Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2132

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
BK-10/00591
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Belanghebbende heeft 100% van de aandelen in B.V. A. Hij schenkt de blote eigendom van een deel van de aandelen (ongeveer 4,6% van de geplaatste aandelen) aan zijn minderjarige kinderen, onder het voorbehoud van het recht van vruchtgebruik voor een periode van tien jaar. Een half uur na het sluiten van deze overeenkomst, verkoopt belanghebbende het recht van vruchtgebruik op deze aandelen aan B.V. A. In geschil is welke gevolgen de overeenkomsten hebben voor belanghebbendes belastbare inkomen van het onderhavige jaar en het daarop toe te passen tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/359
V-N 2012/14.2.2
FutD 2012-0315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-10/00591

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 18 oktober 2011

in het geding tussen:

[X] te [Z] (België), hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 juli 2010, nummer AWB 06/1521 IB/PVV, betreffende na te vermelden aanslag en beschikking.

Aanslagen, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 509.687. Tevens is bij gelijktijdig genomen beschikking een bedrag van ƒ 19.778 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 967.828 (€ 439.181), waarvan ƒ 251.115 (€ 113.951) te belasten op de voet van artikel 57a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) en ƒ 199.243 (€ 90.413) te belasten op de voet van artikel 57, eerste lid, van de Wet IB 1964, met verrekening van voorheffingen ten bedrage van ƒ 688.101 (€ 312.247).

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord en daarbij tevens gerepliceerd. Belanghebbende heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2. Een afschrift van het nadien door de Inspecteur ingezonden stuk is aan de wederpartij gezonden.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 september 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Het Hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende en de Inspecteur heeft aangeduid als respectievelijk eiser en verweerder.

“Algemeen

2.1. Eiser, geboren [dag en maand] 1960, was in het onderhavige jaar binnenlands belastingplichtig.

2.2. Eiser hield in het onderhavige jaar 100% van de geplaatste aandelen in [A] B.V. (hierna: de B.V.), te weten 40.000 aandelen van nominaal ƒ 1. Het vermogen van de B.V. bestond uitsluitend uit vastrentende beleggingen. In verband met de aankoop van andere effecten heeft eiser in het onderhavige jaar ƒ 816.175 aan rente en kosten in verband met leningen betaald. De (bruto) inkomsten die eiser uit deze effecten heeft genoten bedroegen ƒ 59.803.

De overeenkomsten van 31 december 2000

2.3. Bij een op zondag 31 december 2000 om 13:00 uur gedateerde akte (hierna ook: de eerste overeenkomst) heeft eiser de blote eigendom van 1851 aandelen in de B.V. (hierna: de aandelen), dat is ongeveer 4,6% van de geplaatste aandelen, geschonken aan zijn minderjarige kinderen [B], [C] en [D]. Ieder kind verkreeg de blote eigendom van 617 aandelen. Eiser heeft zich het recht van vruchtgebruik op de aandelen voorbehouden voor een periode van 10 jaar.

In de zogenoemde ‘Akte van schenking van aandelen op naam onder voorbehoud van een tijdelijk niet testamentair recht van vruchtgebruik’ is onder meer vermeld:

“Bepalingen recht van vruchtgebruik.

Artikel 2

1. Het stemrecht op de aan het recht van vruchtgebruik onderworpen Aandelen, komt – tijdens de duur van het vruchtgebruik, zodra en voor zover aan eventuele wettelijke en statutaire vereisten is voldaan – toe aan de Vruchtgebruiker. (…)

4. Onverminderd het in artikel 3:81 Burgerlijk Wetboek bepaalde gaat het recht van vruchtgebruik teniet:

a. van rechtswege op dertig oktober tweeduizendtien;

b. door opzegging door een schriftelijke verklaring door de Vruchtgebruiker aan de Hoofdgerechtigden;

c. (…)

d. door afstand op de voet van artikel 3:224 Burgerlijk Wetboek en constatering van deze afstand bij notariële akte. (…)

7. De waarde van het recht van vruchtgebruik van de Aandelen bedraagt (…) (NLG 450.358,-) en de waarde van de hoofdgerechtigdheid van de Aandelen bedraagt (…) (NLG 1.851,--).”

Stemrecht

Artikel 3

De Vruchtgebruiker kan het hem hiervoor toegekende stemrecht uitoefenen, aangezien dit bij de vestiging van het vruchtgebruik is bepaald en hij, op grond van artikel 12 lid 1 onder b. van de statuten van de vennootschap, een persoon is aan wie de Aandelen vrijelijk kunnen worden overgedragen.

Artikel 9

Bewind

De schenker stelt hierbij een bewind in over de geschonken Aandelen onder het voormelde voorbehoud van het recht van vruchtgebruik vanaf dertig oktober tweeduizendtien of vanaf het moment dat conform het bepaalde in artikel 2 lid 4 letter b of d het recht van vruchtgebruik teniet is gegaan, totdat de jongste van de kinderen de leeftijd van vijfentwintig jaar heeft bereikt, (…)

2.4. Een half uur later, op 31 december 2000 om 13:30 uur, heeft eiser het recht van vruchtgebruik op de aandelen voor een bedrag van ƒ 450.358 aan de B.V. verkocht en geleverd (hierna ook: de tweede overeenkomst). De akte ‘Verkoop en levering van een tijdelijk niet testamentair recht van vruchtgebruik van aandelen op naam’ luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“- Vruchtgebruiker-Verkoper en de koper hebben overeenstemming bereikt over de koop en levering van het hierna te melden tijdelijk niet testamentair recht van vruchtgebruik van (…) (1851) gewone aandelen in het kapitaal van de Vennootschap, elk groot één gulden (…);

- dat de Aandelen zijn geleverd onder voorbehoud van een tijdelijk niet testamentair recht van vruchtgebruik, (…) voor de Vruchtgebruiker-Verkoper bij akte verleden op één en dertig december 2000 (…).

Koopsom

Artikel 2

1. De koopsom van het Vruchtgebruik bedraagt (…) (NLG 450.358,--);

2. De Koper heeft de koopsom heden voldaan en in rekening-courant verrekend aan Vruchtgebruiker-Verkoper waarvoor Vruchtgebruiker-Verkoper aan de Koper kwijting verleent.”

