Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV3749

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
13-02-2012
Zaaknummer
200.085.347-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen bij verstek gewezen arrest. Hangende dit verzet wordt geopposeerde (aanvankelijk appellante) in staat van faillissement verklaard. Curator verschijnt in het geding. Is de verzetprocedure door het faillissement van rechtswege geschorst ?

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 26
Faillissementswet 29
Faillissementswet 30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 125
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 147
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.085.347/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 905788/09-30515

Arrest van 20 december 2011

inzake

VERHOEVEN ZEEWOLDE B.V.,

gevestigd te Zeewolde,

opposante,

hierna te noemen: Verhoeven,

advocaat: mr. R.G.M. Michels te Eindhoven,

tegen

MR. MARIANNE PEETERS, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van Aannemings- en baggerbedrijf Ekelschot B.V. te Harmelen,

kantoorhoudend te Woerden,

geopposeerde,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. A.I. Mekes te Gouda.

Het geding

Bij exploot van 29 maart 2011 is Verhoeven in verzet gekomen tegen het arrest van dit hof, op 15 februari 2011 onder zaaknummer 200.060.183/01 gewezen in de zaak tussen Aannemings- en baggerbedrijf Ekelschot B.V. (hierna: Ekelschot) als appellante en Verhoeven als geïntimeerde. De curator heeft een akteverzoek 'ter uitlating verzetdagvaarding en producties' gedaan, waarop door Verhoeven bij antwoordakte is gereageerd. Daarna hebben partijen processtukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het verzet

1 Het gaat in dit geding in hoofdzaak om het volgende.

1.1 Op vordering van Verhoeven heeft de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, bij vonnis van 23 februari 2010 Ekelschot veroordeeld om aan Verhoeven te betalen een bedrag van € 16.485,61, vermeerderd met rente, en Ekelschot tevens belast met de proceskosten. In dit geding was Ekelschot wel verschenen maar had zij geen verweer gevoerd.

1.2 Bij exploot van 17 maart 2010 is Ekelschot van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij dit hof. Verhoeven is in de appelprocedure niet verschenen. Ter rolle van 6 juli 2010 heeft Ekelschot van grieven gediend, waarna zij ter rolle van 3 augustus 2010 haar procesdossier heeft overgelegd en arrest heeft gevraagd. In de memorie van grieven is vermeld dat Ekelschot aan het – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – vonnis heeft voldaan.

1.3 Op 10 augustus 2010 is Ekelschot in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator tot curator. Met deze omstandigheid is het hof in de appelprocedure niet op de hoogte gebracht.

1.4 Bij arrest van 15 februari 2011 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd in zoverre als Ekelschot daarbij is veroordeeld om aan Verhoeven een hoger bedrag te betalen dan € 6.057,96, vermeerderd met rente en met € 800,- wegens buitengerechtelijke kosten. Tevens is de beslissing omtrent de proceskosten vernietigd en zijn de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep gecompenseerd.

1.5 Tegen dit arrest is Verhoeven in verzet gekomen. Haar vordering strekt er, beknopt weergegeven, toe dat het hof overgaat tot herroeping van het bij verstek gewezen arrest en tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.

1.6 De curator heeft in haar akte het standpunt ingenomen dat het arrest terecht is gewezen. Zij verzoekt het hof dat arrest te bekrachtigen.

2 Nu uit de akte van de curator kan worden afgeleid dat zij de vordering van Verhoeven tot de door het hof toewijsbaar geachte bedragen erkent en nu niet weersproken is dat die bedragen al zijn voldaan, gaat het in dit verzet nog om het verschil tussen de oorspronkelijke vordering van Verhoeven en de bedragen die het hof toewijsbaar heeft geacht. Het gaat dus om een (restant-)vordering tot voldoening van een verbintenis uit de boedel. Ingevolge artikel 26 F dient deze – in beginsel – geldend gemaakt te worden door aanmelding ter verificatie.

2.1 Ingevolge artikel 29 F wordt een aanhangig geding met betrekking tot een dergelijke vordering – van rechtswege – geschorst, om alleen dan voortgezet te worden indien de verificatie van de vordering betwist wordt. Indien evenwel vóór de faillietverklaring de gedingstukken tot het geven van een beslissing aan de rechter zijn overgelegd, is onder meer artikel 29 F niet toepasselijk, aldus artikel 30, eerste lid, F. Volgens het tweede lid van dit artikel wordt artikel 29 F weer toepasselijk indien het geding ten gevolge van de beslissing van de rechter wordt voortgezet.

Artikel 29 F geldt ook in hoger beroep en ziet uitsluitend op de instantie waar het geding aanhangig is op het moment van de faillietverklaring (HR 16 januari 2009, LJN: BH0070, NJ 2009, 55 en HR 23 september 2011, LJN: BQ8092).

2.2 Voor wat betreft de procedure die is geëindigd met het arrest van 15 februari 2011 mag aangenomen worden dat artikel 30, eerste lid, F van toepassing was. Ten tijde van de faillietverklaring van Ekelschot waren immers door haar reeds de gedingstukken voor arrest aan het hof overgelegd. Van een schorsing van het geding is dus geen sprake geweest.

2.3 Het is niet onjuist dat Verhoeven, toen dit arrest haar niet beviel, een verzetdagvaarding heeft laten uitbrengen, teneinde daarmee te voorkomen dat het arrest kracht van gewijsde zou krijgen. Het is ook juist dat zij dit exploot heeft doen betekenen aan de curator.

2.4 Met het uitbrengen van de verzetdagvaarding werd het geding weer bij het hof aanhangig (artikel 125, eerste lid, Rv in verbinding met artikel 353 Rv). Door het verzet werd de instantie heropend (artikel 147 Rv). Het hof is van oordeel dat deze situatie op één lijn gesteld moet worden met die als bedoeld in artikel 30, tweede lid, F.

2.5 Dit zou anders zijn indien zich in dit geval de situatie zou hebben voorgedaan, die heeft geleid tot genoemd arrest van 16 januari 2009, maar dat is niet het geval aangezien in dit geding niet de curator het rechtsmiddel (verzet) heeft aangewend en daarmee als het ware al een keuze met betrekking tot de verificatie van de vordering heeft gemaakt.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om – in het licht van het door de curator ingenomen standpunt en de situatie dat de zaak in feite in staat van wijzen is gekomen – af te wijken van de hoofdregel dat vorderingen tot voldoening uit de boedel ter verificatie moeten worden aangemeld, omdat bij de verificatie van dergelijke vorderingen ook de belangen van andere schuldeisers betrokken kunnen zijn.

2.6 Aangenomen moet dan ook worden dat de verzetprocedure, zodra deze door het uitbrengen van de verzetdagvaarding bij het hof aanhangig werd, van rechtswege is geschorst. De zaak zal van de rol worden afgevoerd. Het geding kan, indien partijen niet tot een vergelijk kunnen komen, worden voortgezet wanneer de vordering tijdens een verificatievergadering behandeld is en de rechter-commissaris in het faillissement van Ekelschot partijen weer naar dit hof heeft verwezen.

3 Bij deze stand van zaken zal het hof thans niet ingaan op het geschil dat partijen verdeeld houdt en volstaan met na te melden dictum.

Beslissing

Het hof:

verstaat dat het geding van rechtswege geschorst is.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. Roos, J.C.N.B. Kaal en H.J.H. van Meegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2011 in aanwezigheid van de griffier.