Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0629

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
BK-11/00062
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting. Belanghebbende heeft geen recht op toepassing van de vrijstelling als bedoeld in art. 15, lid 1, aanhef en onderdeel s, Wbrv. Vergoeding van immateriële schade, nu de redelijke termijn is overschreden met in totaal 3,5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/116
Belastingadvies 2012/5.8
V-N 2012/16.1.3
FutD 2012-0129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00062

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 21 december 2011

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Holland-Midden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 december 2010, nummer AWB 05/6023 OVDRBL, betreffende na te vermelden naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft belanghebbende een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ter grootte van € 8.231 ter zake van een verkrijging op 19 augustus 1999. De bij beschikking berekende heffingsrente bedraagt € 1.379.

1.2. Het bezwaar van belanghebbende is door de Inspecteur bij beschikking van 13 juli 2005 afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur tijdig beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 november 2011, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn partijen verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende was met zijn echtgenote (hierna te noemen: belanghebbende) tot de hierna te noemen transacties gezamenlijk eigenaar van een perceel teelland aan de [a-straat] te [Z] (hierna: het perceel teelland).

3.2. De heer en mevrouw [A] (hierna: [A]) waren tot de hierna te

noemen transacties gezamenlijk eigenaar van een perceel bloembollenland aan de [b-straat]

te [Z] (hierna: het perceel bloembollenland).

3.3. Op 14 augustus 1998 hebben belanghebbende en [A] een overeenkomst van koop en verkoop gesloten met betrekking tot het perceel bloembollenland, welke overeenkomst is uitgewerkt in een koopakte van 15 januari 1999. Belanghebbende is blijkens de koopakte opgetreden “voor zich of een nader te noemen meester”.

3.4. Volgens een op 19 augustus 1999 ondertekende overeenkomst heeft

belanghebbende een ruilovereenkomst (hierna: de ruilovereenkomst) gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] B.V. (hierna: [C]). Deze overeenkomst luidt voor zover hier van belang:

“Partijen zijn per 8 april 1999 het navolgende met elkaar overeengekomen:

Partijen verklaarden met elkander te hebben geruild:

1. thans nog aan een derde (te weten [[A]] in eigendom toebehorende, maar door partij [C] te

verkrijgen:

HET PERCEEL BLOEMBOLLENLAND (...);

Tussen [[C]] en [[A]] is met betrekking tot het sub 1 gemelde registergoed op 14 augustus 1998 een overeenkomst van koop en verkoop gesloten, met welke inhoud partij [belanghebbende] overigens volledig bekend is.

**

in eigendom toebehorende aan partij [belanghebbende]:

HET PERCEEL TEELLAND (...), alsmede het perceel (...).

(...)

BEDINGEN

notariële akte van levering

artikel 1

1.(...)

2. Partij [belanghebbende] zal op verzoek van partij [[C]] het geruilde rechtstreeks in eigendom aanvaarden van een door partij [[D] Hof: kennelijk is bedoeld: partij [C]] aan te wijzen derde (de zogenoemde ABC-levering).”

3.5. Een op 19 augustus 1999 verleden akte houdt onder meer in:

“Heden, (...), verschenen voor mij, (...) notaris (...),:

A. 1. de heer(...),

2. mevrouw (...),

Hierna - zowel tezamen als afzonderlijk - ook te noemen: verkoper of partij [[A]];

B. de heer (...), ten deze handelend als zelfstandig bevoegd directeur van de besloten

vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: (...), hierna ook te noemen: partij [[C]];

C.l. de heer(...);

2. mevrouw(...);

Hierna - zowel tezamen als afzonderlijk - te noemen: [belanghebbende].

De comparanten, handelend als gemeld, verklaarden het navolgende:

KOOPOVEREENKOMST

Verkoper heeft blijkens een met partij [[C]] aangegane overeenkomst van koop en verkoop,

gedateerd veertien augustus negentienhonderdachtennegentig, aan partij [[C]] verkocht, die

blijkens gemelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht:

HET PERCEEL BLOEMBOLLENLAND, (...) hierna te noemen: het verkochte.

OVEREENKOMST VAN RUILING

De comparant sub B, (...), en de comparanten sub C, (...), verklaarden dat partijen op acht april negentienhonderdnegenennegentig met elkaar een overeenkomst van ruiling zijn aangegaan, met betrekking tot de navolgende registergoederen:

1. thans nog aan partij [[A]1] in eigendom toebehorende (zoals hiervoor vermeld):

HET PERCEEL BLOEMBOLLENLAND (…);

2. in eigendom toebehorende aan partij [belanghebbende]:

HET PERCEEL TEELLAND (...).

(...)

LEVERINGEN

Ter uitvoering van - casu quo ter voldoening aan vorengemelde overeenkomst van koop en verkoop en overeenkomst van ruiling verklaarden de comparanten sub A genoemd (...) bij deze rechtstreeks te leveren aan de comparanten sub C genoemd, die verklaarden (...) bij deze in eigendom te aanvaarden:

het hiervoor sub 1 omschreven registergoed;

terwijl de comparanten sub C, (...), verklaarden bij deze te leveren aan partij [[C]], voor en

namens welke partij de comparant B, (...), verklaarde bij deze te aanvaarden:

het hiervoor sub 2 omschreven registergoed.

(«.)

OVERDRACHTSBELASTING

Ten deze wordt door partij [[C]] en partij [belanghebbende] een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 letter s van de Wet op belastingen van

rechtsverkeer (...)“.

3.6. De naheffingsaanslag strekt tot naheffing van overdrachtsbelasting ter zake

van de verkrijging door belanghebbende van het perceel bloembollenland.

