Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0501

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
200.084.740/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Terugbetaling van te veel betaalde alimentatie. Positie gemeente in verband met verhaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 5 oktober 2011

Zaaknummer : 200.084.740/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 09-705

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.J.A. van Es te Meppel,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C.J. de Wit te Vlissingen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 31 maart 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 januari 2011 van de rechtbank Middelburg.

De man heeft op 26 april 2011 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 15 april 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 20 mei 2011 een brief van 19 mei 2011 met bijlagen;

- op 12 augustus 2011 een brief van 11 augustus 2011 met bijlagen;

De zaak is op 25 augustus 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de verplichting van de man om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 9 november 2009 is beëindigd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud, hierna ook: de partneralimentatie, of: de alimentatie.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en,

primair: de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot (het hof leest:) beëindiging van de partneralimentatie, althans het verzoek af te wijzen;

subsidiair: alsnog een termijn vast te stellen gedurende welke de alimentatieverplichting blijft voortduren en tevens te bepalen of na verlenging van die vast te stellen termijn, verlenging al dan niet mogelijk is, en – voor zover noodzakelijk – haar verweerschrift in eerste aanleg te mogen aanvullen aldus dat indien het hof de bestreden beschikking bekrachtigt en het verzoek in eerste aanleg van de man derhalve ook in hoger beroep wordt toegewezen, de vrouw toe te staan de reeds aan haar betaalde onderhoudsbijdragen te mogen terugbetalen aan de man in achtereenvolgende maandelijkse termijnen, een en ander nader te bepalen door het hof.

3. De vrouw kan zich in haar eerste grief niet vinden in de overweging van de rechtbank dat in casu niet aan de hoge motiveringseisen moet worden voldaan omdat de beëindiging van de uitkering voor de uitkeringsgerechtigde geen of slechts een relatief onbetekende terugval tengevolge heeft. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en geoordeeld dat de vrouw hoe dan ook, of zij nu alimentatie van de man en een aanvullende bijstandsuitkering ontvangt of alleen een bijstandsuitkering, maandelijks een inkomen van € 906,55 zou hebben. Verder betoogt zij dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd haar verzoek heeft afgewezen om alsnog een termijn vast te stellen voor voortduring van de alimentatieverplichting en te bepalen of na verlenging van die termijn verlenging al dan niet mogelijk is. Zij stelt dat zij, in tegenstelling tot wat de rechtbank overweegt, nog steeds kans heeft op een betaalde baan waardoor zij in de toekomst niet meer afhankelijk behoeft te zijn van een bijstandsuitkering. Volgens de vrouw had de rechtbank daarom een termijn behoren vast te stellen gedurende welke de partneralimentatie zou blijven voortduren. In haar derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat beëindiging van de alimentatie niet van zodanige aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

4. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het primaire beroep van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking aan te vullen in de door de vrouw verzochte zin, namelijk dat de vrouw de reeds aan haar betaalde onderhoudsbijdragen mag terugbetalen aan de man in achtereenvolgende maandelijkse termijnen, een en ander nader te bepalen door het hof.

5. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld en beslist dat de beëindiging van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie niet van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt ten aanzien van de kans voor de vrouw op betaald werk dat, gelet op de medische beperkingen van de vrouw, haar leeftijd, woonplaats, het feit dat zij thans door de gemeente [naam gemeente] is vrijgesteld van de sollicitatieplicht en in het bijzonder ook gezien de eigen verklaring van de vrouw ter terechtzitting bij het hof dat zij zelf ook niet meer verwacht dat zij op (korte) termijn in staat zal zijn om eigen inkomsten te verwerven, aan de stellingen van de vrouw daaromtrent voorbij dient te worden gegaan. In zoverre falen de grieven.

6. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7. Uit de stukken is gebleken dat de man aanspraak heeft op terugbetaling van het aan de vrouw te veel betaalde bedrag aan partneralimentatie van € 10.429,25. Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om – kort gezegd – indien het hof de bestreden beschikking bekrachtigt, haar toe te staan dit bedrag in nader door het hof te bepalen maandelijkse termijnen terug te betalen aan de man, met welk verzoek de man heeft ingestemd, overweegt het hof als volgt.

8. Het hof gaat er van uit dat in het geval de gemeente [naam gemeente], naar aanleiding van het door de vrouw bij de gemeente [naam gemeente] ingediende bezwaarschrift omtrent haar bijstandsuitkering, alsnog een volledige bijstandsuitkering toekent aan de vrouw in de periode vanaf 9 november 2009 en de gemeente [naam gemeente] het totale bedrag over die periode in een keer betaalt aan de vrouw, de vrouw het bedrag van € 10.429,25 eveneens in een keer terugbetaalt aan de man.

9. Voor de situatie dat de gemeente [naam gemeente] echter niet overgaat tot het alsnog toekennen van een volledige bijstandsuitkering aan de vrouw vanaf 9 november 2009, zal het hof, zoals door partijen verzocht, bepalen dat de vrouw het bedrag van € 10.429,25 in maandelijkse termijnen aan de man terug kan betalen, waarbij het hof het termijnbedrag in redelijkheid vaststelt op € 50,- per maand.

10. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt in aanvulling daarop dat enkel en alleen in het geval de gemeente [naam gemeente] niet overgaat tot toekenning van een volledige bijstandsuitkering aan de vrouw vanaf 9 november 2009 ten bedrage van € 10.429,25, de vrouw het door haar aan de man uit hoofde van teveel betaalde partneralimentatie verschuldigde bedrag van € 10.429,25 in maandelijkse termijnen van € 50,- aan de man dient terug te betalen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Kamminga en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2011.