Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV6991

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
27-02-2012
Zaaknummer
BK-11/00201
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BP9793, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY8105, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BY8105
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. De verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen in de vorm van lijfrentetermijnen ging na het overlijden van de erflaatster onder algemene titel over op de erfgenamen. De erfgenamen kunnen uit hoofde van die verplichting in het jaar van voldoening van de lijfrentetermijnen de giftenaftrek toepassen op basis van art. 6.32 in samenhang met art. 6.40 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/550
Belastingadvies 2012/9.6
FutD 2012-0589
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00201

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 28 december 2011

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 maart 2011, nummer AWB 09/7308 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslag.

Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 279.883. Nadien heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.359 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 327.645.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Belanghebbende heeft op 8 november 2011 een nader stuk bij het Hof ingediend. Een afschrift hiervan is aan de wederpartij verstrekt.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

29 november 2011, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. De Inspecteur heeft ingevolge een door het Hof ter zitting tot haar gericht verzoek als aanvulling op het aldaar verhandelde een afschrift van de ' Duplicaat aanslag 2003' ingezonden. Een afschrift hiervan is naar belanghebbende verzonden. Het Hof rekent dit stuk tot de gedingstukken en heeft, gelet op de inhoud ervan, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Bij notariële akte van 11 april 2001 (hierna: de schenkingsakte) heeft de moeder van belanghebbende (hierna ook: de schenker) een schenking vrij van recht gedaan aan [A] (hierna: de Stichting). De Stichting is een algemeen nut beogende instelling. De schenking is gedaan in de vorm van de toezegging van een periodieke uitkering in natura door een jaarlijkse overdracht gedurende vijf opeenvolgende jaren van 16.000 certificaten van aandelen (hierna: de certificaten) in het kapitaal van een naamloze vennootschap gedurende het leven van de schenker en belanghebbende. In de schenkingsakte is onder meer het volgende bepaald:

"1. De uitkering van de lijfrentetermijnen van voormelde certificaten van aandelen zal geschieden door levering bij akte(n) te verlijden voor notaris mr. [B] te [Q], diens plaatsvervanger of opvolger, op of uiterlijk drieëntwintig maart van elk jaar. De eerste overdracht vindt plaats bij akte op heden voor mij, notaris, te verlijden. Deze overdracht vermeldt uitsluiting van ontbinding van de overeenkomst van levering.

2. De lijfrente-uitkeringen zijn vast en gelijkmatig in die zin, dat telkenjare zestienduizend (16.000) certificaten van aandelen X N.V., ten titel van de onderhavige schenking zullen worden overgedragen aan de begiftigde, voor de eerste maal op heden.

3. De koerswaarde bedraagt per drieëntwintig maart tweeduizend één:

tweeëntwintig euro en vijftig eurocent (€ 22,50).

3. De toegezegde lijfrentetermijnen in natura eindigen, zoals gezegd, na gemeld tijdsverloop en bij overlijden van de schenker en haar genoemde zoon. In het laatstvermelde geval van eindigen zal geen termijn meer verschuldigd zijn indien de schenker en haar genoemde zoon overlijden op of vóór drieëntwintig maart van het desbetreffende jaar. Bij overlijden van de schenker en haar genoemde zoon na drieëntwintig maart van het desbetreffende jaar behoeft geen teruggave te geschieden.

4. Schenker kan geen beroep op verrekening doen.

5. De periodieke uitkering kan niet worden afgekocht, vervreemd of tot voorwerp van zekerheid dienen.

6. De schenkingsrechten komen voor rekening van de schenker.

7. De kosten van deze akte, de aangifte voor het recht van schenking en de akten(n) van levering komen voor rekening van de schenker of haar genoemde zoon bij overlijden van de schenking"

3.2. De levering van de certificaten ter voldoening aan de uit de schenkingsakte voortvloeiende verplichting voor het jaar 2001 heeft plaatsgevonden bij notariële akte van 11 april 2001.

3.3. Ter zake van de schenking is een aanslag in het recht van schenking opgelegd, gedagtekend 20 mei 2003, berekend naar een verkrijging van € 1.658.340. Op deze aanslag is een bedrag van€ 182.417 verschuldigd. Volgens de schenkingsakte komt het schenkingsrecht voor rekening van de schenker. De aanslag in het schenkingsrecht is ten laste van de boedel van de schenker betaald op 29 juli 2003.

