Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV6293

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
20-02-2012
Zaaknummer
200.070.200-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2008:BG3804, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ5359, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ5359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht, uitleg uitsluiting, schade aan schip, vervoer gevaarlijke stoffen per schip, ADNR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.070.200/01

Zaak-/ rolnummer rechtbank : 278925/HA ZA 07-503

arrest d.d. 20 december 2011

inzake

1. Danes Rederij B.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

2. Coöperatieve Rabobank Merwestroom U.A.,

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: Danes c.s. en ieder afzonderlijk: Danes en Rabobank Merwestroom,

advocaat: mr. W.P. den Hertog te ’s-Gravenhage,

tegen

Schepen Onderlinge Nederland U.A.,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: SON,

advocaat: mr. E. Grabandt te ’s-Gravenhage.

Het geding

1.1 Bij exploot van 30 juni 2010 zijn Danes en de Coöperatieve Rabobank Sliedrecht-Graafstroom U.A. (hierna: Rabobank Sliedrecht) in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen hen als eisers en SON als gedaagde gewezen vonnis van 26 mei 2010. Bij memorie van grieven heeft Danes c.s. drie grieven aangevoerd. Vervolgens heeft Rabobank Merwestroom bij exploot aan SON mededeling gedaan dat Rabobank Sliedrecht als verdwijnende rechtspersoon op 31 januari 2010 is opgegaan in de verkrijgende rechtspersoon Coöperatieve Rabobank Hardinxveld-Giessendam U.A., die zijn naam op die datum heeft gewijzigd in Rabobank Merwestroom, dat het appelexploot per abuis Rabobank Sliedrecht als appellante noemt en dat zij dit gebrek met het exploot herstelt. Daarop heeft zij een akte tot rectificatie ingediend, waartegen SON bezwaar heeft gemaakt. Bij memorie van antwoord met producties heeft SON aangevoerd dat de Rabobank Sliedrecht niet-ontvankelijk is in het hoger beroep en heeft zij de grieven bestreden.

1.2 Partijen hebben op 15 november 2011 de zaak doen bepleiten, Danes c.s. door mr. M.J.E. Harmsen en mr. E.A. Bik, advocaten te Rotterdam, en SON door mr. J.F. van der Stelt, advocaat te Rotterdam, allen aan de hand van overgelegde pleitnotities. Bij gelegenheid van dit pleidooi heeft Danes c.s. een akte genomen, houdende een (voorwaardelijke) eiswijziging op de voet van art. 130 Rv. SON heeft een antwoordakte genomen tevens houdende bezwaar tegen eiswijziging ex art. 130 Rv Ten slotte is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2 De door de rechtbank in het vonnis van 26 mei 2010 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op zondagochtend 25 juli 2004 rond 02.00 uur is de aan Danes in eigendom toebehorende dubbelwandige binnenvaarttanker “Charlotte” (hierna: de Charlotte) ontploft. Voor het vrijwel nieuwe schip was een cascoverzekering gesloten met SON, waarop het Reglement Cascoverzekering Binnenvaart (hierna: het Reglement) van toepassing was. Op het moment van de ontploffing lag het schip afgemeerd op de blauwe kegelligplaats in het Rhein Herne kanaal te Oberhausen in Duitsland. De kapitein van het schip, [naam kapitein], is als gevolg van de explosie om het leven gekomen. Hij was, evenals de overige bemanning van het schip, in loondienst bij Danes. De Charlotte had een lading nafta vervoerd naar Bottrop, Duitsland, en had die lading op 24 juli 2004 om ongeveer 22.30 uur gelost. Op het vervoer was het reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (hierna: ADNR) van toepassing. De officier van Justitie te Duisburg heeft een onderzoek laten instellen naar de toedracht van de ontploffing. Dit onderzoek is uitgevoerd aan boord van het schip door ([...] van) Allianz Zentrum für Technik GmbH (hierna: Allianz). Daarnaast is in opdracht van dezelfde officier onderzoek gedaan door [deskundige 2] (hierna: [deskundige 2]). SON heeft verder nog advies ingewonnen van scheeps- en werktuigkundig expert [deskundige 3], verbonden aan het expertise- en ingenieursbureau Verschoor & Bras b.v. (hierna: [deskundige 3]) en van [deskundige 4] (hierna: [deskundige 4]). Danes c.s. heeft een onderzoek laten verrichten door [deskundige 5] (hierna: [deskundige 5]). Danes heeft haar vordering uit de verzekeringsovereenkomst verpand aan de Rabobank Sliedrecht-Graafstroom U.A. (hierna: Rabobank Sliedrecht), die een recht van hypotheek op de Charlotte had. SON heeft uitkering onder de verzekering afgewezen met een beroep op een aantal in artikel 16 van het Reglement neergelegde uitsluitingen. Dat artikel luidt (voor zover hier van belang) als volgt:

