Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2221

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
BK-10/00253
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Successierecht. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van de erfgenamen dat erflater met hen de afspraak heeft gemaakt dat de partner van erflater na het overlijden van erflater om niet in de woning mocht blijven wonen en dat de partner deze - als derdenbeding te kwalificeren - afspraak voor het overlijden van erflater heeft aanvaard. De last die uit dit aanvaarde derdenbeding voortvloeit, dient derhalve als een aan de verkrijging verbonden last te worden aangemerkt en komt in mindering op de verkrijging van de erfgenamen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2012/15.1.3
V-N Vandaag 2012/290
Belastingadvies 2012/6.11
FutD 2012-0312
NTFR 2014/427 met annotatie van mr. M. de L. Monteiro
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00253

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer van 21 december 2011

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 april 2010, AWB 09/6944 SUCCR, betreffende de hierna vermelde aanslag in het recht van successie.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is een aanslag in het recht van successie opgelegd met dagtekening 22 april 2005 naar een verkrijging in het jaar 2003 ten bedrage van € 848.021.

1.2. De aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 mei 2011 en 15 november 2011, beiden gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van [Y], kenmerk BK-10/00254, betreffende een aanslag in het recht van successie opgelegd met dagtekening 22 april 2005 naar een verkrijging in het jaar 2003 ten bedrage van € 848.021. Voor zover in die zaak door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaak is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zittingen is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

2.3. De Inspecteur heeft gedagtekend 23 november 2011 een brief met bijlagen aan het Hof doen toekomen. Het Hof ziet hierin geen aanleiding het onderzoek te heropenen, aangezien de Inspecteur voldoende in de gelegenheid is geweest de bijlagen eerder in het geding te brengen. De griffier heeft de brief aan de Inspecteur geretourneerd.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Op [dag en maand] 2003 is [A] (hierna: erflater) overleden. Op het tijdstip van overlijden was hij weduwnaar. Zijn zoons [Y] en [X] zijn zijn erfgenamen.

3.2. Op het tijdstip van overlijden woonde erflater samen met mevrouw [B] (hierna: mevrouw [B]) in zijn eigen woning. Na het overlijden van erflater is zij in deze woning blijven wonen tot haar plotselinge overlijden op [dag en maand] 2004.

3.3. Er is aangifte gedaan van een nalatenschap van erflater van € 1.606.042. De waarde van de eigen woning is aangegeven naar een bedrag van € 360.000. De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik is, blijkens de toelichting bij de aangifte, bij minnelijke waardering vastgesteld op € 450.000. Er is in de aangifte een waardedrukkende factor van 20 percent in aanmerking genomen in verband met de bewoning van de woning door mevrouw [B]. Daarbij is uitgegaan van een nog resterende, gemiddelde levensverwachting voor haar van 4,1 jaar.

3.4. Bij brief van 30 maart 2005 heeft de Inspecteur de erven medegedeeld dat hij voornemens is bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte af te wijken. De waarde van de woning heeft hij vastgesteld op € 450.000. Een waardedruk in verband met de bewoning van de woning door mevrouw [B] heeft hij niet in aanmerking willen nemen.

3.5. De Inspecteur heeft de nalatenschap vastgesteld op € 1.696.042. Bij ieder van de erfgenamen is een verkrijging in aanmerking genomen van € 848.021.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is primair of bij de waardering van de woning een waardedrukkend effect in aanmerking genomen mag worden in verband met de bewoning van de woning door mevrouw [B] en subsidiair of sprake is van een lastbevoordeling waarvan de last in mindering komt op de verkrijging door belanghebbende.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag in het recht van successie tot een naar een verkrijging van € 803.021 (50 percent van € 1.606.042) en het alsnog toekennen van proceskosten voor de bezwaarfase en in hoger beroep.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen:

3.8 De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt voor de heffing van successierecht is dat het verkregene op grond van het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de Successiewet, in aanmerking wordt genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.

Onder de waarde in het economische verkeer van een woning moet in dit verband worden verstaan de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed. Indien op het tijdstip van de verkrijging met betrekking tot een woning geen sprake is van een gebruiksrecht dat werking zou hebben tegen (markt-)gegadigden voor die woning (zoals bijvoorbeeld een recht van vruchtgebruik, een recht van gebruik en/of bewoning, een huurrecht), dient onder aanbieding op de meest geschikte wijze te worden verstaan: aanbieding tot (op)levering in ontruimde staat (vgl. Hoge Raad 6 april 2007, nr. 41.720, LJN: AX0771).

