Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0897

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
200.089.940-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY8277, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8277
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale verhuizing. Moeder krijgt in hoger beroep alsnog toestemming om te verhuizen naar Finland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 21 december 2011

Zaaknummer : 200.089.940/01

Rekestnrs. rechtbank : FA RK 09-8453 & FA RK 10-7213

[de moeder],

wonende te [woonplaats], Finland,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.C.M. den Ridder-van der Meijden te Gorinchem,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.F. van Drenth te Breda.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Zuid-Holland Zuid en Zeeland,

locatie Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 30 juni 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 maart 2011 van de rechtbank Dordrecht.

De vader heeft op 25 augustus 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 8 juli 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 4 november 2011 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 8 november 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 16 juni 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw T. Philippart namens de raad.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de moeder – om haar vervangende toestemming te verlenen om met na te noemen minderjarigen naar Finland te verhuizen – afgewezen. Verder is, uitvoerbaar bij voorraad bepaald, met wijziging van het in de beschikking van 15 oktober 2008 opgenomen echtscheidingsconvenant, dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

DE ONTVANKELIJKEID VAN HET HOGER BEROEP

Allereerst dient het hof te beoordelen of de moeder ontvankelijk in haar hoger beroep. Ingevolge het bepaalde in artikel 359 jo. 278 Rv dient het beroepsschrift een duidelijke omschrijving te vermelden van het verzoek en de gronden waarop het hoger beroep berust. Het hof is, anders dan de vader, van oordeel dat de moeder in het onderhavige beroepsschrift voldoende duidelijk heeft vermeld op welke gronden zij vernietiging van de bestreden beschikking wenst. De moeder is derhalve ontvankelijk in haar beroep.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is of aan de moeder toestemming dient worden verleend om met de minderjarigen [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen) te verhuizen naar Finland. Daarmee hangt samen de vraag of de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader dan wel bij de moeder dient te worden bepaald.

2. De moeder verzoekt het hof om, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek om haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Finland te verhuizen, alsnog toe te wijzen en (naar zij ter terechtzitting heeft verklaard) het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen af te wijzen.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de grieven van de moeder ongegrond te verklaren.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de vrees van de raad dat de vader haar geen rol zal laten spelen in het leven van de minderjarigen. Deze vrees is volgens de moeder bewaarheid geworden. Sinds haar vertrek naar Finland heeft zij de minderjarigen slechts drie keer gezien. De moeder is van mening dat de vader zich op geen enkele wijze inspant om het contact tussen haar en de minderjarigen te onderhouden, hetgeen niet in het belang van de minderjarigen is. De band met de moeder en hun Finse familie wordt daardoor tot een onaanvaardbaar niveau gereduceerd. De moeder stelt dat zij, meer dan de vader, in staat zal zijn de niet-verzorgende ouder een rol van betekenis te laten spelen in het leven van de minderjarigen en de belangen van de minderjarigen voorop te stellen in het contact met de andere ouder. Verder is de moeder van mening dat de minderjarigen ook in Finland in een stabiele en veilige omgeving kunnen opgroeien. Zij heeft een eigen huis en een goede baan en kan de minderjarigen datgene bieden wat zij nodig hebben. Ook hoeft zij de zorg voor de minderjarigen minder dan de vader uit handen te geven. Voorts stelt de moeder dat zij ervan bewust is dat een verhuizing van de minderjarigen naar Finland een verstoring van de continuïteit in hun leven met zich mee zal brengen. Gezien de leeftijd van de minderjarigen en de goede band die zij met haar hebben, hoeft er volgens de moeder niet voor te worden gevreesd dat deze verandering te belastend voor hen zal zijn. De moeder is dan ook van mening dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij hun hoofdverblijf bij haar hebben, ook als dat een verhuizing naar Finland met zich meebrengt.

5. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht aan het advies van de raad is voorbijgegaan. Hij voert daartoe aan dat het rapport van de raad grotendeels op vermoedens en vrees is gebaseerd en niet deugdelijk is onderbouwd. De Raad heeft daarbij de verhuizing naar Finland – ten onrechte – als een gegeven aangenomen. Hij wijst erop dat zijn klacht, op het punt dat de raad – ten onrechte – heeft aangenomen dat de moeder de minderjarigen in Finland een goed leven kan bieden, gegrond is verklaard. Voorts stelt de vader dat hij de afgelopen maanden diverse malen heeft geprobeerd om in onderling overleg met de moeder afspraken te maken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar telkens stuitte op onwelwillendheid en/of niet reageren van de moeder. Bij gebreke van overeenstemming over een door de man opgesteld concept-ouderschapsplan heeft er nog geen omgang plaatsgehad tussen de moeder en de minderjarigen in Finland, aldus de vader. Dat de moeder de minderjarigen minder ziet, is volgens hem het gevolg van haar verhuizing naar Finland, hetgeen haar eigen onverplichte keuze is. Verder is de vader van mening dat het niet in het belang van de minderjarigen is om met hun moeder naar Finland te verhuizen en om te worden weggehaald uit hun stabiele, vertrouwde en veilige omgeving. Daarbij komt dat het contact tussen de minderjarigen en het gezin van de vader bij een verhuizing naar Finland ernstig onder druk zou komen te staan, aldus de vader.