3.4. Op 10 januari 2002 is de schenker overleden. Zij heeft bij testament haar kinderen en kleinkinderen aangewezen als erfgenamen. De erfenis is door de erven aanvaard. Belanghebbendes aandeel in de nalatenschap is 17 percent.

3.5. In 2002 is geen uitvoering gegeven aan de lijfrenteverplichting jegens de Stichting. Bij notariële akte van 2 april 2003 hebben de erven alsnog de termijn voor het jaar 2002 voldaan door levering van 16.000 certificaten. Bovendien werden 381 certificaten geleverd, zijnde het stockdividend over 2002. Bij dezelfde akte is de termijn voor het jaar 2003, bestaande uit 16.000 certificaten, geleverd.

3.6. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 een persoonsgebonden aftrek wegens giften in aanmerking genomen van € 90.575, welk bedrag als volgt kan worden gespecificeerd:

Periodieke gift:

Lijfrentegift aan de Stichting € 60.552

Gewone giften:

Aandeel in het schenkingsrecht € 31.011

Andere giften € 3.418

Af: drempel € 4.406 --/

Totaal € 90.575

3.7. De aanslag is in overeenstemming met de aangifte vastgesteld. Nadien is de Inspecteur door zijn ambtsgenoot van de Belastingdienst/ [...]/kantoor [R] ervan op de hoogte gesteld dat de giftenaftrek betrekking heeft op de schenking van een recht op periodieke uitkeringen door de overleden moeder. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de giftenaftrek is gecorrigeerd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of (i) de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag beschikte over een feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Voor het geval deze vraag bevestigend wordt beantwoord is in geschil of (ii) belanghebbende voor de lijfrentetermijnen en het schenkingsrecht ingevolge artikel 6:32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) in aanmerking komt voor de giftenaftrek en (iii) voor welk bedrag alsdan de giftenaftrek moet worden toegepast.

Buiten geschil in hoger beroep is dat ten aanzien van de 381 als stockdividend ontvangen certificaten geen giftenaftrek dient te worden verleend.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het volgende standpunt:

Ten aanzien van de navorderingsaanslag

De Inspecteur was gehouden nader onderzoek te stellen naar de juistheid van de aangifte. Uit het gebruikelijke aangiftepatroon van belanghebbende kon immers worden afgeleid dat het bedrag aan giften in het onderhavige jaar sterk afweek van andere jaren. Het moet voor de Inspecteur - door de sterke overschrijding van de bovendrempel voor de andere giften - ook duidelijk zijn geweest dat in het opgevoerde bedrag van de giften, een periodieke gift was begrepen.

Ten aanzien van de lijfrentetermijnen en het schenkingsrecht

- De lijfrentetermijnen en het schenkingsrecht zijn als giften aftrekbaar. In het wettelijk systeem van de inkomstenbelasting treden de erven in de plaats van de erflater, zodat voor hen inkomensbestanddelen en fiscale aftrekposten van de erflater niet van aard veranderen, wanneer het tijdstip van belastbaarheid respectievelijk aftrek na diens overlijden is gelegen. Steun voor dit standpunt vindt belanghebbende in de arresten van de Hoge Raad van 15 juli 1986, BNB 1986/298 en BNB 1986/299.

- De lijfrentetermijnen zijn in de schenkingsovereenkomst van 11 april 2011 in vaste en gelijkmatige termijnen vastgelegd. Dat door de trage afwikkeling van de nalatenschap de tweede termijn eerst tegelijkertijd met de derde termijn in het jaar 2003 is betaald, doet niet af aan de aftrekbaarheid van die termijnen.

- Belanghebbende doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zijn moeder heeft indertijd na het overlijden van zijn vader zorg gedragen voor de betaling van de resterende lijfrentetermijnen van een door zijn vader gedane schenking van lijfrentetermijnen. Zij heeft ter zake van deze betalingen de giftenaftrek toegepast.

Ten aanzien van het bedrag van de giftenaftrek

- Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat voor de berekening van het bedrag van de aftrekpost voor de lijfrentetermijnen de beurskoers ten tijde van de schenking, € 22,50 moet worden gehanteerd. Het is deze beurswaarde die, samen met het overlijdensrisico, de verarming van de schenker bij het aangaan van de schenkingsovereenkomst heeft bepaald. Deze zienswijze wordt volgens hem ook gesteund door het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 26 april 1995, nr. DB95/1366M, V-N 1995, p. 1670, die voor de toepassing van de Wet opnieuw is uitgebracht op 29 november 2000, nr. CPP2000/2712M (hierna ook: het Besluit). Met verwijzing naar het Besluit doet hij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Subsidiair stelt hij dat het bedrag van de aftrekpost moet worden berekend op basis van de koers van € 11 die gold ten tijde van de voldoening van de tweede en de derde termijn.