2.5. Eiser heeft na beide overeenkomsten van 31 december 2000 (hierna samen:de overeenkomsten) zijn resterende belang in de B.V., te weten meer dan 95%, behouden.

2.6. Op 23 mei 2002 heeft de B.V. naar aanleiding van de tweede overeenkomst aangifte dividendbelasting gedaan. In deze aangifte staat vermeld dat de B.V. op 31 december 2000 een opbrengst van ƒ 450.358 (€ 204.363) beschikbaar heeft gesteld en dat dit bedrag over het boekjaar 1999 uit de winstreserves is uitgekeerd. De B.V. heeft ƒ 51.090 (25%) dividendbelasting ingehouden. De aangifte vennootschapsbelasting van de B.V. voor het jaar 2000 vermeldt ter zake:

“[Eiser] heeft vervolgens nog in hetzelfde jaar het tijdelijk recht van vruchtgebruik op deze aandelen verkocht aan [de B.V.] Daarmee heeft [de B.V.] een uitdeling gedaan van ƒ 450.358 aan [eiser].”

De B.V. heeft in de tien aan 31 december 2000 voorafgaande jaren geen dividend uitgekeerd.

De aanslagregeling

2.7. Eiser heeft voor het jaar 2000 aangifte gedaan naar een inkomen van ƒ 81.979. Daarbij heeft hij het bedrag van ƒ 450.358 aangemerkt als inkomsten uit vermogen en daarvoor, voor zover de belastbare som hoger is dan ƒ 48.994, verzocht om toepassing van artikel 57, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB1964), het 45%-tarief.

2.8. Verweerder heeft het bedrag van ƒ 450.358 aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang. Als gevolg daarvan is zij als volgt afgeweken van de aangifte:

Aangegeven inkomen volgens verweerder ƒ 81.978

Bij: meer winst uit aanmerkelijk belang ƒ 450.358

Af: minder inkomsten uit vermogen ƒ 450.358 -/-

Bij: minder rente-aftrek ƒ 450.358

Bij: minder giftenaftrek ƒ 3.271

Inkomen ƒ 535.607

Verliesverrekening ƒ 25.920 -/-

Vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 509.687

Hiervan heeft zij ƒ 443.220 belast op de voet van artikel 57a, tweede lid, van de Wet IB1964, het 25%-tarief.

Bij het opleggen van de aanslag is het in de aangifte opgenomen bedrag van ƒ 296.392 aan voorheffingen verrekend.

De aanslag is gedagtekend 28 juli 2005 en is bij de bestreden uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.9. Daarvóór, op 24 juli 2001, hebben eiser en verweerder een compromis gesloten (hierna: het compromis) waarbij is overeengekomen dat ter zake van door de werkgever van eiser aan eiser toegekende opties ƒ 652.849 meer loon tot het belastbare inkomen van eiser over het jaar 2000 zal worden gerekend en dat ƒ 391.709 meer loonbelasting zal worden verrekend. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag geen rekening gehouden met het compromis. Bij brief van 2 september 2005 heeft eiser in verband hiermee een aanvulling op zijn bezwaar gedaan en aan verweerder verzocht het belastbare inkomen met ƒ 652.849 (€ 296.250) te verhogen en ƒ 391.709 (€ 177.750) loonheffing te verrekenen. Verweerder heeft het compromis ook in haar uitspraak op bezwaar niet verwerkt.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil welke gevolgen de overeenkomsten hebben voor belanghebbendes belastbare inkomen van het onderhavige jaar en het daarop toe te passen tarief.

4.2. De Inspecteur stelt zich in hoger beroep op het standpunt:

- primair:

- dat belanghebbende ter zake van de schenking van de blote eigendom van de 1851 aandelen (hierna: de aandelen) aan zijn kinderen een aanmerkelijkbelangwinst heeft genoten van ƒ 251.115;

- dat sprake is van een uitdeling door de BV aan belanghebbende ter grootte van het bedrag dat belanghebbende ter zake van de verkoop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik aan de BV heeft ontvangen boven de waarde in het economische verkeer van dat recht ten tijde van die verkoop, zijnde ƒ 450.358 -/- ƒ 199.243 = ƒ 251.115;

- dat de renteaftrekbeperking van artikel 38, lid 7, Wet IB 1964 van toepassing is.

- subsidiair:

- dat belanghebbende op grond van artikel 20a, lid 6, onderdeel h, Wet IB 1964 bij de schenking van de blote eigendom een aanmerkelijkbelangwinst heeft genoten van ƒ 450.358, omdat na de vervreemding van de blote eigendom van de aandelen het overgebleven tijdelijke recht van vruchtgebruik op deze aandelen niet meer tot een aanmerkelijk belang behoort;

- dat sprake is van een uitdeling door de BV aan belanghebbende ter grootte van het bedrag dat belanghebbende ter zake van de verkoop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik aan de BV heeft ontvangen boven de waarde in het economische verkeer van dat recht ten tijde van die verkoop, zijnde ƒ 450.358 -/- ƒ 199.243 = ƒ 251.115;

- dat artikel 20e Wet IB 1964, de zogenoemde doorschuiffaciliteit, geen toepassing vindt, omdat als gevolg van de inkoop van het recht van vruchtgebruik door de BV voldoende liquiditeit beschikbaar is gekomen om de belasting ter zake van artikel 20a, lid 6, onderdeel h, Wet IB 1964 te voldoen;

- dat de renteaftrekbeperking van artikel 38, lid 7, Wet IB 1964 van toepassing is.

- meer subsidiair:

- dat belanghebbende een aanmerkelijkbelangwinst heeft genoten van ƒ 450.358, omdat door herkwalificatie onderscheidenlijk toepassing van het leerstuk van fraus legis sprake is van een samenstel van rechtshandelingen waarbij de schenking van de blote eigendom van de aandelen en de daaropvolgende verkoop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik moet worden behandeld als vervreemding van de volle eigendom;

- dat de renteaftrekbeperking van artikel 38, lid 7, Wet IB 1964 van toepassing is.

