Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0675

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
200.089.255-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie ex-echtgenoten. Engels of Nederlands recht. Beperking van de duur van de alimentatieplicht. Ondanks het feit dat de vrouw twaalf jaar niet heeft gewerkt, wordt van haar verlangd dat zij binnen drie jaar in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft een goede opleiding gehad en niet langer de zorg voor (minderjarige) kinderen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2012/52 met annotatie van R.A. Jongerius
RFR 2012/45

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 30 november 2011

Zaaknummer : 200.089.255/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-5876 & FA RK 10-9106

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te ‘s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. I. Gerrand te Eindhoven.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 juni 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 maart 2011 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 23 augustus 2011 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De man heeft op 3 oktober 2011 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 21 juli 201 een brief van 20 juli 2011 met bijlage;

- op 5 oktober 2011 een brief van 6 oktober 2011 met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 7 oktober 2011 een brief van 6 oktober 2011 met bijlagen;

- op 11 oktober 2011 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 21 oktober 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast is de vrouw bijgestaan door een beëdigde tolk in de Engelse taal, mevrouw J.J. van Ravensteijn-Prins.

Zowel de advocaat van de man als de advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 2.824,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheiding op 25 augustus 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

2. De man verzoekt het hof bij beschikking in hoger beroep, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:

- de vrouw in staat is om volledig in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien en derhalve geen recht heeft op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;

- de verdiencapaciteit van de vrouw € 2.948,- bruto per maand bedraagt dan wel een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren te bepalen, welk bedrag in mindering komt op de behoefte van de vrouw dan wel met welk bedrag de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw wordt verminderd;

- de alimentatieverplichting van de man eindigt drie jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dan wel dat het hof aan de alimentatieverplichting van de man de voorwaarde verbindt dat deze drie jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand eindigt, tenzij de vrouw kan aantonen dat zij niet in staat is om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien;

dan wel een zodanig lagere bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw dan € 2.824,- bruto per maand en zodanige voorwaarden alsmede termijn als het hof vermeent te behoren te bepalen onder de verplichting dat de vrouw dient terug te betalen hetgeen zij vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand meer aan partneralimentatie heeft ontvangen dan het hof in deze procedure zal bepalen waar zij aan partneralimentatie recht op heeft.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof

in principaal appel

de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;

in incidenteel appel

de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage en

- primair, de man te veroordelen om, met ingang van de datum van inschrijving van (het hof leest:) de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw te voldoen als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud een bedrag ad € 2.224,31 netto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- subsidiair, in geval het hof de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage verlaagt dan wel op nihil stelt, de ingangsdatum hiervan te bepalen op de datum van de beschikking in dezen, dan wel te bepalen dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling van de van de man ontvangen onderhoudsbijdragen.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appel, dan wel dit in zijn geheel af te wijzen.

Behoefte/behoeftigheid

Behoefte

5. De man stelt zich op het standpunt dat de behoefte van de vrouw lager is dan door de rechtbank vastgesteld en ongeveer € 1.000,- netto per maand bedraagt. De man voert daartoe drie grieven aan:

- de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het in strijd is met de aanbevelingen van het Tremarapport en niet reëel is om de behoefte van de vrouw te baseren op de bijdragen die de man de afgelopen vier jaar heeft voldaan (ongeveer € 1.000,- per maand);

- de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat tijdens de zitting in eerste aanleg zou zijn komen vast te staan dat de vrouw van de bijdragen van de man de afgelopen jaren de hypotheeklasten niet kon voldoen; en

- de rechtbank heeft ten onrechte gesteld dat voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte dient te worden uitgegaan van het netto-gezinsinkomen in 2006.

6. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd bestreden. Daarnaast stelt de vrouw zich op het standpunt dat de rechtbank haar behoefte te laag heeft vastgesteld. Zij stelt dat haar behoefte € 2.224,31 netto per maand bedraagt, in plaats van het door de rechtbank bepaalde bedrag van € 1.943,- netto per maand. Door de rechtbank was geen rekening gehouden met de kosten voor de VVE (Vereniging van eigenaren) ter zake van het appartement waar zij woont.