- De hoogte van de aftrekpost wat betreft het schenkingsrecht moet worden berekend op

17 percent (het aandeel van belanghebbende in de nalatenschap) van de betaalde aanslag schenkingsrecht van € 182.417.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4. Voor hetgeen overigens door partijen is aangevoerd, verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de navorderingsaanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen, waarbij voor verweerder en

eiser dient te worden gelezen respectievelijk Inspecteur en belanghebbende.

"Nieuw feit

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan - voor zover hier van belang - de inspecteur, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

2.2. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat verweerder in het algemeen erop mag vertrouwen dat een aangifte correct is ingevuld (zie bijvoorbeeld HR 5 november 1986, nr. 24 075, BNB 1987/19). Alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de op de aangifte vermelde gegevens, dient verweerder een nader onderzoek in te stellen.

2.3. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder niet gehouden tot nader onderzoek van eisers aangifte, omdat hij niet aan de juistheid van de aangifte, meer in het bijzonder de daarin opgenomen giftenaftrek, behoefde te twijfelen. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld, zag eisers aangifte er verzorgd uit en heeft eiser jarenlang juist aangifte gedaan. Aan het enkele feit dat het om een hoge aftrekpost ging, behoefde verweerder niet het vermoeden te ontlenen dat mogelijk ten onrechte giftenaftrek werd geclaimd, temeer gezien de omvang van eisers vermogen. Dat de inspecteur te [R] de aangifte van één van de andere erfgenamen, waarin een zelfde aftrekpost was opgenomen, wel nader heeft onderzocht, maakt dit niet anders. Dit geldt temeer nu, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, de in die aangifte opgenomen giftenaftrek niet de aanleiding was om die aangifte aan een nader onderzoek te onderwerpen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook niet anderszins al bij het opleggen van de definitieve aanslag op de hoogte had kunnen zijn met het feit dat de door eiser geclaimde aftrek betrekking had op een schenking waartoe de moeder zich had verplicht. Anders dan eiser stelt, kan van een inspecteur redelijkerwijs niet worden verlangd dat hij bekend is met alle gegevens betreffende de familieleden van een belastingplichtige. Bovendien had verweerder indien hij bekend was geweest met het feit dat de moeder een periodieke schenking had gedaan, dat zij gedurende de reeks uitkeringen is overleden en dat er aangifte voor het recht van successie was gedaan, daaruit niet kunnen afleiden dat de door eiser geclaimde aftrek betrekking had op de periodieke schenking van moeder. Van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Is er sprake van een gift?

2.4. Wil er sprake zijn van een gift in de zin van artikel 6:32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 dan moet een waardeverschuiving plaatsvinden uit het vermogen van de gever naar dat van de begiftigde, waardoor diens vermogen wordt vergroot (vgl. HR 12 januari 1972, nr. 16695, BNB 1972/44).

2.5. Tot de stukken van het geding behoort een brief aan de Belastingdienst van 27 september 2002 inzake de aangifte voor het recht van successie. In de bijlage bij deze brief wordt een voorlopig overzicht gegeven van de bezittingen en schulden van de nalatenschap. Blijkens dit overzicht hebben de erven de periodieke schenking aan de Stichting aangemerkt als een schuld van de nalatenschap. Het zelfde heeft te gelden voor het hiervoor onder 1.10 vermelde schenkingsrecht. De periodieke schenking en het schenkingsrecht zijn derhalve op de nalatenschap in mindering gebracht voordat het bedrag waartoe de erfgenamen gerechtigd waren, werd bepaald. Nu de betaling aan de Stichting niet ten laste is gekomen van het vermogen van eiser, kan van een gift in de zin van artikel 6:32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 alleen om die reden al geen sprake zijn. Nu geen sprake is van een gift in de zin van artikel 6:32 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoeven de overige argumenten van eiser geen bespreking.

Gelijkheidsbeginsel

2.6. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van een begunstigend beleid, een oogmerk van begunstiging of een gunstiger behandeling in een meerderheid van de met het geval van eiser vergelijkbare gevallen.