“Behoudens schade, die niet wordt vergoed op grond van wettelijke bepalingen, wordt in de navolgende gevallen schade niet vergoed (…).

19) Schade door vervoer van gevaarlijke en/of bijtende stoffen zonder inachtneming van het reglement vervoer gevaarlijke stoffen”.

De rechtbank heeft geoordeeld dat SON zich op de uitsluiting genoemd in artikel 16 onder 19 kan beroepen en heeft daarom de vordering van Danes c.s. tot uitkering onder de verzekering afgewezen.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

4. SON voert aan dat Rabobank Sliedrecht niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, omdat een rechtsmiddel alleen kan worden aangewend door een partij die ten tijde van het aanwenden daarvan bestaat en de Rabobank Sliedrecht ten tijde van het uitbrengen van het appelexploot en van de memorie van grieven ten gevolge van de fusie op 31 januari 2010 niet meer bestond. De niet-ontvankelijkheid moet zeker gelden voor een niet bestaande rechtspersoon die zelf in hoger beroep komt en het dus volledig in eigen hand heeft om het hoger beroep op de juiste naam in te stellen, aldus SON, die van mening is dat deze vergissing zich niet voor herstel leent. Danes c.s. hebben dit bestreden.

5. Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat in de regel het hoger beroep alleen kan worden ingesteld door een bestaande (rechts-)persoon. Als een rechtspersoon ten gevolge van een fusie voorafgaand aan het uitbrengen van het appelexploot is opgehouden te bestaan kan het hoger beroep dus in beginsel uitsluitend door de verkrijgende rechtspersoon worden ingesteld. De Hoge Raad heeft echter al in 2004 (HR 9 januari 2004, LJN AN7324) een uitzondering aanvaard voor het geval de wederpartij vóór het verstrijken van de appeltermijn ervan op de hoogte raakt dat de in de dagvaarding genoemde appellant is opgehouden te bestaan. In 2009 (HR 11 september 2009, LJN BI4198) is een verdergaande uitzondering aanvaard, in een geval waarin de rechtspersoon reeds ten tijde van de inleidende dagvaarding was opgehouden te bestaan, op de grond dat de wederpartij in elk geval heeft begrepen dat het haar verhuurster was die de procedure tegen haar voerde en zij, toen zij ermee bekend werd dat de verdwijnende rechtspersoon niet meer bestond en was opgegaan in de verkrijgende rechtspersoon, moet hebben begrepen dat in werkelijkheid de procedure vanaf het begin door en tegen de verkrijgende rechtspersoon als verhuurster werd gevoerd. Het hof ziet aanleiding om de in deze arresten ingezette lijn door te trekken naar het onderhavige geval op grond van de volgende omstandigheden. Het moet voor SON duidelijk zijn geweest dat het hoger beroep werd ingesteld door de bank in zijn hoedanigheid van hypotheek- en pandhouder, zij heeft zich na ontvangst van het appelexploot erop ingesteld dat hoger beroep zou dienen tegen de uitspraak in eerste aanleg en zij moet, nadat zij bekend werd met het feit dat Rabobank Sliedrecht was opgehouden te bestaan en opgegaan in Rabobank Merwestroom, hebben begrepen dat het hoger beroep werd ingesteld door Rabobank Merwestroom. SON is daarbij in geen enkel rechtens te respecteren verdedigingsbelang geschaad. Het stond Rabobank Merwestroom dan ook vrij de partijnaam aan de zijde van appellanten in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid. Het hof verstaat dan ook – en heeft dat in de benaming van appellante sub 2 in het arrest tot uitdrukking gebracht – dat het appel is ingesteld door Danes en Rabobank Merwestroom. Rabobank Merwestroom is ontvankelijk in het hoger beroep.

