de man verschuldigd is;

c) daarbij de rechtbank heeft bepaald dat met betrekking tot het doorlopend krediet [bank] [nummer] de man de helft van het negatieve saldo aan de vrouw verschuldigd is en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man ten aanzien van dit krediet niets aan de vrouw verschuldigd is en te bepalen dat de vrouw aan de man het door de man aan haar betaalde bedrag van € 997,90 verschuldigd is voor zover dit bedrag reeds door de man aan de vrouw is voldaan;

d) daarbij de rechtbank heeft bepaald dat de man alle oppaskosten ad € 1.000,- aan de vrouw dient te vergoeden en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad

primair te bepalen dat de man geen oppaskosten aan de vrouw verschuldigd is en te bepalen dat de vrouw aan de man het door de man aan haar betaalde bedrag van € 1.000,- verschuldigd is voor zover dit bedrag reeds door de man aan de vrouw is voldaan;

subsidiair te bepalen dat de oppaskosten bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld en te bepalen dat de vrouw aan de man de helft van het door de man aan haar betaalde bedrag van € 1.000,-, zijnde een bedrag van € 500,-, verschuldigd is voor zover dit bedrag reeds door de man aan de vrouw is voldaan.

Voorts verzoekt de man de bestreden beschikking aan te vullen voor zover daarbij door de rechtbank niet is beslist over de verdeling van de auto en beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw de helft van de waarde van de auto per 3 februari 2011 (datum ontbinding huwelijk) dan wel de helft van de verkoopprijs, althans een bedrag zoals het hof juist acht, aan de man verschuldigd is.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de aan de man verschuldigde bedragen binnen twee weken na betekening van de in deze te wijzen beschikking dient te voldoen.

4. De vrouw verzet zich daartegen.

Verzoek tot verdeling

5. Het hof begrijpt dat de vrouw verzoekt de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vast te stellen dan wel partijen te veroordelen over te gaan tot die verdeling, met benoeming van een notaris en onzijdige personen als volgens de wet.

6. Het hof overweegt dat ten aanzien van de omvang en samenstelling van de te verdelen huwelijksgemeenschap als hoofdregel geldt dat als peildatum dient te worden gehanteerd de datum van de ontbinding van het huwelijk. Dat is de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 3 februari 2011. Voor de waardering van de goederen en van het bedrag van de schulden moet in beginsel worden uitgegaan van de waarde respectievelijk het bedrag ten tijde van de verdeling.

Namens partijen is ter terechtzitting verklaard dat de peildatum op 3 februari 2011 dient te worden gesteld, zodat het hof van deze datum uitgaat.

7. Het hof overweegt voorts als volgt. Indien de rechter op grond van artikel 3:185 BW de verdeling dient vast te stellen, moet de rechter een deugdelijk inzicht hebben in de omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

8. Gelet op de overgelegde gegevens kan het hof de omvang van de boedel - op het moment van de ontbinding van het huwelijk - niet vaststellen en komt aldus aan een verdeling niet toe. Aangezien het hof de verdeling niet kan vaststellen, zullen partijen worden verwezen naar de notaris ten overstaan van wie de verdeling - met inachtneming van hetgeen het hof hierna zal overwegen - dient plaats te vinden, zoals in het dictum zal worden vermeld.

9. Het hof zal hieronder de juridische geschilpunten tussen partijen beoordelen en daarover beslissen.

Principaal appel

10. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het door de man ontvangen smartengeld - in de samenstelling waarvan de man volgens haar geen inzicht heeft verschaft - geheel aan hem is verknocht. Volgens de vrouw bevat deze uitkering waarschijnlijk ook schadecomponenten terzake van kosten die door de vrouw ten behoeve van de man zijn gemaakt, ofwel schadeposten, die zij destijds van de letselschadeadvocaat van de man moest bijhouden. De vrouw stelt dat het smartengeld om louter fiscale redenen is uitgekeerd onder de titel ‘immaterieel’. De vrouw stelt voorts dat eenmaal uitgekeerd smartengeld niet meer verknocht is. Naar maatschappelijke opvattingen is het aan de man uitgekeerde bedrag mede bestemd voor vergoeding van de schade - extra kosten, gederfde levensvreugde - die de vrouw als gevolg van zijn ongeval heeft geleden. De vrouw meent dat het daarom redelijk en billijk is het uitgekeerde bedrag tussen partijen te verdelen.