- uiterst subsidiair:

- dat belanghebbende op grond van artikel 20a, lid 6, onderdeel h, Wet IB 1964 bij de schenking van de blote eigendom een aanmerkelijkbelangwinst heeft genoten van ƒ 450.358, omdat na de vervreemding van de blote eigendom van de aandelen het overgebleven tijdelijke recht van vruchtgebruik op deze aandelen niet meer tot een aanmerkelijk belang behoort;

- dat sprake is van een uitdeling door de BV aan belanghebbende ter grootte van het bedrag dat belanghebbende ter zake van de verkoop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik aan de BV heeft ontvangen boven de waarde in het economische verkeer van dat recht ten tijde van die verkoop, zijnde ƒ 450.358 -/- ƒ 199.243 = ƒ 251.115;

- dat artikel 20e Wet IB 1964 toepassing vindt, hetgeen betekent dat de aanmerkelijkbelangwinst van ƒ 199.243 niet in het onderhavige jaar in aanmerking wordt genomen;

- dat de latere verkoop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik leidt tot inkomsten uit vermogen ad ƒ 199.243, belast tegen het tabeltarief.

Voorts stelt de Inspecteur in zijn hogerberoepschrift dat de rechtbank de waarde van de blote eigendom van de aandelen terecht heeft berekend op basis van de waarderingsnormen van de Successiewet 1956, maar dat nog rekening moet worden gehouden met de verkrijgingsprijs van de aandelen, zodat de waarde van het recht van vruchtgebruik ƒ 197.392 bedraagt in plaats van ƒ 199.251. De Inspecteur heeft het laatstvermelde bij conclusie van repliek teruggenomen.

4.3.1. Belanghebbende heeft het standpunt van de Inspecteur gemotiveerd weersproken. Hij voert daartoe aan:

- dat hij ter zake van de schenking van de blote eigendom van de aandelen geen aanmerkelijkbelangwinst heeft genoten, aangezien de waarde van de blote eigendom van de aandelen ten tijde van schenking gelijk is aan de nominale waarde van de aandelen, te weten ƒ 1.851;

- dat hij ter zake van de verkoop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik aan de BV inkomsten uit vermogen heeft genoten ten bedrage van ƒ 450.358;

- dat hij recht heeft op een renteaftrek ten bedrage van ƒ 450.358; de renteaftrekbeperking van artikel 38, lid 7, Wet IB 1964 vindt tot dit bedrag geen toepassing.

4.3.2. In het incidenteel hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de waarde van de blote eigendom van de aandelen ten tijde van de schenking heeft gesteld op ƒ 252.966. Deze moet worden gesteld op de nominale waarde van de aandelen, omdat de waardedruk van het vruchtgebruik op de volle eigendom

ƒ 450.358 bedraagt.

4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt primair en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.420.887, waarvan ƒ 701.473 te belasten op de voet van artikel 57a, tweede lid, van de Wet IB 1964, met verrekening van voorheffingen ten bedrage van ƒ 391.709 en meer subsidiair en uiterst subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.221.455, waarvan ƒ 199.243 te belasten op de voet van artikel 57, eerste lid, van de Wet IB 1964 en ƒ 502.230 te belasten op de voet van artikel 57a, tweede lid, van de Wet IB 1964, met verrekening van voorheffingen ten bedrage van ƒ 391.709.

5.2. Belanghebbende concludeert in het hoger beroep tot ongegrondverklaring en in het incidenteel ingestelde hoger beroep, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar alsmede vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 734.828 met verrekening van voorheffingen ten bedrage van ƒ 688.101.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij voor eiseres dient te worden gelezen: belanghebbende en voor verweerder dient te worden gelezen: de Inspecteur.

“4.1. Vóór de overeenkomsten had eiser de volle eigendom van alle (40.000) aandelen in de B.V. Na de overeenkomsten hadden de kinderen de blote eigendom van 1851 aandelen en was het vruchtgebruik van die aandelen door de B.V. ingekocht. Het moet er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de eerste overeenkomst, waarbij de blote eigendom en het vruchtgebruik van de 1851 aandelen tot stand is gekomen, noodzakelijkerwijs moet zijn gesloten vóór de tweede overeenkomst waarbij het vruchtgebruik van de 1851 aandelen door de B.V. is ingekocht.

4.2. Hierna zal de rechtbank het wettelijke kader weergeven en onderzoeken welke de fiscale gevolgen zijn van de afzonderlijke overeenkomsten. Daarna zal de rechtbank bezien of de aldus geoordeelde gevolgen van de overeenkomsten, gelet op hun onderlinge samenhang in stand moeten blijven. Ten slotte zal de slotsom worden opgemaakt, waarbij ook de tarieftoepassing en het compromis aan de orde komen.

4.3. Het wettelijke kader

4.3.1. Volgens artikel 20a, eerste lid, van de Wet IB 1964 is winst uit aanmerkelijk belang het gezamenlijke bedrag van de voordelen welke worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (onderdeel a; reguliere voordelen) en voordelen welke worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen (onderdeel b; vervreemdingsvoordelen).

4.3.2. Artikel 20 [Hof: kennelijk is bedoeld: 20a], zesde lid, onderdeel h, van de Wet IB 1964 bepaalt dat onder de vervreemding van aandelen wordt begrepen het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang.

4.3.3. Volgens artikel 20c, vierde lid, van de Wet IB 1964 wordt - voor zover hier van belang - ingeval bij een vervreemding of verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst als tegenprestatie aangemerkt de waarde welke ten tijde van de vervreemding in het economische verkeer aan de aandelen kan worden toegekend.

4.3.4. Artikel 20e, eerste lid, van de Wet IB 1964 bepaalt dat op verzoek van de belastingplichtige het voordeel bij de vervreemding vanwege het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 20a zesde lid, onderdeel h, niet in aanmerking wordt genomen.