2.7. Eiser heeft onder meer gesteld dat in een meerderheid van de met zijn geval vergelijkbare gevallen een gunstiger behandeling heeft plaatsgevonden. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat bij negen van de in totaal zeventien erfgenamen de giftenaftrek niet is gecorrigeerd. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat vanaf 1 januari 2003 voor de toepassing van de meerderheidsregel slechts in de vergelijking kunnen worden betrokken de met het geval van de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen van belastingplichtigen waarin de fiscale behandeling plaatsvindt door of namens dezelfde voorzitter van een managementteam (HR 29 mei 2009, nr. 43632, LJN: BI5110).

Deze regel geldt ook in gevallen waarin sprake is van optreden van de Belastingdienst dat wordt gecoördineerd op een hoger niveau dan alleen dat van de betrokken eenheid van de Belastingdienst en die regel geldt evenzeer in gevallen waarin het optreden van verschillende betrokken eenheden van de Belastingdienst niet wordt gecoördineerd, maar onderlinge afstemming wel had moeten plaatsvinden (HR 15 oktober 2010, nr. 09/00907, LJN: BM8179). Gesteld noch gebleken is dat bij een meerderheid van de erfgenamen die onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Rijnmond ressorteren de giftenaftrek niet is gecorrigeerd.

2.8. Voorts betoogt eiser dat verweerder in vergelijkbare gevallen begunstigend beleid voert. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat verweerder in gevallen waarin door echtgenoten gezamenlijk een periodieke schenking wordt gedaan en één van de echtgenoten voor het einde van de reeks periodieke uitkeringen overlijdt, aan de echtgenoot die de reeks uitkeringen voortzet aftrek van de volledige gift toestaat. Nog daargelaten dat verweerder heeft weersproken dat sprake is van een door hem gevoerd beleid, overweegt de rechtbank dienaangaande dat geen sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen.

Slotsom

2.9. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.''

Beoordeling van het hoger beroep

Navordering

7.1. De rechtbank heeft met betrekking tot belanghebbendes beroep op het ontbreken van een navordering rechtvaardigend nieuw feit op goede gronden een juiste beslissing gegeven. Het Hof maakt dit oordeel en de daarvoor gebezigde gronden tot de zijne en neemt hierbij in aanmerking dat de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde feiten en omstandigheden niet meebrengen dat de Inspecteur in redelijkheid aan de juistheid van de opgevoerde giftenaftrek behoorde te twijfelen.

Giftenaftrek: de lijfrentetermijnen

7.2.1. De moeder van belanghebbende heeft bij notariële akte van 11 april 2001 een schenking gedaan in de vorm van een recht op periodieke uitkeringen in natura.

7.2.2. De Inspecteur heeft in hoger beroep te kennen gegeven dat zij niet (langer) stelt dat de omstandigheid dat het geschonken recht op lijfrentetermijnen afhankelijk is gesteld van twee levens aan het periodieke uitkeringskarakter in de weg staat. Omdat dit standpunt geen blijk behoeft te geven van een onjuist inzicht in het recht, zal het Hof daarvan uitgaan. Daarmee staat vast dat de schenker zelf bij leven giftenaftrek geldend had kunnen maken.

7.2.3. Door voormelde schenking heeft een waardeverschuiving plaatsgevonden (ter grootte van de actuarieel gewaardeerde contante waarde van de verplichting) uit het vermogen van de schenker naar het vermogen van de begiftigde. Deze schenking is ook het belastbare feit voor het schenkingsrecht.

7.2.4. De uit de schenking voortvloeiende periodieke giften kunnen ingevolge artikel 6.32 van de Wet als persoonsgebonden aftrekposten in mindering komen op de inkomens van een belastingplichtige. Voor het tijdstip waarop persoonsgebonden aftrekposten in aanmerking komen geldt ingevolge artikel 6.40 van de Wet het kasstelsel.

7.2.5. Anders dan de rechtbank oordeelt, is de voorwaarde van vrijgevigheid niet van belang voor de aftrekbaarheid van de periodieke giften. De toekenning van het recht op periodieke uitkeringen diende te worden getoetst aan deze voorwaarde teneinde het schenkingskarakter daarvan vast te stellen. Met het aanleggen van deze toets is de voorwaarde uitgewerkt. De periodieke giften worden dus niet zelfstandig aan het vereiste van vrijgevigheid getoetst en leiden tot aftrek indien en wanneer zij worden voldaan op één van de wijzen vermeld in artikel 6.40, lid 1 aanhef en onder a tot en met c, van de Wet.

