Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV1206

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
200.049.056/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht, toezegging tussenpersoon verzekeraar, uitkering uit overlijdensverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2012/48

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.049.056/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 319810/HA ZA 08-3100

arrest van de vierde civiele kamer d.d. 22 november 2011

inzake

1. [naam],

wonende te [plaats], en

2. [naam],

wonende te [plaats],

appellanten,

hierna tezamen te noemen: [in enkelvoud] [appellante] en ieder afzonderlijk [appellante sub 1] en [appellante sub 2],

advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Lisse,

tegen

RVS Levensverzekering N.V.,

gevestigd te Ede,

geïntimeerde,

hierna te noemen: RVS,

advocaat: mr. L.Ph.J. van Utenhove te 's-Gravenhage.

1. Het verdere verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst het hof naar zijn arrest van 15 maart 2011 (hierna: het tussenarrest). Ingevolge het tussenarrest heeft RVS een akte genomen waarbij zij een aantal producties heeft overgelegd.

1.2 Vervolgens heeft ingevolge het tussenarrest op 16 mei 2011 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Het proces-verbaal van dat verhoor bevindt zich bij de stukken.

1.3 Daarna hebben partijen een memorie na enquête en een antwoordmemorie na enquête genomen. Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2. Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1 In het tussenarrest heeft het hof RVS bevolen de dossiers van de polisnummers 96916156 en 96916157 over te leggen. RVS heeft daaraan bij akte van 29 maart 2011 voldaan.

2.2 Voorts heeft het hof in het tussenarrest [appellante] toegelaten te bewijzen dat aan [de overledene] (vertegenwoordigd door [appellante sub 2]) door ([de adviseur] van) RVS de toezegging is gedaan dat polis 56 zo zou worden gewijzigd dat de erfgenamen (de moeder) van [de overledene] (de helft van) de uitkering onder de levensverzekering zouden krijgen.

[appellante] heeft [appellante sub 2], partijgetuige, [de adviseur], adviseur in dienst van RVS, [V], de begunstigde onder de levensverzekering, […], schoonvader van [appellante sub 2], […], destijds werkzaam op de klachtafdeling van RVS en […], seniormedewerker centrale klachtenafdeling bij RVS, als getuigen doen horen. RVS heeft afgezien van contra-enquête.

2.3 [appellante sub 2] heeft verklaard dat zij op 26 juni 2007 aan [de adviseur] heeft gevraagd of de begunstiging van de levensverzekering gewijzigd kon worden zodat de erfgenamen begunstigd werden, omdat dat de uitdrukkelijke wil van haar zusje ([de overledene]) was. Zij heeft verder verklaard dat [de adviseur] zei dat hij dat met [V] zou bespreken. Tussen 26 juni 2007 en 4 juli 2007 heeft zij volgens haar verklaring [de adviseur] op zijn mobiele nummer gebeld en heeft zij gevraagd of het mogelijk was dat de polissen voortgezet werden en de begunstiging werd gewijzigd. Zij heeft verklaard dat [de adviseur] heeft geantwoord dat dat mogelijk was en dat [V] dat ook wilde. Verder heeft zij verklaard dat zij na het overlijden van haar zuster op 25 september 2007 weer met [de adviseur] om de tafel zat om alle polissen door te nemen en dat [de adviseur] haar liet zien dat het uit te keren bedrag € 98.000,00 zou zijn en dat hij vertelde dat de helft naar [V] zou gaan.

2.4 [de adviseur] heeft verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij eind juni 2007 een afspraak had in Hillegom waar hij met [appellante sub 2] alle verzekeringen (van [de overledene]) heeft doorgenomen. Hij heeft verder verklaard dat hij in de overeenkomst van scheiding en deling die als productie 5 bij conclusie van antwoord van [V] is overgelegd de polissen heeft toebedeeld en dat de bedoeling was dat het ene deel van het bedrag naar de nabestaanden moest gaan en het andere deel naar [V]. Hij heeft verklaard dat hij met mevrouw [appellante sub 2] heeft besproken dat de nabestaanden recht op de helft hadden en dat men hem op kantoor had gezegd dat dat juist was: de nabestaanden zouden de helft krijgen. Hij denkt dat hij niet tijdens het gesprek, maar later van huis naar kantoor heeft gebeld en vervolgens [appellante sub 2] weer heeft gebeld. Hij heeft ook verklaard dat hij bij [V] is geweest en met hem heeft besproken dat ieder de helft zou krijgen, en dat [V] het daarmee eens was. Hij weet niet of hij dat aan [appellante sub 2] heeft meegedeeld.

Verder heeft hij verklaard dat hij een telefoontje van [V] kreeg, die zei dat hij het hele bedrag had gekregen, waarop [de adviseur] had gezegd dat dat volgens hem niet klopte.

Daarnaast heeft [de adviseur] verklaard dat het klopt dat de computeruitdraai bij productie 2 van RVS (het dossier van polisnummer 96916157, toevoeging hof) op bladzijde 03 de woorden bevat: "middels een overeenkomst van scheiding en deling" en de naam: "[appellante sub 1]".