4.3.5. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet IB 1964 zijn inkomsten uit vermogen alle niet als winst uit aanmerkelijk belang aan te merken voordelen die worden getrokken uit aandelen. Het tweede lid bepaalt in afwijking daarvan dat, indien ingevolge artikel 20d, artikel 20e, artikel 20f of krachtens een ingevolge artikel 20g gestelde voorwaarde aandelen alleen voor zover betreft vervreemdingsvoordelen geacht worden tot een aanmerkelijk belang te behoren, met betrekking tot die aandelen de regeling ter zake van inkomsten uit vermogen toepassing vindt voor zover die inkomsten uitgaan boven hetgeen aan vervreemdingsvoordelen wordt genoten.

4.3.6. Artikel 31 van de Wet IB 1964 bepaalt dat tot de inkomsten mede behoort hetgeen genoten wordt ter vervanging van gederfde of te derven inkomsten.

4.3.7. Volgens artikel 38, zevende lid, van de Wet IB 1964 worden renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, welke in een kalenderjaar zijn of worden geacht te zijn voldaan ter zake van schulden welke zijn aangegaan ter verwerving van rechten die niet op zaken betrekking hebben, in aanmerking genomen tot ten hoogste het gezamenlijke bedrag dat de belastingplichtige in het jaar aan inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben geniet, nadat die inkomsten zijn verminderd met de overige aftrekbare kosten.

4.4. De eerste overeenkomst

4.4.1. Niet in geschil is dat de volle waarde van de geschonken aandelen op 31 december 2000 ƒ 452.209 bedroeg, te weten de nominale waarde van € 1.851 vermeerderd met een evenredig deel van de winstreserves van de B.V., en dat de verkrijgingsprijs van deze aandelen gelijk was aan de nominale waarde.

4.4.2. De rechtbank is van oordeel dat de schenking van de blote eigendom van de aandelen een vervreemding is in de zin van de artikelen 20a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 20c, vierde lid, van de Wet IB 1964. Gelet op de familierelatie tussen eiser en zijn kinderen en het feit dat er sprake is van een schenking, is er sprake van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst in de zin van het laatstvermelde artikel. Daarom is er sprake van een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang voor zover de waarde in het economische verkeer van de blote eigendom van 1851 aandelen de verkrijgingsprijs van die aandelen (die gelijk is aan de nominale waarde) overtreft.

4.4.3. Eiser stelt de waarde in het economische verkeer van de geschonken blote eigendom op de nominale waarde van de aandelen, omdat de waardedruk van het vruchtgebruik op de volle eigendom ƒ 450.358 bedraagt. Hij wijst erop dat een willekeurige derde die de aandelen zou kopen, gelet op de machtspositie die eiser heeft, namelijk een belang van meer dan 95%, na afloop van het vruchtgebruik geen enkel rendement op zijn aandelen kan verwachten.

4.4.4. Verweerder stelt dat het, gelet op de familieverwantschap, zeer wel mogelijk is dat de winstreserves, voor zover deze zijn te relateren aan de geschonken aandelen, geheel aan de kinderen zullen toekomen. Om die reden is de waardedruk van het vruchtgebruik nihil en moet worden uitgegaan van de volle waarde van de aandelen. Voorts wijst zij erop dat de B.V. in het verleden geen dividend heeft uitgekeerd. Ook om die reden is de waardedruk van het vruchtgebruik op de waarde van de volle eigendom op nihil te stellen.

4.4.5. De rechtbank oordeelt dat het bij de waarde in het economische verkeer in het onderhavige geval niet gaat om de vraag welke beste koper er te vinden zou zijn op de markt, maar om de vraag wat de reëel haalbare prijs zou zijn geweest bij de in concreto gesloten overeenkomst, dus met eliminering van de familierelatie tussen verkoper en koper. Of anders gezegd: zijn de kinderen bevoordeeld door de overeengekomen prijs? Een dergelijke benadering is in overeenstemming met de geschiedenis van de totstandkoming van het aan artikel 20c, vierde lid, van de Wet IB 1964 voorafgaande, op dit punt gelijkluidende, artikel 39, vijfde lid, van de Wet IB 1964, waaruit blijkt dat met dit laatste artikel werd beoogd een kunstmatige vergroting van verliezen en verkleining van winsten door onzakelijke transacties met name tussen familieleden te bestrijden. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 20c, lid 4, van de Wet IB 1964 blijkt niet dat de wetgever op dat uitgangspunt is teruggekomen (verg. HR 25 juni 2004, nr. 40067, BNB 2004/348). Gelet op het feit dat er sprake is van een schenking, oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een bevoordeling van de kinderen.

4.4.6. De rechtbank overweegt dat aan eiser kan worden toegegeven dat de blote eigenaren geen rendement op hun aandelen kunnen afdwingen. Aan de andere kant kan geenszins worden uitgesloten dat de B.V. na afloop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik winstuitkeringen aan de dan volle eigenaren van de 1851 aandelen zal doen. Voorts is op het moment van de transactie sprake van een samenwerkende groep. Geen van beide partijen kan aannemelijk maken hoe, uitgaande van een zakelijke verhouding tussen eiser en de blote eigenaren, een reële prognose van het dividend op de aandelen zou moeten luiden.

4.4.7. Voor dergelijke gevallen heeft de wetgever in artikel 21, eerste, zesde achtste en negende lid, van de Successiewet 1956, bepaald dat de waarde in het economische verkeer van hetgeen onder de last van vruchtgebruik wordt verkregen, wordt gesteld op een op basis van de volle waarde van de aandelen op een forfaitaire wijze te berekenen bedrag. In de artikelen 6 en 10 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 zijn de elementen van deze berekening vastgesteld. Verweerder heeft het subsidiaire standpunt ingenomen dat bij gebrek aan betere aanknopingspunten deze forfaitaire benadering moet worden gehanteerd. De rechtbank volgt dit standpunt. Verweerder heeft de berekening opgenomen in bijlage 13 bij het verweerschrift. De uitkomst daarvan is, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, en de rechtbank ook juist acht ƒ 252.966. Dit brengt mee dat het vervreemdingsvoordeel kan worden gesteld op ƒ 252.966 minus de verkrijgingsprijs van ƒ 1.851, dat is ƒ 251.115.