7.2.6. De verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen in de vorm van lijfrentetermijnen ging na het overlijden van de moeder van belanghebbende onder algemene titel over op de erfgenamen. De erfgenamen kunnen uit hoofde van die verplichting in het jaar van voldoening van de lijfrentetermijnen de giftenaftrek toepassen.

7.3. Ten aanzien van de stelling van de Inspecteur dat de lijfrentetermijnen geen periodieke giften zijn omdat zij niet 'vast en gelijkmatig' zijn heeft het volgende te gelden. De schenker is bij voormelde notariële akte de verplichting aangegaan om elk jaar 16.000 certificaten uiterlijk op 23 maart over te dragen aan de begiftigde. Hiermee wordt in beginsel voldaan aan het vereiste voor de aftrekbaarheid als periodieke gift. Dat de betaling van de tweede termijn, overigens door omstandigheden die naar 's Hofs oordeel buiten de directe invloedsfeer van belanghebbende waren gelegen, samenviel met de betaling van de derde termijn, doet aan de aftrekbaarheid niet af.

7.4.1. Voorts is in geschil voor welk bedrag de betaalde lijfrentetermijnen voor de giftenaftrek in aanmerking dienen te worden genomen. Naar 's Hofs oordeel dienen deze termijnen te worden afgetrokken op basis van de (beurs)waarde (€ 11) van de certificaten op het moment van overdracht. Dat is de consequentie van de keuze van de wetgever voor het zogenoemde kasstelsel.

7.4.2. Het door belanghebbende in dit kader gedane beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, reeds omdat het Besluit niet gaat over de bepaling van de waarde voor de giftenaftrek. Met het Besluit wordt beoogd giften in natura aan te merken als periodieke uitkeringen, in het bijzonder met het oog op het vereiste van vastheid van de uitkeringen. In het Besluit wordt daarom bij wijze van goedkeuring geregeld dat bij een schenking van een collectie objecten, op het moment waarop de verplichting wordt aangegaan, een nauwkeurige verdeling van de termijnen moeten worden vastgesteld aan de hand van de waarde in het economische verkeer van de verschillende objecten. Belanghebbende kan, gelet op het doel en de strekking van het Besluit, hieraan geen rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen voor de door hem voorgestane berekeningsmethode van de giftenaftrek op basis van de beurskoers ten tijde van de schenking van € 22,50.

7.4.3. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende ten aanzien van de lijfrentetermijn de giftenaftrek voor een bedrag van € 59.840 kan toepassen.

Ten aanzien van de toepassing van de giftenaftrek: het schenkingsrecht

7.5. De erflater heeft de schenking van de lijfrentetermijnen vrij van recht gedaan. Zij heeft hiermee de op de begiftigde rustende verplichting om het schenkingsrecht van € 182.417 te betalen uit vrijgevigheid voor haar rekening genomen. Het bedrag aan schenkingsrecht had zij in het jaar van betaling als gift in aftrek kunnen brengen. Ook deze (nog niet geformaliseerde) verplichting is bij haar overlijden onder algemene titel overgegaan op de erfgenamen, zodat belanghebbende voor zijn aandeel in het betaalde schenkingsrecht van

€ 31.011 (17 percent van € 182.417) de giftenaftrek kan toepassen.

7.6. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is.

7.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de navorderingsaanslag slechts betrekking kan hebben op het tussen partijen niet in geschil zijnde bedrag van het stockdividend van € 712. Blijkens het door de Inspecteur na de zitting ingezonden afschrift van het aanslagbiljet zou correctie met uitsluitend dit bedrag leiden tot een wijziging in het te verrekenen bedrag aan persoonsgebonden aftrek, doch niet tot de vaststelling van een hoger belastbaar inkomen dan bij de primitieve aanslag in aanmerking was genomen. De navorderingsaanslag dient derhalve te worden vernietigd.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de zaken met nummers BK-11/00201, BK-11/00202 en BK-11/00203 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 3.933, te weten € 2.185 (2,5 punten x € 437 x 2 (gewicht van de zaak)) plus € 1.748 (2 punten x € 437 x 2 (gewicht van de zaak)) wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en het Hof waarvan te dezen een gedeelte groot € 1.311 in aanmerking wordt genomen. Voor een hogere of andere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 41, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 112 te worden vergoed.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.311 en

- gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 153 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Th. Groeneveld, J.W. baron van Knobelsdorff en

B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 28 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.