6. De raad heeft ter terechtzitting verklaard dat een hoofdverblijfplaats bij de moeder het meest in het belang van de minderjarigen is. Hoewel beide ouders de minderjarigen een veilige leefomgeving kunnen bieden en het belang van de minderjarigen voorop stellen, is de raad van mening dat de vader zaken traineert door allerlei voorwaarden te stellen. Dat is niet in het belang van de minderjarigen, aldus de raad. Verder heeft de raad geadviseerd om de overgang van de minderjarigen naar Finland geleidelijk te laten plaatsvinden. De raad is van mening dat de zomervakantie een goed moment is om van school te wisselen.

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder geschillen omtrent de verblijfplaats van het kind, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen.

Rapport raad

8. Het hof passeert de stellingen van de vader met betrekking tot het raadsonderzoek. Naar het oordeel van het hof heeft de raad voldoende zorgvuldig onderzoek gedaan. Dat de klacht van de vader inzake de aanname dat de zorg voor de minderjarigen bij de moeder in Finland goed geregeld is, gedeeltelijk gegrond is verklaard, doet daaraan niet af. Dit maakt immers niet dat het gehele rapport onjuist is. Evenmin is – gelet op de onderzoeksvraag van de rechtbank – gebleken dat de raad geen rekening had mogen houden met het feit dat de moeder naar Finland is verhuisd.

Vervangende toestemming voor verhuizing

9. Alle belangen afwegende is het hof van oordeel dat aan de moeder vervangende toestemming dient te worden verleend om zich met de minderjarigen te vestigen in Finland. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat – hoewel de minderjarigen een warme en affectieve band met hun vader hebben en hij ook goed ouderschap laat zien – de vader en zijn partner minder dan de moeder ruimte geven aan de minderjarigen om invulling te geven aan hun gevoel van loyaliteit naar de andere ouder. Hierdoor is het risico aanwezig dat de inhoud en de frequentie van het contact tussen de moeder en de minderjarigen onacceptabel gereduceerd zullen worden. Dit risico heeft zich inmiddels ook verwezenlijkt. Uit het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de vader zodanige voorwaarden aan de omgang tussen de minderjarigen en hun moeder heeft gesteld, dat er tussen de minderjarigen en hun moeder in de afgelopen periode nauwelijks contact is geweest. Het hof acht de moeder – mede gelet op het feit dat de moeder in het verleden telkens in het belang van de minderjarigen heeft gehandeld en haar bereidheid mee te werken aan ruim contact tussen de vader en de minderjarigen – beter dan de vader in staat om de belangen van de minderjarigen te bewaken op het punt van het contact met de niet-verzorgende ouder. Hoewel de verhuizing van de minderjarigen met de moeder naar Finland ertoe leidt dat het contact tussen de vader en de minderjarigen beperkt zal worden, weegt deze omstandigheid niet zwaarder dan het belang van de minderjarigen dat beide ouders een belangrijke plaats in hun leven behouden. Dit belang van de minderjarigen wordt naar het oordeel van het hof beter gewaarborgd wanneer zij naar hun moeder in Finland verhuizen. Het feit dat een verhuizing naar Finland grote impact zal hebben voor de minderjarigen maakt het oordeel van het hof – gelet op het grote herstellingsvermogen van jonge kinderen en het door de raad vastgestelde vermogen van de moeder om de minderjarige affectieve en pedagogische steun te bieden – niet anders. Het hof acht het wel noodzakelijk dat de overgang van de minderjarigen naar Finland geleidelijk plaats vindt, door de minderjarigen in de zomervakantie definitief naar Finland te laten verhuizen.

10. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking op het punt van de vervangende toestemming voor de verhuizing naar Finland vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bepalen dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om met de minderjarigen naar Finland te verhuizen.

11. Nu het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van vervangende toestemming om met de minderjarigen naar Finland te verhuizen wordt toegewezen en de moeder niet meer in de vrouwenopvang verblijft, zal de bestreden beschikking eveneens worden vernietigd op het punt van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. Het zelfstandig verzoek in eerste aanleg van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen en bij hem te bepalen, zal worden afgewezen.

Zorgregeling

12. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep komt het hof thans toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de vader om te bepalen dat – indien de moeder toestemming krijgt om met de minderjarigen te verhuizen naar Finland – de minderjarigen gedurende alle schoolvakanties en feestdagen bij de vader zullen verblijven. De raad heeft in eerste aanleg een ruime omgangsregeling geadviseerd, waarbij de minderjarigen ¾ deel van de vakanties doorbrengen bij de niet-verzorgende ouder.

13. De vader heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het – in het geval vervangende toestemming aan de moeder wordt verleend voor een verhuizing met de minderjarigen naar Finland – billijk is om de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen.

14. Het hof zal gezien het voorgaande bepalen dat de kinderen de helft van alle vakanties en feestdagen met de vader doorbrengen.

15. Mitsdien beslist het hof.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

verleent vervangende toestemming aan de moeder om zich met de minderjarigen te vestigen in Finland;

wijst het inleidend verzoek van de vader alsnog af;

bepaalt een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, inhoudende dat de minderjarigen de helft van de vakanties en de helft van de feestdagen bij de vader zullen verblijven;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Pannekoek-Dubois en Van Wijk, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2011.