Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0509

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
07-02-2012
Zaaknummer
200.091.837-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag over minderjarige bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 12 oktober 2011

Zaaknummer. : 200.091.837/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 11-1192

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. T. Dreiling te Leiderdorp.

tegen

de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

kantoor houdende te Katwijk,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

2. [de pleegmoeder],

hierna te noemen: de pleegmoeder, en

[de pleegvader],

hierna te noemen: de pleegvader,

beiden wonende te [woonplaats],

hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders.

Als degene wiens verklaring in verband in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan worden geacht, is aangemerkt:

[de biologische vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de biologische vader.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 8 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 juni 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De raad heeft op 9 september 2011 een verweerschrift ingediend.

Jeugdzorg heeft op 15 september 2011 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 20 september 2011 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 22 september 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en een begeleidster van Stichting Philadelphia;

- mevrouw [X], namens de raad;

- mevrouw [Y] en de heer [Z], namens Jeugdzorg;

- de pleegouders.

De biologische vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige [de minderjarige], geboren [in] 1998 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige) en Jeugdzorg tot voogdes over de minderjarige benoemd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van (Jeugdzorg; het hof begrijpt:) de raad af te wijzen.

3. De raad bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

De ontheffing van het ouderlijk gezag

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige bedreigd zullen worden als de moeder niet wordt ontheven van het ouderlijk gezag. Gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM, heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd wat de ontheffing van het gezag gespiegeld aan de belangen van de minderjarige zo noodzakelijk maakt. Onvoldoende is gemotiveerd waaruit het gevaar bestaat voor de minderjarige bij een jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige. Voorts stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op de bijzondere omstandigheden van het geval en dat niet is nagegaan of het belang van de minderjarige zich verzet tegen ontheffing van het gezag. Bij de moeder leeft de angst dat zij haar moederrol niet meer zal kunnen vervullen.

5. De raad heeft zich verweerd. In het verweer voert de raad het volgende aan. De minderjarige is een kwetsbaar meisje dat een voorspelbare, duidelijke, veilige en gestructureerde opvoedingsondersteuning nodig heeft. De raad meent dat de moeder over onvoldoende vaardigheden beschikt om de minderjarige dat te bieden. De minderjarige heeft een hechtingsproces in het pleeggezin meegemaakt. Het gaat goed met haar bij de pleegouders. De raad acht het in het belang van de minderjarige dat zij zich bij de pleegouders volledig en harmonieus kan ontwikkelen. Er dient een zwaarwegend belang te worden toegekend aan de continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces van de minderjarige. Door de jaarlijks terugkerende verlengingen van de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing blijft de onzekerheid over het opvoedingsperspectief van de minderjarige voortduren, wat onrust en spanning met zich meebrengt voor de minderjarige. De raad wenst op te merken dat er vraagtekens kunnen worden gesteld bij de gestelde duurzame en onvoorwaardelijke bereidheid van de moeder om de minderjarige te laten verblijven/opgroeien bij de pleegouders.

6. Jeugdzorg heeft gesteld dat – kort samengevat – de rechtbank terecht de moeder heeft ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige.

7. De pleegouders hebben ter zitting verklaard dat het thans goed gaat met de minderjarige, maar dat zij spanningen ondervindt van de jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.

8. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de moeder zich in de onderhavige zaak verzet, ligt ter toetsing aan het hof voor de vraag of er gegronde vrees bestaat dat, na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden of na een uithuisplaatsing van meer dan één jaar en zes maanden, deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid van het kind weg te nemen.

9. Het hof verenigt zich, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof overweegt daartoe meer in het bijzonder als volgt. De minderjarige is sinds 21 augustus 2008 uit huis geplaatst en verblijft al meer dan drie jaren bij haar pleegouders (de grootouders moederszijde). Zij is gediagnosticeerd met een hechtingsstoornis en een licht verstandelijke beperking. De minderjarige heeft behoefte aan een voorspelbare omgeving met veel duidelijkheid en structuur. Gebleken is dat de pleegouders deze omgeving kunnen bieden aan de minderjarige. De minderjarige heeft aldaar een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt en is gehecht aan de pleegouders.

10. Hoewel de moeder zich liefdevol opstelt en betrokken is, is gebleken dat zij – ondanks diverse hulpverlening – nog steeds onmachtig en ongeschikt is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige, naast die van de zus van [minderjarige] ([de zus]) te vervullen, reden waarom reeds geruime tijd niet meer aan het uiteindelijke doel van de ondertoezichtstelling, te weten terugkeer van de minderjarige bij de moeder, kan worden gewerkt. De moeder stelt zich niet te zullen verzetten tegen het verblijf van de minderjarige in het pleeggezin. Anders dan de moeder meent staat deze omstandigheid, zo al juist, echter niet zonder meer in de weg aan gedwongen ontheffing.

11. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het belang van een voortgezette hechting van de minderjarige bij de pleegouders zwaarder is komen te wegen dan het belang van de moeder bij hereniging en daarmee bij voortduring van het ouderlijk gezag. Het is voor de minderjarige van belang dat er rust, stabiliteit en duidelijkheid komt omtrent haar situatie. De jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige zijn belastend voor de minderjarige en zorgen voor onrust. Dit blijkt uit de omstandigheid dat, zo hebben de pleegouders ter zitting verklaard, de minderjarige in de nacht voorafgaand aan de mondelinge behandeling van deze zaak niet heeft kunnen slapen door de stress die de behandeling van het hoger beroep met zich mee brengt. De recente problemen rond het paspoort en de vakantie van de minderjarige met haar pleegouders, maken eens te meer aannemelijk dat niet volstaan kan worden met de huidige maatregelen om de ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen.

12. Anders dan de moeder betoogt, kan artikel 8 van het EVRM naar het oordeel van het hof een gedwongen ontheffing niet in de weg staan. Dit artikel strekt er mede toe dat in zaken als onderhavige de belangen van ouders bij de continuering van het gezag over hun minderjarige kind(-eren) afgewogen dienen te worden tegen de belangen van het kind, welke zwaarder kunnen wegen dan de belangen van de ouders. Een ouder kan aan voornoemd artikel niet een recht ontlenen dat het belang van het kind bij een ongestoorde ontwikkeling schaadt.

13. Gelet op het vorenstaande is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat voldaan is aan de voorwaarden voor ontheffing. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking ten aanzien van de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige bekrachtigen.

Benoeming Jeugdzorg tot voogdes

14. De moeder stelt dat het niet in het belang van de minderjarige is dat Jeugdzorg tot voogdes over de minderjarige is benoemd, aangezien sinds de bestreden beslissing is uitgesproken het contact tussen de minderjarige en de moeder niet meer op de oude voet kan plaatsvinden, volgens de moeder enkel en alleen door toedoen van Jeugdzorg.

15. Het hof overweegt als volgt. Nu de moeder weliswaar stelt dat zij benoeming van Jeugdzorg tot voogdes niet in het belang van de minderjarige acht, maar daarin niet de conclusie verbindt dat een andere gezinsvoogdijinstelling dan wel een of meerdere natuurlijke personen tot voogd dienen te worden benoemd, zal het hof die stelling van de moeder passeren. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Jeugdzorg ter zitting heeft verklaard dat de begeleide contacten tussen de moeder en de minderjarige weer zullen worden opgestart. Die contacten hebben gedurende korte periode niet meer plaatsgevonden nadat er problemen waren ontstaan rondom het paspoort van de minderjarige.

16. Het hof beslist als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

draagt de griffier van het hof op van deze beslissing onverwijld mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te [arrondissement waar minderjarige is geboren].

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Kamminga en Van Meegen, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2011.