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat bij de vaststelling van de aan de welstand gerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde rekening dient te worden gehouden met alle feiten en omstandigheden van het geval, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgavenpatroon in diezelfde periode. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud worden bepaald. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank daaromtrent in grote lijnen heeft overwogen. De man heeft in hoger beroep op dit punt geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat vaststaat dat partijen in 2006 feitelijk uiteen zijn gegaan en dat zij vervolgens geen duidelijke financiële afspraken hebben gemaakt. In eerste instantie liep de financiële regeling zoals die tijdens de samenleving gold door en had de vrouw nog immer de beschikking over de gelden op de gezamenlijke bankrekening van partijen. Nadat het contact tussen partijen verslechterde en de vrouw in financiële moeilijkheden raakte, daargelaten de vraag of zij met de wisselende bijdragen van de man al dan niet in staat was om de lasten uit hoofde van de hypothecaire geldlening te voldoen, heeft zij eerst in 2010 een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Ook de man heeft geen enkele actie ondernomen om de juridische situatie aan te passen aan de feitelijke door het huwelijk officieel te laten beëindigen. Onder deze omstandigheden acht het hof het redelijk om uit te gaan van het gezinsinkomen en de gezinsuitgaven ten tijde van de daadwerkelijke huwelijkse samenleving en niet slechts van de afgelopen jaren waarin sprake was van een onduidelijke en inconsistente financiële situatie tussen partijen.

8. Uitgegaan dient dan ook te worden, in beginsel, van het netto gezinsinkomen van partijen in 2006 en het door de vrouw overgelegde behoefteoverzicht. Uit de door partijen overgelegde stukken volgt dat het jaarinkomen van de man in 2006 € 79.596,- bedroeg (jaaropgave 2006). Omtrent de overige financiële omstandigheden in 2006 is door geen van partijen ook in hoger beroep geen inzage gegeven, zodat het niet mogelijk is om de precieze hoogte van het netto gezinsinkomen destijds vast te stellen. Wat betreft het behoefteoverzicht gaat het hof uit van de door de vrouw in hoger beroep opgevoerde posten, behoudens de volledige kosten huisvesting, nu de man terecht heeft gesteld dat, indien de vrouw partneralimentatie zou ontvangen en/of eigen inkomsten heeft, zij inkomstenbelasting zal dienen te betalen en dan ook recht heeft op hypotheekrenteaftrek. De overige posten acht het hof niet onredelijk en niet bovenmatig dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist door de man. Hieruit volgt dat het hof, in afwijking van de rechtbank, de behoefte van de vrouw vaststelt op € 2.000,- netto per maand bedraagt, ofwel, rekeninghoudend met de fiscale consequenties, € 3.200,- bruto per maand.

Behoeftigheid

9. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw volledig in haar eigen behoefte (levensonderhoud) zou kunnen voorzien. De man heeft te dien aanzien vier grieven aangevoerd: - ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij gedurende het huwelijk van partijen enkel in 2007 zes maanden heeft gewerkt en dat zij vanwege een reorganisatie zou zijn ontslagen;

- ten onrechte heeft de rechtbank bepaald dat uit de door de vrouw overgelegde bescheiden blijkt dat de vrouw solliciteert, maar geen baan heeft;

- ten onrechte heeft de rechtbank bepaald dat het, gelet op de feiten en omstandigheden, aannemelijk is dat het voor haar moeilijk is om een baan te vinden; en

- ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de vrouw in het geheel niet in staat is om bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud.

10. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.

11. Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn in 1993 gehuwd. In 1995 is de vrouw gestopt met werken. Tussen partijen staat vast dat de vrouw tussen 1995 en 2007, derhalve gedurende twaalf jaren tijdens het huwelijk, niet heeft gewerkt. In 2007 heeft de vrouw gedurende zes maanden een betaalde dienstbetrekking gehad waarbij zij, onbestreden gesteld, ongeveer € 2.950,- bruto per maand (inclusief vakantiegeld en overige emolumenten) verdiende. Sinds eind 2007 tot nu, vier jaren later, is de vrouw er niet in geslaagd opnieuw een baan te vinden. Gelet op de duur van het huwelijk van partijen, bijna achttien jaren, waarin gedurende tenminste twaalf jaren de man de kostwinner is geweest en de vrouw de verzorging en opvoeding van haar zoon op zich heeft genomen, waardoor haar positie op de arbeidsmarkt negatief is beïnvloed, is het hof van oordeel dat van de vrouw op dit moment niet gevergd kan worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat de vrouw zich realiseert dat van haar verwacht mag worden dat zij op een gegeven moment niet langer financieel afhankelijk is van de man, nu zij reeds enige tijd bezig is met solliciteren. Uit de door haar overgelegde stukken volgt echter tevens dat de vrouw op dit moment geen dienstverband heeft, noch enige eigen inkomsten uit andere bron.

12. Op grond van het hiervoor overwogene zal het hof de door de man aan haar te betalen uitkering tot levensonderhoud, conform haar behoefte, en nu de draagkracht van de man niet in geschil is, bepalen op € 3.200,- per maand. De vrouw heeft verzocht haar een netto-uitkering tot levensonderhoud toe te kennen. Dit is niet mogelijk. Met dit te bepalen bedrag wordt het door de vrouw verzochte netto bedrag niet overschreden.

Limitering en/of voorwaarden

13. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte aan de partneralimentatie geen voorwaarden of een termijn heeft gesteld. Hij meent dat ondanks het feit dat Nederlands recht van toepassing is op de alimentatie in dit geval aangehaakt moet worden bij de uitgangspunten van het Engels recht met betrekking tot de alimentatie, omdat beide partijen de Engelse nationaliteit hebben en zij in Engeland zijn gehuwd. Partijen zouden ook steeds rekening hebben gehouden met die uitgangspunten naar Engels recht. De man stelt dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is indien de vrouw langer dan drie jaar recht zou hebben op alimentatie ten laste van hem.

14. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

15. Het hof stelt voorop dat tussen partijen vaststaat dat Nederlands recht van toepassing is op de alimentatiekwestie. Er bestaat naar het oordeel van het hof dan ook geen enkele aanleiding om aan te haken bij het Engels recht. Hetgeen de man daartoe heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

16. Het hof ziet echter aanleiding om in dit geval een termijn te verbinden aan de duur van de alimentatieplicht van de man. Nu de vrouw in staat is geweest om na twaalf jaar onderbreking van haar deelname aan het arbeidsproces een goede baan te vinden die aansloot bij haar werkervaring en opleiding, kent het hof haar een verdiencapaciteit toe van € 2.000,- netto per maand, een bedrag vergelijkbaar met het inkomen dat zij met die dienstbetrekking verdiende. Immers, de vrouw woont inmiddels ruim tien jaren in Nederland, is nog relatief jong, te weten 44 jaar, en heeft niet langer de zorg voor haar zoon (thans 24 jaar en uitwonend). Daarbij komt dat de vrouw na die twaalf jaren in staat is gebleken een aanvullende opleiding te volgen, welke haar kansen op de arbeidsmarkt heeft vergroot. Deze verdiencapaciteit maakt dat de vrouw, indien zij deze realiseert, geen behoefte zal hebben aan een uitkering tot levensonderhoud van de man. Gelet hierop, maar ook op het feit dat zij op dit moment nog geen dienstverband heeft kunnen vinden en haar daarvoor enige tijd dient te worden gegund, is het hof van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat de partneralimentatie te limiteren als bedoeld in artikel 1:157 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof zal de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud limiteren op een termijn van drie jaren na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, omdat het hof ervan uitgaat dat de vrouw vanaf dat moment in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Ingangsdatum

17. Gelet op het voorstaande behoeft de grief van de vrouw ten aanzien van de ingangsdatum geen verdere bespreking meer.

Conclusie

18. Uit het bovenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 25 augustus 2011 op € 3.200,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de verplichting van de man om aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken eindigt op 25 augustus 2014;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan, Mink en Ydema, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2011.