Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV1537

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
23-01-2012
Zaaknummer
22-005118-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005118-09

Parketnummer: 10-642579-09

Datum uitspraak: 24 november 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 25 september 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1974,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [naam benadeelde partij], toegewezen tot een bedrag van € 3.213,80 en is aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer, [naam benadeelde partij, opgelegd tot een bedrag van € 2.499,80, subsidiair 49 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 januari 2008 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam benadeelde partij]), meerdere malen, althans eenmaal, met zijn (gebalde) vuisten/of zijn hand in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak

Het hof heeft op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende:

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep zijn videobeelden getoond waarop het ten laste gelegde zou zijn waar te nemen, een en ander zoals nader weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond nr. 2008006782-17, d.d. 25 januari 2008.

Het hof heeft bij het bekijken van deze beelden vastgesteld dat op of bij deze beelden niet de plaats van het delict wordt vermeld, evenmin als een delictsdatum of een tijdstip.

Voorts heeft het hof daarbij waargenomen dat een persoon een aantal malen wordt geslagen door een ander persoon, waarna een worsteling tussen deze personen ontstaat. De kwaliteit van de beelden was niet van dien aard dat het hof de verdachte daarop kon herkennen.

Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de getoonde beelden niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Voorts bevinden zich in het strafdossier getuigenverklaringen die enerzijds ontlastend en anderzijds belastend voor de verdachte zijn.

Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de vaststaande verwondingen bij het slachtoffer door de verdachte zijn toegebracht.

De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Vordering tot schadevergoeding [naam benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van EUR 3.213,80.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat een gedeelte van de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van EUR 500,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering dient voor het overige, voorzover het betreft de gevorderde materiële schade en de meerder gevorderde immateriële schade, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij, [naam benadeelde partij], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven, mr. F.A.M. Bakker en mr. Chr.A. Baardman, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 november 2011.