De eiswijziging

6. De eiswijziging is ingesteld onder twee voorwaarden. De eerste voorwaarde luidt dat het niet-ontvankelijkheidsverweer doel zou treffen. Die voorwaarde is niet vervuld, zodat de eiswijziging geen verdere bespreking behoeft.

De verdere beoordeling in hoger beroep

7. De eerste grief is gericht tegen de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan artikel 16 (19). Danes c.s. betoogt op een aantal gronden dat de tekst onduidelijk en onbegrijpelijk is.

8. Het hof stelt met de rechtbank voorop dat het bij de uitleg van de bepaling aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn de omstandigheden ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst en de clausule van belang, de deskundigheid van partijen, de bewoordingen van de clausule en de bedoeling van partijen. Tussen partijen staat vast dat Danes zich bij het sluiten van de overeenkomst heeft laten bijstaan door een deskundige verzekeringsmakelaar, [X] Assurantiemakelaars. Verder is door SON aangevoerd en door Danes c.s. niet betwist, dat Danes een onderneming is die zich professioneel met het vervoer van gevaarlijke stoffen bezig houdt en uit dien hoofde op de hoogte moet zijn van de voor zulk vervoer geldende veiligheidsregels, waaronder de op dat moment geldende regels van het ADNR, die zij ook aan boord had.

Een en ander betekent dat SON ervan mocht uitgaan dat ook Danes begreep dat de clausule de betekenis had die zij daaraan toekende, dat niet werd vergoed de schade die ontstaat doordat gevaarlijke (of bijtende) stoffen worden vervoerd zonder inachtneming van de op dat vervoer van toepassing zijnde regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Aan het aanbod van Danes c.s. om te bewijzen dat haar verzekeringsmakelaar ook niet op de hoogte was van de uitleg die SON nu aan de bepaling geeft, wordt voorbijgegaan omdat het niet zozeer gaat om de betekenis die de verzekeringsmakelaar aan het beding hecht, maar om de omstandigheid dat SON mocht aannemen, gezien de professionele begeleiding, dat Danes begreep dat de bepaling de betekenis had die zij, SON, daaraan hechtte.

9. Het hof verwerpt het standpunt van Danes c.s. dat de tekst van de bepaling onduidelijk is vanwege de volgens haar onduidelijke verwijzing naar het “reglement vervoer gevaarlijke stoffen”. Zoals hiervoor is weergegeven moet die verwijzing aldus worden begrepen, en had de verwijzing ook zo moeten worden begrepen door Danes als professionele vervoerder van gevaarlijke stoffen, dat het gaat om de voorschriften die gelden voor het vervoer waarbij de schade is ontstaan. Bij vervoer binnen Nederland geldt de Regeling Vervoer over de Binnenwateren van Gevaarlijke Stoffen en bij internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren geldt het ADNR. In het onderhavige geval ging het dus om het ADNR. Eén van de verplichtingen op grond van dat ADNR is het aan boord hebben van de geldende tekst, en aan die verplichting voldeed Danes ook: het ADNR was aan boord van de Charlotte. Bovendien is gesteld noch gebleken dat verwarring is ontstaan met enig ander reglement vervoer gevaarlijke stoffen dat op het vervoer van toepassing is dan het ADNR.

10. Danes c.s. voert verder aan dat zij ervan mocht uitgaan dat de verzekering, evenals de andere cascoverzekeringen in de binnenvaart, dekking verleende voor schade ontstaan door fouten, zelfs opzet of grove schuld, van de schipper of het scheepsvolk en dat zij dus mocht aannemen dat de norm van paragraaf 19 zich alleen richt tot de verzekerde zelf. Zij wijst ter ondersteuning van de door haar voorgestane uitleg op artikel 10 van het reglement. Nu de bedingen in artikel 10, die betrekking hebben op het verrichten van onderhoud en zorg en op de zeewaardigheid, zich richten tot de verzekerde, moet dat ook het geval zijn bij de op die bedingen aansluitende uitsluitingen in de paragrafen 13 en 24 van artikel 16 en daarom ook op paragraaf 19 die door SON in verband wordt gebracht met de paragrafen 13 en 24.

