Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV3655

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
200.082.677.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling huwelijksgemeenschap; beslissing aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 21 december 2011

Zaaknummer : 200.082.677/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-9262 en FA RK 08-8794

[verzoeker]

wonende te [adres],

verzoeker in hoger beroep, tevens verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.T. van Loenen te Rotterdam,

tegen

[verweerster]

wonende te [adres]

verweerster in hoger beroep, tevens verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. drs. K. Moene te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 22 februari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 november 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 12 mei 2011 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 23 maart 2011 de stukken in eerste aanleg;

- op 25 juli 2011 een brief van 22 juli 2011 met bijlagen;

- op 28 juli 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 5 augustus 2011 een brief van 28 juli 2011 met bijlagen;

- op 5 augustus 2011 een brief van diezelfde datum.

De zaak is op 19 augustus 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vastgesteld:

Aan de man worden toebedeeld:

- de helft van de overwaarde van de echtelijke woning na aftrek van de kosten die aan de verkoop en levering van de woning zijn verbonden, alsmede de helft van de waarde van de levensverzekering bij [nummer] met polisnummer [nummer]

- zijn lijfsieraden, zonder nadere verrekening;

- de spaarrekening [adres] met nummer [nummer] onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van het saldo per peildatum 6 mei 2010 aan de vrouw zal voldoen;

- het renteniersplan bij [adres] met nummer [nummer], onder bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- het effectendepot en de effectenrekening bij [adres], beide met nummer [nummer] onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- de beleggerspaarrekening en de beleggers rendementsrekening bij [adres], beide met nummer [nummer] onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- (indien deze niet blijkt te zijn opgeheven) de teledirectspaarrekening bij [adres] met nummer [nummer] onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van het saldo per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- (indien deze niet blijkt te zijn opgeheven) de betaalrekening bij [adres] met nummer [nummer] onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van het saldo per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- indien deze niet blijkt te zijn opgeheven) de rekening bij [adres] met nummer [nummer] onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van het saldo per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- het spaardepot bij [adres] met nummer [nummer] met het aan het depot gekoppelde rekening met nummer [nummer] onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- een levensverzekering bij [adres] met polisnummer [nummer], onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- de vordering op Lachman Anand [betrokkene]ad van € 40.000,-, te vermeerderen met 20% rente per jaar, onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde per peildatum aan de vrouw zal voldoen;

- de helft van de lening bij de vader van de man van € 10.000,-, zijnde € 5.000,- te vermeerderen met de overeengekomen rente;

- de helft van alle verplichtingen aan en restituties van de belastingdienst die partijen tot aan de peildatum verschuldigd zijn, dan wel zullen ontvangen,

Aan de vrouw worden toebedeeld:

- de helft van de overwaarde van de echtelijke woning na aftrek van de kosten die aan de verkoop en levering van de woning zijn verbonden, alsmede de helft van de waarde van de levensverzekering bij [nummer] met polisnummer [nummer]

- haar lijfsieraden, zonder nadere verrekening;

- de rekening bij [adres] met nummer [nummer], onder de bepaling dat zij wegens overbedeling de helft van het saldo per peildatum aan de man zal voldoen;

- de rekening bij [adres] met nummer [nummer] onder de bepaling dat zij wegens overbedeling de helft van het saldo per peildatum aan de man zal voldoen;’

- de helft van de lening bij de vader van de man van € 10.000,-, zijnde € 5.000,- te vermeerderen met de overeengekomen rente, in die zin dat voor zover de man aantoonbaar op deze schuld aflost, de vrouw hiervan de helft aan de man dient te voldoen;

- de helft van alle verplichtingen aan en restituties van de belastingdienst die partijen tot aan de peildatum verschuldigd zijn, dan wel zullen ontvangen.

Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man haar in verband met niet betaalde hypotheeklasten € 15.004,08 dient te voldoen, is toegewezen.

Het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw de helft van de kosten van het door het hof geëntameerde forensisch onderzoek van € 10.000,- dient te voldoen, is afgewezen.

Iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de onderneming van de man is pro forma aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking alsnog te vernietigen, een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, naar het hof begrijpt: opnieuw beslissende, deze te wijzigen voor zover het de toedeling van de polis bij [adres] (polis [adres]) onder nummer [nummer] en de polis bij [adres] onder nummer [nummer] betreft en de verzoeken omtrent toedeling van deze polissen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen.

4. De man verzet zich daartegen.

5. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna, voor zover nodig, zal worden ingegaan.

6. Het hof stelt voorop dat de rechtbank een partiële verdeling heeft vastgesteld (de beslissing ten aanzien van de verdeling van de onderneming van de man is aangehouden) en ter zitting in hoger beroep hebben beide partijen verklaard dat zij instemmen met die partiële verdeling.

Leningen aan de heer [belang[betrokkene]

7. De man stelt zich in zijn beroepschrift op het standpunt dat zijn neef [belang[betrokkene] een bedrag van € 15.000,- heeft geleend van de man, aldus dat door hem dit bedrag aan [belanghebbende] een wisselkantoor i[adres]] is overgemaakt, waarna door dit kantoor dit bedrag aan [betrokkene] is uitbetaald. Tot op heden is geen rente en aflossing voldaan. Hieruit volgt volgens de man dat het niet redelijk is dat de vordering op de man wordt afgewenteld. Volgens de man is de vordering oninbaar. Voor zover de vordering inbaar zou zijn meent de man dat de vordering bij helfte dient te worden gedeeld. De vrouw acht het standpunt van de man dat hij slechts € 15.000,- aan de heer [betrokkene] zou hebben geleend niet conform de overeenkomsten en daarom ongeloofwaardig. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht bedoelde geldleningsovereenkomsten aan de man heeft toebedeeld onder de verplichting dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde per peildatum aan de vrouw dient te voldoen.

8. Het hof overweegt als volgt. Blijkens een beschikking van dit hof van 8 september 2010, tussen partijen gewezen, is de heer R. Kooger RA FM benoemd tot deskundige teneinde – onder meer – het inkomen dat de man uit zijn onderneming ontvangt, te kunnen vaststellen. Deze zaak is laatstelijk aangehouden tot 28 januari 2012 pro forma. Het hof overweegt dat het, gelet op de stukken en het besprokene ter zitting, thans niet kan beoordelen welke gelden ten titel van geldlening naar de heer [belang[betrokkene] zijn overgemaakt. Het hof acht het - gelijk de vrouw - in het belang van beide partijen dat de opdracht aan de heer Kooger op dit punt wordt uitgebreid zodat hij in zijn onderzoek tevens meeneemt welke gelden ten titel van geldlening naar de heer L.A [betrokkene] zijn overgemaakt en of er nog meer geld is overgemaakt naar [adres]. Het hof zal het verzoek van de man ter zake van de twee geldleningen aanhouden.

Kosten huishouding en lasten van de hypothecaire lening

9. De man voert verder aan dat de rechtbank in haar beoordeling ten onrechte heeft overwogen:

”dat de man gelet op de inhoud van de beschikking, waarin bij bepaling van de hoogte van de alimentatie met deze lasten rekening is gehouden, op grond van artikel 1:84 BW, waarin betaling van de kosten van de huishouding ten tijde van het huwelijk geregeld is, alsmede op grond van de redelijkheid – ten tijde van de samenleving werden deze kosten immers door de man voldaan – gehouden is alsnog aan deze verplichting te voldoen”.

De man meent dat het oordeel van de rechtbank onjuist is alsook ontoereikend en/of ondeugdelijk gemotiveerd is.

