Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2164

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
22-000850-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000850-08

Parketnummer: 10-710090-07

Datum uitspraak: 23 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

[geboorteplaats] (Nederland), [geboortejaar] (1983),

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

12 november 2010 en 9 augustus 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesentwintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft - onder verwijzing naar de ter terechtzitting van 12 november 2010 door zijn ambtgenoot gedane vordering - gevorderd dat het vonnis van beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de op te leggen straf. Ten aanzien van de straf heeft de advocaat-generaal gevorderd dat - met inachtneming van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - de verdachte veroordeeld zal worden tot een gevangenisstraf voor de duur van éénentwintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

Vrijspraak

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat de enige direct voor de verdachte belastende verklaring van de [medeverdachte] geen bevestiging vindt in de telecomgegevens die zijn weergegeven in (de bijlagen van) het naar aanleiding van het tussenarrest van 26 november 2010 opgemaakte ambtsedige proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond, [nr.], d.d. 13 april 2011.

Uit dit proces-verbaal blijkt dat er in de ochtend van 30 augustus 2007 weliswaar twee maal contact is geweest tussen het telefoonnummer van verdachtes mobiele telefoon, [nr.], en het telefoonnummer van de door [medeverdachte] gebruikte mobiele telefoon, [nr.], doch dat deze contacten hebben plaatsgevonden om 10:59:21 uur en om 11:26:35 uur, zijnde eerst nadat en niet tijdens de in de tenlastelegging bedoelde overval was beëindigd. Evenmin biedt de inhoud van genoemd proces-verbaal steun aan de verklaring van de [medeverdachte] dat hij tijdens de overval via een open telefoonverbinding met [verdachte] -zijnde de verdachte- "de hele tijd" verbinding hield met de verdachte.

Naar het oordeel van het hof is derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein,

mr. G. Knobbout en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 augustus 2011.