3.9 Het betoog van [belanghebbende] dat wijlen mevrouw [B] een moreel woonrecht heeft, dat van invloed is op de waardering van de woning kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op het vorenoverwogene niet slagen. Gesteld noch gebleken is dat er in het onderhavige geval sprake is van een persoonlijk of zakelijk recht dat bij verkoop van het huis aan derden kan worden tegengeworpen. Zowel vóór als na de verkrijging was er geen sprake van bewoning gebaseerd op een formeel huurrecht of een zakelijk recht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [de Inspecteur] terecht is uitgegaan van de volle waarde in het economische verkeer.

3.10 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.11 Vaststaat dat de erfgenamen in de bezwaarfase ten onrechte niet zijn gehoord. De rechtbank zal de zaak niet terugverwijzen nu de feiten niet in geschil zijn en erfgenamen desgevraagd hebben verklaard geen terugwijzing te willen. De rechtbank vindt in de schending van de hoorplicht wel aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gezien de samenhang met zaak AWB 09/6944 SUCCR vastgesteld op ½ x € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1) = € 322. De rechtbank zal tevens bepalen dat [de Inspecteur] het griffierecht aan [belanghebbende] vergoedt. Ten aanzien van vergoeding van de proceskosten voor de bezwaarfase ziet de rechtbank geen aanleiding, nu geen sprake is van vernietiging van de aanslag wegens een aan [de Inspecteur] te wijten onrechtmatigheid.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Op het tijdstip van de onderhavige verkrijging bevatte de Successiewet 1956 (hierna: SW) niet een specifiek op de eigen woning toepasselijk waarderingsvoorschrift. De waarde van de eigen woning dient daarom te worden bepaald met toepassing van het algemene waarderingsvoorschrift van artikel 21, eerste lid, SW dat als volgt luidt: ‘Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend’.

7.2. Beide partijen verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2007, BNB 2007/194c. Daarin is geoordeeld dat, indien op het tijdstip van de erfrechtelijke verkrijging met betrekking tot een woning geen sprake is van een (eventueel bij testament van de erflater toegekend) gebruiksrecht dat werking zou hebben tegen (markt)gegadigden voor die woning (zoals bijvoorbeeld een recht van vruchtgebruik, een recht van gebruik en/of bewoning, een huurrecht), onder aanbieding op de meest geschikte wijze dient te worden verstaan: aanbieding tot (op)levering in ontruimde staat.

Nu niet aannemelijk geworden is dat sprake is van een gebruiksrecht in de vorenbedoelde zin, moet in zoverre worden geconcludeerd dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van de volle waarde in het economische verkeer.

7.3. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een last, welke door de erflater aan hem en zijn mede-erfgenaam is opgelegd, en waarvan de waarde in mindering dient te komen op de verkrijging. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van belanghebbende dat erflater met hem en zijn broer de afspraak heeft gemaakt dat mevrouw [B] na het overlijden van erflater om niet in de woning mocht blijven wonen en dat mevrouw [B] deze - als derdenbeding te kwalificeren - afspraak voor het overlijden van erflater heeft aanvaard. Daarmee heeft belanghebbende voldaan aan de op hem rustende last zijn stelling aannemelijk te maken.

7.4. Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid van de Successiewet 1956 wordt als een aan een verkrijging verbonden last mede aangemerkt, de last welke voortvloeit uit de nakoming van een door de erflater ten behoeve van een derde gemaakt beding dat door de derde voor het overlijden is aanvaard (vgl. HR 7 april 1993, nr. 28 907, BNB 1993/200). De last die uit dit aanvaarde derdenbeding voortvloeit, dient derhalve als een aan de verkrijging verbonden last te worden aangemerkt.

7.5. Anders dan belanghebbende voorstaat dient de waardedrukkende factor van het derdenbeding niet te worden gesteld op twintig, doch, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, op achttien percent, oftewel € 81.000. De aanslag in het recht van successie dient te worden verminderd tot een naar een verkrijging van € 807.521 (50 percent van € 1.615.042)

7.6. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaak met het nummer BK-10/00254 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 1.092,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, en ½ punt voor de nadere zitting voor het Hof à € 437 x 1 (gewicht van de zaak), waarvan te dezen en tweede deel, derhalve € 546,25 in aanmerking wordt genomen.

8.2. Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in de bezwaarfase. Deze kosten komen op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht slechts voor vergoeding in aanmerking indien belanghebbende hierom verzocht heeft. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende hierom verzocht heeft in de bezwaarfase.

8.3. Wel dient aan belanghebbende het door hem voor de behandeling van het hoger beroep gestorte griffierecht te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een verkrijging van € 807.521,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 546,25,

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 111 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 21 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.