4.4.8. Aan het oordeel van de rechtbank doet niet af dat eiser het vruchtgebruik van de geschonken aandelen door de B.V. heeft laten inkopen voor ƒ 450.358, reeds omdat de rechtbank hier slechts de gevolgen van de eerste overeenkomst onderzoekt. Maar ook overigens kan de tegenprestatie voor de inkoop niet zonder meer als uitgangspunt worden gehanteerd, omdat deze niet tussen onafhankelijke partijen tot stand gekomen is.

4.5. De tweede overeenkomst

Bij de tweede overeenkomst heeft eiser het recht van vruchtgebruik op de 1851 aandelen verkocht en geleverd aan de B.V. voor een bedrag van ƒ 450.358. De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder dat bij vervreemding van een tijdelijk vruchtgebruik, zoals dat met ingang van 2001 wel het geval is, aanmerkelijkbelangwinst kan worden geconstateerd, omdat er geen aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen zijn vervreemd dan wel zich een met artikel 20a, zesde lid, van de Wet IB 1964 gelijk te stellen rechtsfeit heeft voorgedaan. Ook van een regulier voordeel, zoals door verweerder is bepleit, is geen sprake. Hetgeen is vermeld in de aangifte dividendbelasting (zie 2.6) en de aangifte vennootschapsbelasting 2002 (zie eveneens 2.6) geeft geen aanleiding om te constateren dat de tweede overeenkomst anders is uitgevoerd dan was overeengekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit bedrag op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Wet IB 1964 bij eiser als inkomsten uit vermogen belastbaar.

4.6. De overeenkomsten beoordeeld in hun samenhang

4.6.1. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de overeenkomsten in hun onderlinge verband en samenhang moeten worden bezien. Weliswaar zijn beide overeenkomsten een half uur na elkaar gesloten, maar de rechtbank acht aannemelijk dat de wilsovereenstemming tussen partijen in beide transacties gericht was op het eindresultaat zoals dat na beide overeenkomsten is bereikt en op het fiscale gevolg zoals eiser dat in zijn aangifte heeft verwerkt. De rechtbank zal daarom onderzoeken of de hiervóór geoordeelde gevolgen van de overeenkomsten gelet op hun onderlinge samenhang in stand moeten blijven.

4.6.2. Het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang

4.6.2.1. Verweerder heeft gesteld dat na de overeenkomsten de 1851 aandelen niet meer tot het aanmerkelijk belang van eiser behoren. Zij doet in dit verband een beroep op artikel 20, zesde lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB 1964 dat bepaalt dat onder de vervreemding van aandelen wordt begrepen het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang. Zij concludeert hieruit dat de aanmerkelijkbelangwinst moet worden berekend met inachtneming van de waarde in het economische verkeer van de volle eigendom van de 1851 aandelen.

4.6.2.2. De rechtbank overweegt dat uit de wetgeschiedenis blijkt dat dit artikelonderdeel geschreven is voor situaties van aflopend aanmerkelijk belang en andere situaties waarin een aanmerkelijk belang verwatert. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder dat het artikelonderdeel ook ziet op gevallen als het onderhavige.

Gelet op dit oordeel behoeven eisers verzoek om toepassing van de in artikel 20e, eerste lid, van de Wet IB 1964 opgenomen doorschuifregeling en verweerders reactie daarop geen bespreking meer.

4.6.3. Dubbele heffing

4.6.3.1. Eiser stelt zich op het standpunt dat de heffing zoals verweerder voorstaat een dubbele belastingheffing tot gevolg heeft.

4.6.3.2. Verweerder neemt het standpunt in dat van dubbele belastingheffing geen sprake is, omdat de waarde van het vruchtgebruik dat tot de inkomsten uit vermogen wordt gerekend, tot de aftrekbare kosten ter zake van inkomsten uit dat vruchtgebruik kan worden gerekend, welke aftrek overigens door de werking van de artikelen 36, negende lid, en 38, derde lid, Wet IB 1964 is getemporiseerd.

4.6.3.3. Het uiteindelijke resultaat van de overeenkomsten is dat eiser het uit de winstreserves afkomstige bedrag van ƒ 450.358 heeft genoten. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het bepaalde in artikel 24, eerste lid, van de Wet IB 1964 enerzijds mee dat het aanmerkelijkbelangregime voorafgaat aan dat van vermogensinkomsten en anderzijds dat het constateren van inkomsten uit vermogen achterwege blijft als hetzelfde voordeel reeds als aanmerkelijkbelangwinst is belast. Het onderhavige geval is geen situatie, waarop het tweede lid van artikel 24 Wet IB 1964 ziet. De rechtbank is van oordeel dat dit ertoe leidt dat slechts een bedrag van ƒ 450.358 minus ƒ 251.115, dat is ƒ 199.243 als inkomsten uit vermogen belastbaar is. De rechtbank merkt hierbij op dat dit resultaat in overeenstemming is met hetgeen verweerder in 4.6.3.2 over de werking van de artikelen 36, negende lid, en 38, derde lid, Wet IB 1964 heeft aangevoerd.

4.6.4. Fraus legis

4.6.4.1. Blijkens constante jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van wetsontduiking wanneer tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. De belastingplichtige verricht rechtshandelingen met als gevolg dat de belasting die bij het achterwege van die rechtshandelingen zou zijn geheven, geheel of ten dele niet kan worden geheven;

b. Voor het aangaan van die rechtshandelingen is de verijdeling van de belastingheffing de beweegreden, althans de doorslaggevende beweegreden;

c. Door de wijze waarop de belastingplichtige heeft getracht de belastingheffing te ontgaan, is hij in strijd gekomen met de strekking van de fiscale wetgeving, in het bijzonder met de strekking van te noemen wetsartikelen.

Indien aan deze voorwaarden is voldaan, heeft de belastingplichtige op niet-normale wijze gebruik gemaakt van toelaatbare middelen om belasting te ontgaan.