11. De man stelt dat de uitkering louter is opgebouwd uit smartengeld en buitengerechtelijke kosten en verwijst daarbij naar schriftelijke verklaringen van respectievelijk zijn letselschadeadvocaten en de door verzekeraar aangestelde schaderegelaar. De man betwist dat de uitkering met titel ‘immaterieel’ zou zijn uitgekeerd in verband met fiscale aspecten aangezien volgens hem over een dergelijke uitkering geen inkomstenbelasting is verschuldigd. De man stelt dat uitgekeerd smartengeld wel degelijk verknocht is. De man betwist dat de vrouw schade heeft geleden als gevolg van gederfde levensvreugde. Tevens betwist hij de gestelde extra kosten.

12. Het hof overweegt als volgt. De man heeft in 2009 op grond van een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen hem en de verzekeraar en onder meer inhoudende:

“(..........)

1. Alle aanspraken van benadeelde op vergoeding van de geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade worden door deze vaststellingsovereenkomst vastgesteld op een bedrag van € 156.000,- (ZEGGE: honderdzesenvijftigduizend euro).

2. Betaling vindt onverwijld plaats door overmaking van het geldbedrag naar de hieronder vermelde (post)bankrekening na ontvangst door verzekeraar van een door benadeelde ondertekend exemplaar van deze vaststellingsovereenkomst.

3. Tegenover het onder 1 en 2 gestelde verleent benadeelde finale kwijting ter zake van alle aanspraken op vergoeding van materiële en immateriële schade, die hij ten gevolge van het ongeval en het daardoor ontstane letsel heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden.

(.......)”

een uitkering in geld ontvangen. Het hof deelt niet het standpunt van de man dat deze gelden aan hem verknocht zouden zijn en niet in de gemeenschap zijn gevallen, Immers, voor verknochtheid is vereist dat de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald, met zich meebrengt dat het goed op bijzondere wijze aan de man is verknocht en dat die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW (Hoge Raad 23 december 1988, NJ 1989, 700). Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2008 (LJN: BF2295), naar welk arrest ook namens de vrouw is verwezen. Gelden voldoen niet aan het voormelde criterium, ongeacht of de betaling daarvan ziet op materiële - dan wel immateriële schadevergoeding, zodat de uitgekeerde schadevergoeding in de gemeenschap is gevallen.

13. Nu gelet op het vorenstaande de eerste grief van de vrouw slaagt, behoeven haar overige grieven (II tot en met IV) die zien op oppaskosten, kostenvergoeding van maaltijden en overige door de vrouw ten behoeve van de man betaalde kosten geen nadere bespreking. Immers, de vrouw wenste deze grieven slechts naar voren te brengen voor zover haar eerste grief geen doel zou treffen, zodat het hof deze grieven als ingetrokken beschouwt.

Incidenteel appel

AWBZ- en CAK-bijdragen

14. De man stelt in zijn eerste grief - kort gezegd - dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij de door de vrouw ten behoeve van hem betaalde AWBZ- en CAK bijdragen (hierna ook: de bijdragen) van in totaal € 9.045,53 aan de vrouw dient te vergoeden. Nu volgens de man de bijdragen niet als verknochte schulden hebben te gelden, brengt de lotsverbondenheid tussen echtgenoten met zich mee dat partijen ieder de helft van die schulden moeten dragen. Aangezien de vrouw op 27 januari 2010 reeds een bedrag van € 17.421,25 van de man heeft ontvangen - zijnde de helft van de UWV uitkering welke de man met terugwerkende kracht heeft ontvangen over de periode van 29 december 2005 tot en met 1 november 2009, is de man de vrouw ter zake van de bijdragen niets meer verschuldigd.