Het hof verenigt zich echter met de overwegingen in de bestreden beschikking alsmede met de daarop steunende beslissing en neemt deze hierbij over. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat bij haar beschikking voorlopige voorzieningen van 5 maart 2009, de rechtbank de draagkracht van de man voor de voorlopige kinder- en partneralimentatie heeft berekend door aan de zijde van de man rekening te houden met voldoening door hem van de hypothecaire lasten voor de echtelijke woning. De man heeft ten aanzien van de beschikking voorlopige voorzieningen geen verzoek tot wijziging aanhangig gemaakt. De man heeft deze hypothecaire lasten echter niet voor zijn rekening genomen. Hij heeft weliswaar maandelijks betalingen aan de vrouw gedaan, maar deze betalingen dekten niet de maandelijkse lasten van de hypothecaire geldlening, de premie levensverzekering alsook zijn alimentatieplicht jegens de vrouw. Het hof vat deze betalingen zoals die blijken uit het door de vrouw overgelegde onbestreden overzicht, op als betalingen van de alimentatie, niet als betalingen betreffende de lasten van de hypothecaire geldlening. Het hof is derhalve van oordeel dat de rechtbank terecht het desbetreffende verzoek van de vrouw, voor zover dat betrekking heeft op de lasten van de hypothecaire geldlening heeft toegewezen.

Gebruiksvergoeding

10. De man stelt voorts dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan hem is verschuldigd wegens het gebruik van de echtelijke, naar het hof begrijpt gemeenschappelijke woning, aangezien zij het uitsluitend gebruik daarvan heeft. Het hof overweegt als volgt. Op grond van het feit dat de vrouw met ingang van de ontbinding van de gemeenschap op 6 mei 2010 het uitsluitend gebruik van de woning heeft, is zij aan de man inderdaad een gebruiksvergoeding verschuldigd. Gebleken is in dit verband dat de vrouw vanaf de datum echtscheiding alle eigenaarslasten van de echtelijke woning voor haar rekening neemt, waaronder de voldoening van de lasten van de met die woning verbonden hypothecaire geldlening van € 752,75 bruto per maand, welke lasten ingevolge het in de beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank van 5 maart 2009 op p. 4, overwogene, door de man dienen te worden voldaan. Naar het oordeel van het hof brengt dit een en ander met zich mee dat de vrouw aldus per saldo reeds aan de man een gebruiksvergoeding heeft betaald en geen bedrag meer aan de man behoeft te voldoen.

Voorschot deskundige

11. De man acht het redelijk en billijk om de kosten van de deskundige, ter zake een beroepsprocedure van de voorlopige voorzieningen, bij helfte te verdelen tussen partijen. Vast staat dat het hof bij beschikking van 8 september 2010 een deskundige heeft benoemd. Het voorschot van de deskundige is vastgesteld op € 10.000,- inclusief omzetbelasting. Ingevolge het bepaalde in artikel 362 in verbinding met artikel 284 lid 1 en 4 in verbinding met artikel 195 Rv is dat voorschot ten laste van de man gebracht. In die procedure zal uiteindelijk worden bepaald wie de kosten van de deskundige draagt. Het hof ziet gaan aanleiding om daarvan thans af te wijken. De grond van de man treft derhalve geen doel.

Schuld [belanghebbende]

12. De man voert aan dat er nog een schuld in de huwelijksgemeenschap van partijen valt, welke schuld tussen partijen bij helfte zou moeten worden verdeeld. Blijkens het proces-verbaal van 1 december 2009 van de mondelinge behandeling in kort geding van een geschil tussen de man en mevrouw M. van [belanghebbende] bij de rechtbank, heeft laatstgenoemde een vordering op de man ten bedrage van € 15.000,-. Deze vordering is het gevolg van een tijdens die mondelinge behandeling tussen de man en Van [belanghebbende] gesloten compromis, naar aanleiding van de niet-nakoming door de man van een koopovereenkomst, tussen de man en Van [belanghebbende] aangegaan.

13. De vrouw heeft aangevoerd dat deze schuld – naar het hof begrijpt – bijzonder verknocht is, omdat de vrouw met het ontstaan daarvan niet te maken heeft en het niet redelijk is dat die schuld mede door haar dient te worden gedragen. Die schuld is ontstaan door het niet nakomen door de man van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst.