11. SON voert daartegenover terecht aan dat sommige uitsluitingen zich richten tot de verzekerde zelf (bijv. de paragrafen 1, 3 en 11) en andere niet, zodat zij ervan mocht uitgaan dat ook Danes begreep dat in die laatste paragrafen alle schade ontstaan door het niet in acht nemen van de in die bepalingen neergelegde normen (waaronder in paragraaf 19 het in acht nemen van het ADNR) van vergoeding was uitgesloten, ongeacht wie de regels niet in acht nam. Die uitleg strookt ook met het feit dat de uitsluiting van paragraaf 19 ziet op voorschriften die ook los van de uitsluiting gelden en waaraan de gehele bemanning van het schip en niet alleen de verzekerde zelf zich bij het vervoer van gevaarlijke stoffen aan de regels dient te houden met het oog op het voorkomen van gevaar en schade voor het schip en de bemanning. Danes heeft ook niet gesteld dat zij de nu door haar voorgestane uitleg, die inhoudt dat ook (moedwillige) overtredingen door de bemanning van haar tanker van de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door de verzekering worden gedekt, met SON heeft besproken of de dekking voor deze overtredingen bij SON heeft nagevraagd.

Aan het aanbod van Danes c.s. om deskundigen te horen, wordt voorbijgegaan omdat het hof een deskundigenbericht niet nodig acht, nu het gaat om beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen. Ook aan het aanbod om te bewijzen dat Danes het beleid hanteerde dat de ADNR-voorschriften moesten worden nageleefd en dat de kapitein en de matroos waren opgeleid en bevoegd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, wordt gepasseerd, omdat deze feiten niet voldoende zijn om een beroep op de uitsluiting ter zijde te stellen. De uitsluiting, zoals hiervoor uitgelegd, betreft immers de vraag of bij het vervoer de toepasselijke regels in dit concrete geval al dan niet zijn gevolgd.

12. Het beroep van Danes c.s. op de contra-proferentem-regel – wat daar overigens ook van zij – wordt verworpen. Danes is een professionele partij die zich bij het afsluiten van de verzekering heeft laten bijstaan door een deskundige verzekeringsmakelaar. Zij kan dan ook niet met een consument worden gelijkgesteld. Daar komt bij dat Danes c.s. geen duidelijk alternatief heeft aangegeven voor de uitleg van de clausule.

13. Danes c.s. betwist verder dat de bepaling van toepassing is omdat geen sprake was van vervoer, aangezien het schip was gelost en stillag op de blauwe kegelligplaats.

14. Dit betoog wordt verworpen, omdat een redelijke uitleg van het begrip vervoer (van gevaarlijke stoffen) meebrengt dat dit begrip op dezelfde wijze moet worden verstaan als in de op het vervoer betrekking hebbende regelgeving. Het op het onderhavige vervoer toepasselijke ADNR rekent tot het vervoer ook het laden, lossen en verwijderen van ladingresten, dus alle met het vervoer samenhangende activiteiten tot vervoer en daaronder valt blijkens artikel 7.2.3.7 ook het ontgassen.

15. De omstandigheid dat de tekst van de uitsluiting geen klaarheid geeft over de vraag of zelfs de geringste schadeveroorzakende overtreding van de honderden bladzijden met ADNR-regels dekking uitsluit, zoals Danes c.s. aanvoert, betreft geen onduidelijkheid van de clausule, maar stelt de vraag aan de orde of het beroep door de verzekeraar op de clausule, gelet op de geringheid van de overtreding en de schade, wellicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij pleidooi in hoger beroep heeft Danes c.s. met zoveel woorden een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gedaan, maar zij heeft daaraan gaan andere omstandigheden ten grondslag gelegd dan de door haar voorgestane uitleg van de clausule. Dat is onvoldoende om tot de gevolgtrekking te leiden dat een beroep door SON op de bepaling onaanvaardbaar is, nu geen sprake is van geringe overtredingen en de gevolgen daarvan diep ingrijpend waren zowel voor de bemanning als voor het schip.