4.6.4.2. Verweerder neemt het standpunt in dat doel en strekking van artikel 20a en volgende van de Wet IB 1964 is om de bij vervreemding van aandelen gerealiseerde winst in de aanmerkelijkbelangheffing te betrekken. Het samenstel van rechtshandelingen lijkt zozeer op de verkoop van de volle eigendom van de 1851 aandelen van de B.V. dat doel en strekking van de Wet IB 1964 worden miskend indien deze heffing niet plaatsvindt. Zij stelt voorts dat de overeenkomsten reële praktische betekenis missen en dat eiser slechts beoogde een belastbare bate te generen, belastbaar naar een tarief van 45%, waardoor voor eenzelfde bedrag aan rente zou kunnen worden afgetrokken naar het tabeltarief van 60%. Aldus frustreert eiser volgens verweerder de renteaftrekbeperking opgenomen in artikel 38, zevende lid, van de Wet IB 1964.

4.6.4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Met ingang van 1997 is de belastingheffing van een belastingplichtige die zijn onderneming drijft in de vorm van een B.V. zodanig vormgegeven dat er vennootschapsbelasting wordt geheven over de door de B.V. behaalde winst aangevuld met inkomstenbelasting over de uitgedeelde winst. Vervreemdingswinsten worden in de belastingheffing betrokken om te bereiken dat de belastingplichtige belast wordt voor de voordelen die zich tijdens zijn bezitsperiode van de aandelen hebben voorgedaan. De aanmerkelijkbelangheffing is, anders dan vóór 1997, niet langer te beschouwen als een voorschotheffing op de inkomsten uit vermogen.

4.6.4.4. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van wetsontduiking, omdat met de overeenkomsten is bereikt dat bij eiser uiteindelijk een uit de winstreserves van de B.V. afkomstig bedrag van ƒ 450.358 belastbaar is geworden. Dat daarover belasting kan worden geheven omdat eiser inkomsten uit vermogen heeft genoten in plaats van aanmerkelijkbelangwinst geeft geen aanleiding om strijd met doel en strekking van artikel 20a en volgende van de Wet IB 1964 te constateren. Het tariefverschil tussen inkomsten uit vermogen en aanmerkelijkbelangwinst geeft geen aanleiding anders te oordelen. Ook de omstandigheid dat eiser door de werking van artikel 38, zevende lid, van de Wet IB 1964 een rentebedrag ter grootte van de inkomsten uit vermogen kan aftrekken, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel omdat het voorkomen van verdamping van de aftrekmogelijkheid vanwege de aanstaande introductie van de Wet IB 2001 niet ongeoorloofd is (verg. HR 10 maart 1993, nr. 28139, BNB 1993/196).

4.7. Slotsom en tarieftoepassing

4.7.1. Eiser heeft ter zake van de overeenkomsten geen winst uit aanmerkelijk belang aangegeven en ƒ 450.358 inkomsten uit vermogen. Voorts heeft hij in verband daarmee een gelijk bedrag aan rente in aftrek gebracht. De oordelen van de rechtbank hebben tot gevolg dat het aangegeven bedrag zal worden verhoogd met ƒ 251.115 aanmerkelijkbelangwinst (zie 4.4.7), welk bedrag belast is op de voet van artikel 57a, tweede lid, van de Wet IB 1964 tegen het 25%-tarief. De aangegeven inkomsten uit vermogen zullen worden verminderd met ƒ 251.115 tot ƒ 199.243 (zie 4.5 en 4.6.3.3). Dit laatste bedrag is belast op de voet van artikel 57, eerste lid, onderdeel h, van de Wet IB 1964, tegen het 45%-tarief. De verlaging van de inkomsten uit vermogen heeft tot gevolg dat de (naar het tabeltarief) in aftrek gebrachte rente met een gelijk bedrag (eveneens met ƒ 251.115) zal worden verlaagd.

4.7.2. Het compromis (zie 2.9 en 3.2) leidt ertoe dat het belastbare inkomen zal worden verhoogd met ƒ 652.849 en dat het in de aangifte opgenomen bedrag van ƒ 296.392 aan te verrekenen voorheffingen wegens meer te verrekenen loonheffing met ƒ 391.709 zal worden verhoogd tot ƒ 688.101.

4.7.3. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het belastbare inkomen als volgt vaststellen:

Aangegeven inkomen ƒ 1.978

Bij: meer winst uit aanmerkelijk belang ƒ 251.115

Af: minder inkomsten uit vermogen ƒ251.115 -/-

Bij: minder rente-aftrek ƒ 251.115

Bij: meer looninkomsten ƒ 652.849

Bij: minder giftenaftrek ƒ 7.806

Inkomen ƒ 993.748

Verliesverrekening ƒ 25.920 -/-

Belastbaar inkomen ƒ 967.828

4.7.4. De hiervóór opgenomen correctie giftenaftrek betreft de in de aangifte afgetrokken giften ex artikel 47, eerste lid, Wet IB 1964 en is als volgt berekend:

Aangegeven onzuiver inkomen ƒ 105.067

Bij: meer winst uit aanmerkelijk belang ƒ 251.115

Af: minder inkomsten uit vermogen ƒ251.115 -/-

Bij: minder rente-aftrek ƒ 251.115

Bij: meer looninkomsten ƒ 652.849

Onzuiver inkomen ƒ 1.009.031

Giften artikel 47, eerste lid, letter a ƒ 2.000

Giften artikel 47, eerste lid, letter b ƒ 12.790

Af: 1% van het onzuivere inkomen ƒ 10.090 -/-

Aftrekbaar ƒ 4.700

Afgetrokken in de aangifte ƒ 12.506 -/-

Te veel afgetrokken ƒ 7.806”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.1. Het Hof zal het door de Inspecteur in hoger beroep als subsidiair aangeduide standpunt, als meest vergaande standpunt, eerst bespreken. De Inspecteur heeft zich subsidiair onder meer op het standpunt gesteld dat de toepassing van artikel 20a, zesde lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB 1964 meebrengt dat de volle waarde van de aandelen ten bedrage van ƒ 452.209 onder aftrek van de verkrijgingsprijs ten bedrage van ƒ 1.851 als aanmerkelijkbelangwinst moet worden aangemerkt. Hij voert hiertoe aan dat nu belanghebbende de blote eigendom van de aandelen door de schenking aan zijn kinderen heeft vervreemd, het overgebleven tijdelijke recht van vruchtgebruik op deze aandelen niet meer tot een aanmerkelijk belang behoort, in welk geval belanghebbende op grond van voormelde bepaling wordt geacht ook het overgebleven recht van vruchtgebruik te hebben vervreemd.