2.5 Het hof is van oordeel dat [appellante] met deze verklaringen het opgedragen bewijs heeft geleverd. De verklaring van [appellante], dat [de adviseur] eerst met [V] heeft gesproken en vervolgens telefonisch heeft geantwoord dat het mogelijk was dat de begunstiging werd gewijzigd, heeft [appellante sub 2], handelend namens haar zuster, klaarblijkelijk opgevat als een toezegging dat de nabestaanden recht zouden krijgen op de helft van de uitkering en zij heeft die woorden ook zo mogen opvatten, gelet op de verklaring van [de adviseur] dat hij met [appellante sub 2] heeft besproken dat de nabestaanden recht op de helft hadden. De verklaring van [de adviseur] biedt steun aan de verklaring van [appellante sub 2], evenals de verklaring van [V] dat [de adviseur] tegen hem heeft gezegd dat hij de helft van de uitkering onder de levensverzekering zou krijgen. Verdere steun voor de verklaring van [appellante sub 2] kan worden gevonden in het door RVS overgelegde dossier inzake polis 57, waarin, zoals [de adviseur] in zijn verklaring aangeeft, de naam van de moeder van [de overledene], [appellante sub 1] is vermeld na de aantekening dat de polis is toebedeeld aan [V] middels een overeenkomst van scheiding en deling dd 27-6-2007, waaruit in elk geval blijkt dat na die datum de naam van een nabestaande (de moeder van [de overledene]) is aangetekend in het dossier van polis 57. Uit de verklaring van […] blijkt dat een dergelijke tekst wordt ingevoerd door de back office en nooit door buitendienstmedewer-kers, zoals [de adviseur].

2.6 Op grond van het hiervoor overwogene wordt het standpunt van RVS verworpen dat uit de verklaringen niet blijkt dat [de adviseur] een toezegging heeft gedaan. Het hof voegt er nog aan toe dat voor het bewijs niet nodig is dat [appellante sub 2] of [de adviseur] daadwerkelijk het woord toezegging hebben gebruikt, maar voldoende is dat (…) [appellante], die op het terrein van verzekeringen niet deskundig was, de bewoordingen van [de adviseur] mocht opvatten als een tot haar gerichte verklaring van die strekking. Dat [de adviseur] bij deze verklaringen optrad als vertegenwoordiger van RVS, zodat zijn handelingen aan RVS moeten worden toegerekend, is door RVS onvoldoende weersproken.

2.7 RVS betoogt dat als al zou komen vast te staan dat [de adviseur] namens RVS een toezegging heeft gedaan tot wijziging van de overeenkomsten, voor die wijziging de medewerking van [V] was vereist, althans voor [appellante] duidelijk was dat die medewerking was vereist, zodat hoogstens sprake is geweest van een voorwaardelijke toezegging van RVS.

2.8 Ook dit verweer faalt. [appellante sub 2] verklaart weliswaar dat [de adviseur] (tijdens het eerste gesprek op 26 juni 2007) tegen haar zei dat hij de wijziging van de begunstiging met [V] zou bespreken, zodat ook zij moest begrijpen dat [V] daarmee akkoord diende te gaan, maar zij verklaart verder dat zij later (tussen 26 juni 2007 en 4 juli 2007) [de adviseur] heeft gebeld en dat [de adviseur] toen zei dat het mogelijk was dat de polissen werden voortgezet en de begunstiging werd gewijzigd en dat [V] dat ook wilde. Haar verklaring wordt bevestigd door de verklaring van [de adviseur] die verklaart dat hij - zonder voorwaarden - de polissen zo had toebedeeld dat het ene deel van het bedrag naar de nabestaanden ging en het andere deel naar [V] ging en dat hij dat met [appellante sub 2] heeft besproken en in de verklaring van [V] dat [de adviseur] tegen hem heeft gezegd dat hij de helft van de uitkering onder de levensverzekering zou krijgen. (…) [appellante] mocht op grond van de woorden van [de adviseur] aannemen dat er een onvoorwaardelijke toezegging was dat de begunstiging zou worden gewijzigd. Het feit dat [V] verder verklaart dat hij heeft geweigerd om afstand te doen van de polis, kan aan het voorgaande niet afdoen. Voor het antwoord op de vraag of [de adviseur] namens RVS een onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan, moet immers worden gelet op hetgeen [appellante sub 2] (handelend namens [de overledene]) en [de adviseur] (handelend namens RVS) jegens elkaar hebben verklaard en op hetgeen zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben kunnen opmaken.

2.9 De conclusie moet zijn dat RVS een (onvoorwaardelijke) toezegging heeft gedaan. Grief 1 slaagt dus. Vast staat dat RVS de gedane toezegging niet is nagekomen, waardoor zij wanprestatie gepleegd. De door [appellante] gevorderde € 49.499,50 kan op die grond worden toegewezen. RVS heeft het bedrag niet betwist, evenmin als de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom en over de proceskosten.

Slotsom

2.10 De slotsom is dat de grieven slagen. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden vernietigd en RVS zal worden veroordeeld tot betaling van € 49.499,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf één maand na deze uitspraak, zoals gevorderd.

2.11 De vorderingen van [appellante] om inzage in de dossiers van de polisnummers 156 en 157 en om een getuigenverhoor zijn reeds bij tussenarrest toegewezen.

2.12 RVS zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

Beslissing

Het hof :

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 12 augustus 2009;

en opnieuw recht doende:

- veroordeelt RVS tot betaling aan [appellante] van € 49.499,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf één maand na dagtekening van de uitspraak;

- veroordeelt RVS in de kosten van de procedure, aan de zijde van [appellante] voor de eerste aanleg bepaald op € 90,44 voor explootkosten, € 254,00 voor griffierecht en

€ 1.788,00 voor salaris van de advocaat en voor het hoger beroep op € 90,98 voor explootkosten, € 1.485,00 voor griffierecht, nihil voor taxen en € 6.524,00 voor salaris van de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de uitspraak, en - voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - vermeerderd met de wettelijke rente over de kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn tot aan de voldoening;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau, M.M. Olthof en C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2011 in aanwezigheid van de griffier.