Het oordeel van de rechtbank

4.1. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank heeft overwogen [voor “eisers” moet worden gelezen “belanghebbende” en voor “verweerder” “de Inspecteur”]:

“4.1. Verweerder heeft onder meer aangevoerd dat [C] het perceel bloembollengrond niet

heeft verkregen en dat dit perceel door eisers rechtstreeks is verkregen van [A]. Hij heeft voorts betwist dat [A] het perceel teelland heeft (door)geleverd aan [C] en gesteld dat sprake is van twee afzonderlijke leveringen. De rechtbank verstaat dit betoog aldus dat verweerder bestrijdt dat [C] ooit juridisch of economisch eigenaar is geweest van het perceel bloembollenland en dat sprake is van een ruil van het perceel teelland en het perceel bloembollenland.

4.2. Eisers, op wie ter zake van de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel s, van de Wet de bewijslast rust, hebben tegenover de betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat, anders dan waarvan kennelijk wordt uitgegaan in de onder 2.4 en 2.5 genoemde stukken, [C] als “nader te noemen meester” de juridische en/of economische eigendom van het perceel bloembollenland heeft verkregen krachtens de onder 2.3 omschreven koopovereenkomst. Derhalve moet er van worden uitgegaan dat bij de akte van 19 augustus 1999 de juridische en economische eigendom van dat perceel door eisers rechtstreeks is verkregen van [A]

4.3. Nu niet in geschil is dat het perceel teelland door eisers is geleverd aan [C] brengt het hiervoor overwogene mee dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een ruil van het perceel teelland en het perceel bloembollenland of van een daarmee gelijk te stellen samenstel van (rechts)handelingen. De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel s, van de Wet kan daarom niet worden toegepast.

4.4. Uit het overwogene onder 4.2 vloeit tevens voort dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het perceel bloembollenland eerst door [C] van [A] en vervolgens door eisers van [C] is verkregen. Hierop stuit de toepassing van artikel 13 van de Wet af.

4.5. Op grond van het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.”

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. In hoger beroep betreft het geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel s, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend.

5.2. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarden die leiden tot genoemde vrijstelling van de onderwerpelijke verkrijging.

5.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij aanspraak maakt op toepassing van deze vrijstelling.

5.4. Voorts heeft de gemachtigde van belanghebbende gesteld dat, gelet op HR 10 juni 2011, nr. 05 112, wegens een te lange behandelingsduur door de Rechtbank te Den Haag een schadevergoeding op zijn plaats is.

5.5. Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de naheffingsaanslag en tot toekenning van een schadevergoeding in verband met een te lange behandelingsduur bij de Rechtbank.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Naar ’s Hofs oordeel heeft de Rechtbank op goede gronden beslist dat belanghebbende de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel s, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet toekomt.

7.2. Het Hof maakt deze gronden tot de zijne en bevestigt, nu de berekening van de naheffingsaanslag niet in geding is, de uitspraak van de Rechtbank op dat punt.

7.3. Ten overvloede merkt het Hof op - het bepaalde in artikel 2, lid 2, in het licht van de wetssystematiek in aanmerking nemende - dat het enkel sluiten van een koopovereenkomst door [C] voor deze vennootschap niet leidt tot een verkrijging in de zin der Wet op belastingen van rechtsverkeer en dat het rechtens zeer wel mogelijk is een recht op (civielrechtelijke) levering van een perceel te ruilen tegen een tegenwaarde die in dit geval bestaat uit een (ander) perceel grond.

Immateriële schadevergoeding

8.1. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die hij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil bij de rechtbank.

Op 10 juni 2011 heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN BO5046, LJN BO5080 en LJN BO5087). Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN AO9006, BNB 2005/ 337. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Die termijn vangt gelet op de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 aan op het moment dat de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Voor de berechting van een zaak door het hof geldt, behoudens bijzondere omstandigheden, als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien het niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld uitspraak doet. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een vergoeding van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

8.2.1. In het onderhavige geval is de termijn voor berechting in beroep aangevangen met de ontvangst door de Inspecteur van het bezwaarschrift tegen de onderhavige aanslag op 6 november 2004.

8.2.2. De bezwaarfase is geëindigd op 13 juli 2005 met de uitspraak op bezwaar. Het beroepschrift is op 24 augustus 2005 ingediend en gemotiveerd op 21 september 2005. Het verweerschrift is ingediend op 30 augustus 2005. De zitting bij de rechtbank vond plaats op 9 februari 2007 en door de rechtbank is uitspraak gedaan op 22 december 2010.

8.2.3. Sinds de ontvangst door de Inspecteur van het bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank zijn ruim zes jaar en anderhalve maand verlopen. Sinds het instellen van het hoger beroep (2 februari 2011) en het tijdstip waarop het Hof uitspraak zal doen (21 december 2011) zullen ruim tien maanden en twee weken verlopen zijn. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van omstandigheden die de duur van de berechting in de bezwaarfase en in eerste aanleg rechtvaardigen.

8.2.4. Geconcludeerd moet worden dat de totale procedure ruim zeven jaar en anderhalve maand in beslag heeft genomen. Uit het voorgaande volgt dat de redelijke termijn van in totaal vier jaar is overschreden met drie en een half jaar, naar boven afgerond. Aangezien niet gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning in het onderhavige geval van een vergoeding voor immateriële schade verhinderen, zal het Hof op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) veroordelen tot betaling aan belanghebbende van een schadevergoeding van zevenmaal € 500, derhalve € 3.500.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank,

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van immateriële schadevergoeding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.500.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.T. Sanders en J.J.J. Engel in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 21 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.