Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2236

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
BK-10/00306
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Nu belanghebbende niets stelt op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de aanslag te hoog is vastgesteld en het Hof ook niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zulks meebrengen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00306

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 21 december 2011

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Zuidwest, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 april 2010, nummer 09/3828, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 met dagtekening

13 december 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.069.

1.2. Bij brief van 12 december 2005, ontvangen door de Inspecteur op 15 december 2005, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

1.3. De aanslag is ambtshalve verminderd op 25 oktober 2007. Het belastbaar inkomen is daarbij vastgesteld op € 16.603.

1.4. Bij uitspraak op bezwaar van 3 december 2007 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

17 november 2010, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Bij brieven van 29 december 2010 heeft het Gerechtshof het onderzoek heropend. Aan de Inspecteur zijn schriftelijk vragen gesteld. De Inspecteur heeft daarop geantwoord bij brief van 31 december 2010. Dit nadere stuk is doorgestuurd naar belanghebbenden. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief met bijlagen van 2 februari 2011.

2.4. De nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 november 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1. Tot en met 2003 werd belanghebbende als ondernemer voor de inkomstenbelasting aangemerkt. In 2004 heeft hij zijn inkomsten aangegeven als resultaat uit overige werkzaamheden. Formeel is de onderneming gestaakt per 1 juli 2005.

3.2. Met dagtekening 13 december 2005 is de definitieve aanslag voor het jaar 2004 opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 19.069. De aanslag bedraagt een te betalen bedrag van € 3.468. Dit bedrag bestaat voor € 3.311 aan verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en voor € 157 aan te betalen heffingsrente.

3.3. Met dagtekening 25 oktober 2007 heeft de Inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd en het belastbaar inkomen daarbij nader vastgesteld op € 16.603. Dit resulteerde in een te ontvangen bedrag van € 941.

3.4. De Inspecteur heeft een brief met dagtekening 4 april 2005 gestuurd naar belanghebbendde.

In de brief heeft de Inspecteur vermeld dat hij naar aanleiding van de bespreking van 30 maart 2005, voornemens is om het inkomen van belanghebbende als volgt vast te stellen:

1999: € 363;

2000: € 3.813;

2001: negatief € 11.365;

2002: € 35.007;

2003: negatief € 16.142;

2004: € 19.394.

De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote verzocht om schriftelijk te bevestigen dat zij akkoord gaan met de inhoud en strekking van dit schrijven. De brief is ondertekend door belanghebbende en zijn echtgenote.

3.5. In een brief van de Inspecteur van 11 oktober 2007 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Naar aanleiding van het gesprek dat ik op 26 september jl. met u te [Z] heb gehad, deel ik u mede dat ik diverse jaren nog heb kunnen rechtzetten. Daarnaast heb ik de aangiften over het jaar 2005 definitief afgewerkt.

(…)

2004

Aanslag inkomstenbelasting van meneer ([xxxx.xx.xxx.xxx]):

Inkomen wordt verlaagd in verband met nog te verrekenen verliezen uit 1997 en nader vastgesteld op € 16.603. Aanslag wordt verminderd met € 941, dagtekening beschikking 25/10 a.s.;

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag te hoog is vastgesteld.

4.3. De Inspecteur is van oordeel dat de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag en de beschikking heffingsrente.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Bij brief van 4 april 2005 heeft de Inspecteur een brief gestuurd waarin hij vermeldt dat het inkomen over 2004 wordt vastgesteld op € 19.394. Deze brief is voor akkoord getekend door belanghebbende en zijn echtgenote.

6.2. In de brief van de Inspecteur van 11 oktober 2007 is vermeld dat het inkomen voor het jaar 2004 nader wordt vastgesteld op € 16.603 vanwege een nog te verrekenen verlies uit 1997.

6.3. Nu belanghebbende niets stelt op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de aanslag te hoog is vastgesteld en het Hof ook niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zulks meebrengen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 21 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.