16. Danes c.s. keert zich ook tegen het oordeel van de rechtbank dat er causaal verband dient te zijn tussen enerzijds “schade ontstaan door vervoer” en anderzijds niet- inachtneming van “regels uit het reglement vervoer gevaarlijke stoffen”, maar het hof leest in haar stellingen geen pleidooi om die eis niet te stellen; in grief 2 voert zij juist aan dat aan het vereiste causaal verband niet is voldaan. Voor zover zij wil betogen dat (ook) in dit opzicht de clausule de benodigde helderheid ontbeert, wordt dit standpunt verworpen op grond van het hiervoor overwogene, dat een redelijke uitleg, gelet op de bedoelingen van partijen, hun kennis en de bewoordingen van het artikel, meebrengt dat de bepaling van dekking uitsluit schade geleden door het niet in acht nemen van de voorschriften bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.

17. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat aan het vereiste causale verband tussen het niet in acht nemen van de ADNR-voorschriften en de schade is voldaan. Danes c.s. betoogt dat uit het rapport van Allianz en [deskundige 2] niet volgt dat er verband bestaat tussen de gedragingen van de bemanning van de Charlotte en de ontploffing(en) en dat ook uit de verklaringen in het politie proces-verbaal geen oorzaak volgt.

18. Bij de beoordeling neemt het hof tot uitgangspunt dat op grond van paragraaf 19 van artikel 16 causaal verband dient te bestaan tussen het niet in acht nemen van het ADNR en de schade. Verder kan ervan worden uitgegaan dat de Charlotte direct voorafgaand aan de ontploffing al stilliggend ontgaste, dat ten tijde van de ontploffing een aantal tankwasopeningen open stond en bovendien twee tankdeksels. Ook kan als vaststaand worden aangenomen dat de Charlotte is ontploft doordat een nafta damp-/luchtmengsel bij het ontgassen vlam heeft gevat. Tegen deze oordelen van de rechtbank in de overwegingen 5.4.3 en 5.4.4 zijn immers geen grieven gericht.

19. Danes c.s. betoogt dat de Charlotte mocht ontgassen op haar ligplaats: de blauwe kegelligplaats nabij de sluis in het Rhein-Herne kanaal te Oberhausen.

20. Het hof verwerpt dat standpunt. Alle geraadpleegde deskundigen, [deskundige 4], [deskundige 3] en [deskundige 5] verklaren immers dat – in de woorden van [deskundige 5] – het ADNR voor nafta het ventileren van geloste ladingtanks slechts toestaat tijdens het varen, met de restrictie dat in de buurt van sluizen het ontgassen verboden is. Door afgemeerd en in de buurt van een sluis te ontgassen handelde de bemanning van de Charlotte dus in strijd met artikel 7.2.3.7.2 van het ADNR.

21. Het hof gaat voorbij aan de klacht van Danes c.s. dat ongemotiveerd aan hun opmerkingen over de ongeloofwaardigheid van de rapporten van [deskundige 3] en [deskundige 4] is voorbijgegaan. Ook haar eigen deskundige, [deskundige 5], verklaart immers dat stilliggend ontgassen en ontgassen bij sluizen is verboden (antwoord op vraag 2) evenals het uitblazen van het damp/luchtmengsel via ladingtankluiken of de zgn. “butterwash”-poorten (antwoord op vraag 4).