7.1.2. In artikel 20a, zesde lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB 1964 is bepaald dat onder vervreemding van onder meer aandelen wordt begrepen het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang.

7.1.3. Bij de totstandkoming van artikel 20a, zesde lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB 1964 is onder meer het volgende opgemerkt:

'Een belangrijke wijziging ten opzichte van het huidige regime betreft de situatie dat het belang van de belastingplichtige daalt onder de 5%, zijnde het nieuwe percentage dat geldt als criterium voor het aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang. Dit kan bij voorbeeld het geval zijn indien hij een deel van de aandelen vervreemdt. In een dergelijke situatie wordt de belastingplichtige geacht ook zijn resterende aandelen te hebben vervreemd; de afrekening over de aldus geconstateerde aanmerkelijk-belangwinst kan echter worden doorgeschoven naar het tijdstip van daadwerkelijke realisatie (zie onderdeel 2.1.10 en 2.1.13).'

Kamerstukken II, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3 (memorie van toelichting), blz. 10.

'Het huidige regime kent het zogenoemde aflopende aanmerkelijk belang. Daarvan is bij voorbeeld sprake ingeval een aanmerkelijk-belanghouder een dusdanig gedeelte van zijn aandelenpakket verkoopt dat het resterende pakket minder beloopt dan zeven percent van het nominaal gestorte kapitaal van de vennootschap; ook is daarvan bij voorbeeld sprake ingeval naaste verwanten aandelen verkopen waardoor het belang daalt beneden een derde gedeelte van het nominale gestorte kapitaal. Het resterende pakket wordt vervolgens nog gedurende vijf jaren als een aanmerkelijk belang aangemerkt.

In het voorgestelde systeem wordt dit anders. Er kunnen geen aflopende aanmerkelijke belangen meer ontstaan. Zodra een aanmerkelijk-belanghouder, kort gezegd, minder dan 5% van het geplaatste kapitaal (over)houdt, behoren de resterende aandelen niet meer tot een aanmerkelijk belang. Hetzelfde geldt voor de winstbewijzen schuldvorderingen en koopopties die mede tot het aanmerkelijk belang behoorden.

Het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang wordt daarom als een vervreemding aangemerkt. Het maakt niet uit hoe de aanmerkelijk-belanghouder, populair gezegd, onder de 5%-grens is gezakt. Dat kan gebeuren door verkoop van aandelen (door hem of door familieleden), maar bij voorbeeld ook doordat hij niet aan een nieuwe emissie van aandelen door de vennootschap heeft deelgenomen.

Doordat het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang als een vervreemding wordt aangemerkt, moet het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van het (nog) tot het vermogen van de belastingplichtige behorende pakket en de verkrijgingsprijs daarvan als winst uit aanmerkelijk belang worden belast. Duidelijk is echter dat directe afrekening bezwaren kan ontmoeten. De belastingplichtige heeft deze winst immers nog niet gerealiseerd en zou dus andere middelen moeten aanspreken om de belasting te betalen. In verband hiermee bestaat de mogelijkheid van doorschuiving. Als van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, is de hoofdregel dat de fiscale claim pas wordt afgerekend op het moment dat het resterende pakket wordt vervreemd. Voor de behandeling van de doorschuivingsregelingen wordt verwezen naar onderdeel 2.1.13.'

Kamerstukken II, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3 (memorie van toelichting), blz. 18.

'Het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang wordt onder de nieuwe aanmerkelijk-belangregeling als een vervreemding aangemerkt. Dat is het geval als het belang van de aandeelhouder onder de 5%-grens — die geldt voor het aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang — zakt. Voor deze gevallen is een nieuwe doorschuivingsregeling ontworpen die is besproken in onderdeel 2.1.10 van deze memorie.'

Kamerstukken II, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3 (memorie van toelichting), blz. 21.

'Ingeval een belastingplichtige die een aanmerkelijk belang heeft, op enig tijdstip een zodanig aantal aandelen vervreemdt dat het resterende pakket niet meer kan worden aangemerkt als een aanmerkelijk belang, ontstaat onder het bestaande regime een zogenoemd aflopend aanmerkelijk belang. Een aflopend aanmerkelijk belang kan eveneens ontstaan indien de vennootschap een zodanig aantal aandelen bij een ander emitteert, dat het belang van de belastingplichtige onder de aanmerkelijk-belanggrens daalt. De Werkgroep fiscaal-technische herziening IB/LB heeft voorgesteld, dat in een dergelijke situatie de aanmerkelijk-belangclaim die rust op de (resterende) aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen moet worden afgerekend. Daarbij moet echter wel de mogelijkheid worden geopend dat deze afrekening wordt verschoven naar het tijdstip waarop de (resterende) aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen daadwerkelijk worden vervreemd. Ik heb dit voorstel overgenomen. In de eerste plaats is in artikel 20a, zesde lid, onderdeel h, geregeld dat in een situatie zoals hierboven is beschreven een (fictieve) vervreemding wordt geconstateerd. In artikel 20e is vervolgens een doorschuivingsregeling opgenomen, waarbij op verzoek het voordeel buiten aanmerking blijft. In een dergelijk geval ontstaat een zogenoemd fictief aanmerkelijk belang.'

Kamerstukken II, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3 (memorie van toelichting), blz. 49.