14. Uitgangspunt is dat de tussen partijen bestaan hebbende gemeenschap alle schulden omvat van ieder der echtgenoten. De vrouw doet een beroep op een van de uitzonderingen op die hoofdregel, inhoudende dat sprake is van ‘schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzonder wijze verknocht zijn’. Naar het oordeel van het hof doet zich op de gronden door de vrouw genoemd geen ‘bijzondere verknochtheid’ voor met betrekking tot de schuld van de man aan Van [belanghebbende].

15. De vrouw heeft zich voorts – naar het hof begrijpt: subsidiair – op het standpunt gesteld dat in het geval het hof de schuld niet als verknocht aanmerkt en deze dus behoort tot de huwelijksvermogensgemeenschap, op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid, van de regel dat beide echtgenoten voor een gelijk deel draagplichtig zijn, dient te worden afgeweken.

16. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de man:

a. staande huwelijk, hangende de echtscheidingsprocedure, een woning heeft gekocht, zonder daarover de vrouw voorafgaand te informeren;

b. onverantwoorde risico’s heeft genomen door zich bij het aangaan van de koopovereenkomst niet te laten bijstaan door een makelaar, noch een notaris, advocaat of juridisch deskundige ingeschakeld;

c. tot twee keer toe heeft nagelaten nagelaten aan deze koopovereenkomst te voldoen, waardoor de man uiteindelijk € 15.000,- aan Van [belanghebbende] verschuldigd was, zonder medeweten van de vrouw;

d. schadebeperkend had dienen op te treden door voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst deugdelijk te onderzoeken of hij aan de zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst kon voldoen en ook overigens al hetgeen had moeten doen overige schade te voorkomen en te beperken.

17. In het licht van bovengenoemde omstandigheden acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onjuist dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schuld van € 15.000,-, wat er overigens ook zij van kennis bij de vrouw omtrent deze aankoop en verdere handelen van de man in dit verband. Daarbij is wel van belang dat de aankoop door de man geschiedde alleen, althans hoofdzakelijk in zijn eigen belang, zodat de niet-nakoming van de uit die koopovereenkomst voortvloeiende verplichting niet mede ten laste van de vrouw dient te komen. Deze grond van de man slaagt evenmin.

Polissen [adres] en [adres]

18. De vrouw voert in incidenteel appel aan dat het haar inmiddels is gebleken dat beide polissen onder de Pensioen- en spaarfondsenwet vallen en dus niet afkoopbaar zijn. Een en ander heeft tot gevolg dat deze polissen op grond van het bepaalde in artikel 1:94 lid 4 BW niet tot de gemeenschap behoren en dus ook niet verdeeld kunnen worden. De polissen vallen onder de Wet verevening pensioenrechten na scheiding en zullen conform de wet verevend moeten worden. De vrouw verzoekt dan ook om de beschikking te wijzigen voor zover het de toedeling van voormelde polissen betreft en de verzoeken omtrent toedeling van deze polissen daaromtrent alsnog niet ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen. Nu de man ter zitting verklaard heeft geen bezwaar te hebben tegen het verzoek van de vrouw zal het hof op dit punt dienovereenkomstig beslissen.

19. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hof zal beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover daarbij bepaald is dat aan de man worden toebedeeld:

- de vordering voortvloeiende uit het renteniersplan bij [adres] met nummer [nummer], onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van het saldo per de peildatum van 6 mei 2010 aan de vrouw zal voldoen, en

- een polis van levensverzekering bij [adres] met polisnummer [nummer], onder de bepaling dat hij wegens overbedeling de helft van de waarde van die polis per de peildatum aan de vrouw zal voldoen;

wijst de verzoeken omtrent toedeling van bovengenoemde twee polissen af;

houdt de behandeling met betrekking tot het verzoek van de man inzake de twee geldleningen -zoals vermeld in rechtsoverwegingen 7 en 8 - aan tot de zitting van 28 april 2012 pro forma;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Stille en Breederveld, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2011.