Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0786

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
200.087.342/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erkenning buitenlandse adoptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 21 december 2011

Zaaknummer : 200.087.342/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 10-1614

1. [verzoekster],

hierna te noemen: de vrouw, en

2. [verzoeker],

hierna te noemen: de man,

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de aspirant-adoptiefouders,

advocaat mr. F.J.P. Baur te Landgraaf.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam,

zetelend te Rotterdam,

hierna te noemen: de ambtenaar.

Op grond van het bepaalde in artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

het Ressortsparket van het openbaar ministerie in het arrondissement ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: het openbaar ministerie.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De aspirant-adoptiefouders zijn op 17 mei 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 februari 2011 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de aspirant-adoptiefouders:

- op 24 mei 2011 een brief van 22 mei 2011 met bijlagen;

- op 27 oktober 2011 een brief gedateerd op 28 oktober 2011;

van de zijde van de ambtenaar:

- op 14 oktober 2011 een brief van 12 oktober 2011.

De zaak is op 30 november 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de aspirant-adoptiefouders, bijgestaan door hun advocaat en mevrouw B. Demirtikin, tolk in de Turkse taal;

- de ambtenaar in de persoon van de heer T.J. de Bruin.

Het openbaar ministerie is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de aspirant-adoptiefouders niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot erkenning van adoptie, dan wel adoptie van na te noemen minderjarige.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is nader komen vast te staan:

- dat de minderjarige sinds september 2005 bij de aspirant-adoptiefouders in Nederland verblijft;

- dat de adoptie van de minderjarige door de aspirant-adoptiefouders op 10 oktober 2006 in Turkije is uitgesproken en op 16 oktober 2006 in kracht van gewijsde is gegaan;

- dat de vrouw op 22 oktober 2007 een verzoek tot beginseltoestemming heeft ingediend bij de Minister van Justitie;

- dat de Centrale Autoriteit interlandelijke adoptie (handelend namens de Minister van Justitie) op 14 oktober 2009 beginseltoestemming heeft verleend.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de adoptie van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats], Turkije (hierna te noemen: de minderjarige).

2. De aspirant-adoptiefouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot erkenning van de adoptie van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 (het hof leest: [geboortedatum] 2005) te [geboorteplaats], Turkije, alsnog toe te wijzen.

3. De aspirant-adoptiefouders stellen dat de rechtbank hen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun verzoek tot erkenning van een adoptie c.q. verzoek tot adoptie. Zij stellen daartoe dat zij alle door de rechtbank gevraagde stukken in origineel hebben overgelegd, dan wel van plan waren deze stukken ter zitting over te leggen. Het enige stuk dat de aspirant-adoptiefouders niet hebben overgelegd en niet hebben kunnen overleggen, is een uittreksel uit de GBA waaruit blijkt dat de minderjarige gezamenlijk door verzoekers wordt opgevoed op één woonadres, omdat de ambtenaar weigert deze verklaring op papier te zetten.

4. De ambtenaar stelt dat het onduidelijk is of de minderjarige aan de eis van rechtmatig verblijf in Nederland voldoet, dat het de aspirant-adoptiefouders vrij staat om tot inschrijving van de minderjarige over te gaan en dat in de persoonsgegevens van de aspirant-adoptiefouders geen aantekening is opgenomen omtrent een verzoek tot inschrijving van de minderjarige. De ambtenaar refereert zich aan het oordeel van het hof inzake de door de aspirant-adoptiefouders verzochte erkenning.

5. Het hof overweegt als volgt. In artikel 23 van het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (hierna te noemen: het Verdrag) is bepaald dat een adoptie die is uitgesproken in een Verdragsland automatisch wordt erkend in Nederland, indien de bevoegde autoriteit van de Staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden schriftelijk heeft verklaard dat zij in overeenstemming met het Verdrag tot stand is gekomen en de Centrale Autoriteiten van beide landen ermee hebben ingestemd dat de adoptie doorgang vond.

6. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de Centrale Autoriteiten van beide Staten ermee instemmen dat de adoptie doorgang vindt. Vast staat bovendien dat partijen ten tijde van de Turkse adoptie niet in het bezit waren van een geldige beginseltoestemming. Er is derhalve niet voldaan aan de vereisten voor erkenning van rechtswege. Nederland en Turkije zijn partij bij het Haags Adoptieverdrag. Nu in deze zaak niet aan de in het Verdrag gestelde voorwaarden is voldaan, is er geen sprake van een Verdragsadoptie. De vraag dient zich aan welke consequenties dit voor onderhavige zaak moet hebben. Uit de toelichting op het Haags Adoptieverdrag is af te leiden dat, ingeval niet aan alle vereisten van het Verdrag is voldaan, aan de rechter wordt overgelaten of hij een adoptie niettemin voor erkenning in aanmerking wil laten komen, waarbij uiteindelijk het belang van het kind bepalend is. Het hof is van oordeel dat, hoewel het onwenselijk is dat niet is voldaan aan alle in het Verdrag opgenomen vereisten en waarborgen, het belang van de minderjarige met zich brengt dat de adoptie wordt erkend. Het hof overweegt daartoe als volgt.

7. Het betreft hier kennelijk een zogenoemde binnenlandse Turkse adoptie, waartoe de mogelijkheid klaarblijkelijk voor de aspirant-adoptiefouders, in bezit van de Turkse nationaliteit, anders dan voor diegenen die niet in het bezit van de Turkse nationaliteit zijn, open stond. Niet gebleken is dat de Turkse procedure onregelmatigheden vertoont. Uit de Turkse adoptiebeschikking komt naar voren dat de biologische ouders de gevolgen van de adoptie begrijpen en accepteren. Bovendien blijkt uit de Turkse adoptiebeschikking dat de in acht genomen voorwaarden voor adoptie in Turkije grotendeels overeenkomen met de voorwaarden voor adoptie in Nederland, zoals genoemd in de artikelen 227 en 228 van Boek 1 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek, en dat aan deze voorwaarden is voldaan. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de minderjarige en de aspirant-adoptiefouders dezelfde culturele achtergrond hebben. De minderjarige kan derhalve haar moedertaal blijven spreken, zij kan een band behouden met haar land van herkomst en vervreemding van de eigen cultuur, wat voor adoptiekinderen een probleem kan zijn, speelt in onderhavige zaak derhalve niet. Voorts is vast komen te staan dat de minderjarige reeds sinds september 2005 bij de aspirant-adoptiefouders in Nederland woont en dat zij in materieel en immaterieel opzicht goed voor de minderjarige zorgen.

8. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is voorts gebleken dat de minderjarige met toestemming van de Turkse autoriteiten sinds september 2005 in gezinsverband met verzoekers leeft en een band met hen heeft opgebouwd. Het hof acht het in het belang van de minderjarige dat de feitelijke verhoudingen worden bevestigd. Het hof heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de goede trouw van verzoekers. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat de vrouw in 2009 toestemming van de Minister van Justitie heeft verkregen tot opneming ter adoptie van een eerste buitenlands kind.

9. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

verklaart voor recht dat wordt erkend de beschikking van de rechtbank Akyaka van 10 oktober 2006, rolnummer 2006/45, beschikking nummer 2006/53, tot de adoptie naar het recht van Turkije van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats], Turkije, door voornoemde aspirant-adoptiefouders;

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding van adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Jansen en Bos, bijgestaan door Hogendoorn als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2011.