7.1.4. Het Hof leidt uit voormelde citaten af dat de wetgever onder ‘het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang’ als bedoeld in artikel 20a, zesde lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB 1964 uitsluitend heeft willen begrijpen de situatie dat het belang van de belastingplichtige in de vennootschap onder de aanmerkelijkbelanggrens van 5 percent van het nominaal gestorte aandelenkapitaal daalt. Een geval als het onderhavige, waarin het resterende belang van belanghebbende in de vennootschap na de vervreemding van de blote eigendom van de aandelen ruim 95 percent bedraagt, valt, anders dan de Inspecteur betoogt, niet onder voornoemde bepaling. Het als subsidiair aangeduide standpunt van de Inspecteur faalt derhalve in zoverre en behoeft voor het overige geen bespreking.

7.2.1. De Inspecteur sluit zich in zijn in hoger beroep als primair aangeduide standpunt aan bij de beslissing van de rechtbank, behoudens voor zover de rechtbank geen rekening heeft gehouden met het bedrag van ƒ 251.115 dat boven de waarde van het vruchtgebruik van

ƒ 199.251 door de BV voor de verwerving van het tijdelijke recht van vruchtgebruik op de aandelen, aan belanghebbende is betaald. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat dit bedrag als uitkering van dividend in de heffing van inkomstenbelasting dient te worden betrokken tegen het tarief van artikel 57a van de Wet IB 1964.

7.2.2. Belanghebbende heeft het standpunt van de Inspecteur bij incidenteel hoger beroep bestreden en stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een dividenduitkering in de sfeer van de inkomstenbelasting, omdat de BV ter zake van de verwerving van het tijdelijke recht van vruchtgebruik niet meer dan de waarde van dat vruchtgebruik, zijnde ƒ 450.358, aan belanghebbende heeft betaald. Hij voert hiertoe aan dat de blooteigendomswaarde van de aandelen hooguit gelijk is aan de nominale waarde. De houder van het tijdelijke recht van vruchtgebruik, die tevens houder is van alle overige uitgegeven aandelen en enig bestuurder van de BV, is voornemens alle winstreserves op de aandelen uit te keren en kan hiertoe zonder toestemming van de bloot eigenaar overgaan. Een onafhankelijke derde zou onder deze omstandigheden niet meer dan de nominale waarde van de aandelen voor de blote eigendom van die aandelen betaald hebben, aldus belanghebbende.

7.2.3. De Inspecteur heeft zich voor wat betreft de waardering van de bloot eigendom van en het tijdelijk recht van vruchtgebruik op de aandelen (zie 7.2.1.) aangesloten bij de waardering zoals de rechtbank deze heeft toegepast, te weten met toepassing van artikel 21, eerste, zesde, achtste en negende lid, van de Successiewet 1956 in verbinding met de artikelen 6 en 10 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.

7.2.4. Partijen nemen terecht tot uitgangspunt dat de waarde van de blote eigendom en die van het tijdelijke recht van vruchtgebruik van de aandelen moet worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer zoals die tussen onafhankelijke partijen in de omstandigheden van het onderhavige geval, met eliminering van de omstandigheid dat tussen de bij de overeenkomst van schenking betrokken partijen een familieband bestaat en van de omstandigheid dat tussen de bij de overeenkomst van koop en verkoop van het tijdelijk recht van vruchtgebruik betrokken partijen een aandeelhoudersrelatie bestaat, tot stand zou zijn gekomen.

7.2.5. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de blote eigendom ten hoogste gesteld kan worden op de nominale waarde van de aandelen. Het Hof overweegt daartoe dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van schenking, indien deze tussen zakelijk handelende partijen zou zijn gesloten, het voor deze partijen duidelijk was dat het aan deze aandelen te relateren deel van de winstreserves zou worden uitgekeerd aan de houder van het tijdelijke recht van vruchtgebruik. De BV heeft immers in de tien aan 31 december 2000 voorafgaande jaren nooit enige dividenduitkering gedaan. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van schenking kon, indien deze tussen zakelijk handelende partijen zou zijn gesloten, geenszins worden uitgesloten dat de BV eerst na afloop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik winstuitkeringen aan de dan volle eigenaren van de aandelen zou doen.

7.2.6. Het Hof ziet geen aanleiding de Inspecteur, in navolging van de rechtbank, niet te volgen in de forfaitaire berekeningswijze van het bloot eigendom en het tijdelijke recht van vruchtgebruik als vermeld in 7.2.3. Gegeven het feit dat tussen partijen niet in geschil is dat de volle waarde van de aandelen op 31 december 2000 ƒ 452.209 bedroeg, betekent dit dat de waarde van het tijdelijke recht van vruchtgebruik op die datum ƒ 199.243 bedroeg en bijgevolg de waarde van de blote eigendom ƒ 252.966.

7.2.7. De BV heeft belanghebbende voor de verwerving van het tijdelijke recht van vruchtgebruik een koopprijs betaald van ƒ 450.358, hetgeen, gelet op het in 7.2.6 overwogene, ƒ 251.115 meer bedraagt dan de waarde in het economische verkeer, zodat moet worden geoordeeld dat de BV belanghebbende met laatstgenoemd bedrag heeft bevoordeeld. Nu aangenomen moet worden dat zowel de BV als belanghebbende zich van deze bevoordeling bewust zijn geweest, moet geconcludeerd worden dat de BV aan belanghebbende een uitdeling heeft gedaan ter grootte van ƒ 251.115. Niet in geschil is dat dit voordeel belast is naar het tarief van artikel 57a van de Wet IB 1964 (25%). Het Hof zal partijen hierin volgen, nu dit standpunt geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

7.3. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en is het incidenteel hoger beroep ongegrond. Tussen partijen is niet in geschil dat het belastbare inkomen in dat geval dient te worden vastgesteld op ƒ 1.221.455 (zie bijlage 16 van het nader stuk van de Inspecteur gedagtekend 25 augustus 2011). Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.221.455

(€ 554.272), waarvan ƒ 199.243 (€ 90.413) te belasten op de voet van artikel 57 van de Wet IB 1964, ƒ 502.230 (€ 227.902) te belasten op de voet van artikel 57a van de Wet IB 1964 en ƒ 502.509 (€ 228.028) te belasten op de voet van artikel 53a van de Wet IB 1964, met verrekening van voorheffingen ten bedrage van ƒ 688.101 (€ 312.247), en

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, J.J.J. Engel en H.J. van den Steenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 18 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.