15. De advocaat van de vrouw heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat de vrouw geen verweer tegen de voormelde grief zal voeren, indien het hof zou bepalen dat het smartengeld tussen partijen dient te worden verdeeld.

16. Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de man geen belang bij zijn eerste grief nu deze ziet op betalingen en verrekeningen die voor de peildatum hebben plaatsgevonden. Deze betreffen derhalve niet te verdelen bestanddelen van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap van partijen.

Negatief saldo [bank] krediet [nummer]

17. De man stelt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man de helft van het door de vrouw gestelde negatieve saldo van het [bank] krediet met nummer [nummer] ten bedrage van € 1.995,80 aan de vrouw dient te betalen. Volgens de man is dit krediet reeds voor de zitting in eerste aanleg afgelost en is de vrouw in het bezit van de stukken.

18. De vrouw betwist het door de man gestelde en legt rekeningafschriften over.

19. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde rekeningafschriften die niet zijn betwist blijkt dat de rekening per de peildatum nog aanwezig was, zodat het saldo per 3 februari 2011 in de verdeling dient te worden betrokken. Voor zover sprake is van een negatief saldo per die datum zijn beide partijen draagplichtig voor deze schuld, ieder voor de helft.

Saldo bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] op naam van de vrouw

20. De man stelt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte het saldo van bovenvermelde rekening niet in de verdeling heeft betrokken. De vrouw legt een afschift over waaruit blijkt dat de rekening op 14 februari 2011 een negatief saldo van € 374,17 laat zien. De vrouw heeft er geen bezwaar tegen dit negatieve saldo met de man te delen.

21. Het hof overweegt als volgt. Het saldo van voormelde rekening maakt deel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap en dient in de verdeling te worden betrokken. Voor zover sprake is van een negatief saldo per 3 februari 2011, zijn beide partijen draagplichtig voor deze schuld, ieder voor de helft.

Auto

22. De man stelt in zijn vierde grief dat partijen in het bezit waren van een auto. Volgens de man heeft de vrouw de auto verkocht en de gehele opbrengst zelf gehouden. De vrouw dient de helft van de waarde van de auto door de man geschat op € 5.000,- aan de man te vergoeden.

23. De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat de neef van de man eind 2006 met instemming van de man de auto voor een bedrag van € 1.000,- heeft overgenomen. Dit bedrag is door die neef in het verzorgingstehuis ten overstaan van de man voor hem uitgeteld.

24. Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de auto voor de peildatum is verkocht, zodat deze geen deel meer uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Gesteld noch gebleken is dat er nog enig geldbedrag uit deze verkoop resteert op de peildatum dat in de verdeling zou moeten worden betrokken.

25. De man heeft ten slotte geen belang meer bij zijn vijfde grief die ziet op de oppaskosten van de vrouw nu de vrouw - zoals hiervoor onder 13 overwogen - geen aanspraak meer maakt op vergoeding van die oppaskosten.

26. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man en de vrouw dienen over te gaan tot de verdeling van de gemeenschap van goederen met inachtneming van hetgeen in deze beschikking is overwogen;

benoemt, indien de man en de vrouw zich niet over de keuze van een notaris kunnen verstaan, tot notaris ten overstaan van wier de werkzaamheden van de verdeling zullen geschieden: mr. J.Th.H. Leijser, notaris te Rotterdam of diens waarnemer of opvolger;

bepaalt dat de man en de vrouw voor de gekozen of benoemde notaris te dien einde moeten verschijnen op een door deze te bepalen tijd en plaats;

benoemt tot onzijdig persoon om de man, indien hij mocht weigeren voor de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de verdeling mee te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen hij mocht ontvangen te beheren: mr. B.S. van der Klauw, te Rotterdam;

benoemt tot onzijdig persoon om de vrouw, indien zij mocht weigeren voor de notaris te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht weigeren tot de verdeling mee te werken, te vertegenwoordigen en hetgeen hij mocht ontvangen te beheren: mr. M.E.T. Mijs-Zillikens, te Rotterdam;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Dijk en Van der Burght, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2011.