22. Juist is, zoals Danes c.s. stelt, dat de ontstekingsbron niet bekend is. Niettemin is het hof met de rechtbank van oordeel dat aan het causaal verband tussen het handelen in strijd met het ADNR is voldaan, omdat, het als rechtens relevante oorzaak oorzaak aan te merken stilliggend ontgassen en het openen van tankwasopeningen en tankdeksels bij de weinige wind (windkracht 2) die in de richting van het achterschip woei, tot gevolg heeft gehad dat zich een nafta damp-/luchtmengsel over het schip verspreidde, dat door onbekende oorzaak tot ontploffing kwam. Het hof verwijst naar de conclusie van Allianz (rapport punt 6):

“Volgens de bevindingen waren de mangatdeksels aan stuurboord van alle tanks gedeeltelijk geopend, zodat naftadampen of nafta-lucht-mengsels aan dek konden komen. Op grond van de windsnelheden zouden hier in een wijde omtrek de naftaconcentraties in de lucht onderkritisch gebleven kunnen zijn. Dit geldt niet ter plaatse van het achterschip boven T 10, omdat de wind van de boeg in de richting van het achterschip blies. Hier zouden kritische concentraties naftadamp aanwezig geweest kunnen zijn. Uit de toestand van het schip blijkt, dat eerst T 10 gebarsten is. (…). Met de beschikbare informatie ligt het het meest voor de hand dat het ontvlambare mengsel in T 10 aan dek in de nabijheid van het mangatdeksel aan stuurboordzijde ontstoken werd.”

en naar het rapport van [deskundige 2] (blz. 3):

“De zich aan boord bevindende mangatdeksels werden geopend, (…), zodoende stroomde het NAFTA-damp-luchtmengsel niet via de over boord hangende slang uit, maar het NAFTA-luchtmengsel strooomde aan dek uit en kon zich hier uitbreiden. (…). De ten tijde van het ongeval heersende windrichting dreef het mengsel in de richting van de stuurhut en de woning. Hier is bij laadtank 10 brand uitgebroken en een begin van een explosie ontstaan.”

Het hof is van oordeel dat als niet in strijd met de ADNR-regels was ontgast, het nafta-damp-/luchtmengsel niet aanwezig was geweest en er geen ontploffing had kunnen plaatsvinden. Daarmee is er een causaal verband tussen het handelen in strijd met de ADNR-regels en het ongeval.

23. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft Danes c.s. nog aangevoerd dat er geen bewijs is van te hoge concentraties gas, en dat uit de berekening van [deskundige 5] volgt dat de tankdeksels na 2,6 uur al veilig konden worden geopend.

24. Het hof verwerpt dit betoog. [deskundige 5] schrijft in zijn rapport (blz. 11) dat zijn conclusie is dat een tijdsduur benodigd was van ongeveer 7 uur om de Charlotte te ontgassen tot beneden 10% van de onderste explosiegrens. Verder vermeldt hij dat hem in een gesprek met de bemanning van het zusterschip van de Charlotte is meegedeeld dat de praktijkervaring is dat het schip onder gunstige weersomstandigheden binnen 4-6 uur kan worden ontgast. Daar komt bij dat de Charlotte volgens de verklaringen van [A en B] (rapport Allianz, blz. 36 en 43 in handschrift) om 23.00 uur gelost was, en pas om 23.30 uur uit Bottrop is vertrokken, zodat zij ten tijde van de ontploffing nog maar 2,5 uur had ontgast.

25. Grief 3 strekt blijkens de toelichting tot een nieuwe behandeling in hoger beroep. De grief vermeldt echter niet welke bezwaren bestaan tegen het oordeel van de rechtbank, afgezien van die genoemd in de grieven 1 en 2. SON heeft ook aangevoerd dat zij uit grief drie niet heeft kunnen opmaken welke bezwaren Danes c.s. met deze grief besproken willen zien. De grief faalt dan ook omdat zij onvoldoende duidelijk maakt tegen welk onderdeel van de uitspraak zij is gericht.

26. De slotsom van het voorgaande is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden bekrachtigd. Danes c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – HR 19 maart 2010, LJN: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen Danes en Rabobank Sliedrecht enerzijds en SON anderzijds gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2010;

- veroordeelt Danes c.s. in de kosten van het hoger beroep tot aan deze uitspraak aan de zijde van SON begroot op € 6.190,-- aan griffierecht en € 1.631,50 aan salaris van de advocaat;

- verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Olthof, J.W. van Rijkom en G. Tangenberg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2011 in aanwezigheid van de griffier.