Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0499

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
200.091.694/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van gezag. Perspectief drie minderjarigen. Noodzaak nu duidelijkheid te scheppen. Vader niet aangemerkt als belanghebbende van een van de kinderen en diens advocaat niet toegelaten ter zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Uitspraak : 2 november 2011

Zaaknummer. : 200.091.694/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 11-256

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.W.M. Jansen te Rotterdam.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

2. [de pleegvader 1],

hierna te noemen: de pleegvader [1], en

[de pleegvader 2],

hierna te noemen: de pleegvader [2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2],

3. [de pleegouders 3],

wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 3].

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De raad is op 2 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 mei 2011 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 8 september 2011 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 28 september 2011 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- mevrouw [X], namens de raad;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw J.A.M. Sousa Martins-Bierhoff (tolk in de Portugese taal);

- [de gezinsvoogd] (gezinsvoogd) en mevrouw [Y], namens Jeugdzorg;

- de pleegvader [2];

- de pleegouders van [de minderjarige 3].

Voorts zijn ter ondersteuning van de pleegouders de pleegzorgbegeleiders, mevrouw [V] en mevrouw [W], ter zitting aanwezig geweest.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Mr. M.R. Roethof heeft het hof per faxbericht van 21 september medegedeeld dat hij zich stelt ten behoeve van de [de vader van de minderjarige 3], de vader van de na te noemen minderjarige [de minderjarige 3]. Het hof heeft [de vader van de minderjarige 3] niet als belanghebbende in de onderhavige zaak aangemerkt en op voet daarvan mr. Roethof niet als advocaat in deze procedure toegang verleend.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de raad tot ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over de hierna te noemen minderjarigen afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat het volgende vast:

- uit de moeder zijn geboren:

1. [in 2003] te [geboorteplaats]: [de minderjarige 1] (hierna ook: [de minderjarige 1]),

2. [in 2005] te [geboorteplaats]: [de minderjarige 2] (hierna ook: [de minderjarige 2]), en

3. [in 2008] te [geboorteplaats]: [de minderjarige 3] (hierna ook: [de minderjarige 3]);

hierna gezamenlijk ook: de minderjarigen;

- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn sinds 12 oktober 2007 uit huis geplaatst en verblijven sinds 21 juni 2008 bij hun pleegouders;

- [de minderjarige 3] is op 23 mei 2008 uit huis geplaatst en verblijft sinds 28 mei 2008 bij zijn pleegouders.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen.

2. De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder alsnog te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarigen en Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te benoemen tot voogdes over de minderjarigen.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De raad stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen heeft afgewezen. Hij voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan. De moeder is, ondanks haar goede intenties, onmachtig om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen. De serieuze pogingen die Jeugdzorg heeft gedaan om een terugplaatsing van de minderjarigen bij de moeder te realiseren, hebben niet geleid tot het gewenste resultaat. De minderjarigen hebben geen draagkracht voor (het proces van) terugplaatsing en de moeder beschikt niet over voldoende kwaliteiten om een terugplaatsing van de minderjarigen te realiseren. Daarnaast is het in het belang van de minderjarigen dat de huidige opvoedingssituatie van de minderjarigen wordt gecontinueerd en bevestigd, nu zij vanaf zeer jeugdige leeftijd en geruime tijd bij hun pleegouders verblijven. De jaarlijkse verlengingen brengen voor alle partijen zoveel spanningen met zich mee dat de stabiliteit in de leefsituatie van de minderjarigen niet gewaarborgd is.

5. De moeder heeft zich verweerd en gesteld dat haar situatie inmiddels sterk is verbeterd. Zo voedt zij thans haar dochter, [de dochter], van vijftien, zelfstandig op. De moeder aanvaardt de plaatsing van de minderjarigen bij hun pleegouders. Zij meent wel dat Jeugdzorg en Flexus belangrijke kansen niet hebben benut en dat er fouten zijn gemaakt bij de mislukte terugkeertrajecten van de minderjarigen. De moeder heeft alles gedaan wat in haar macht lag voor en in het belang van de minderjarigen. Zij werkt mee met en aan de hulpverlening. De jaarlijkse verlengingen brengen geen spanningen met zich mee voor de minderjarigen, aldus de moeder. De moeder wenst goede contacten met de minderjarigen en in feitelijke zin een reële invulling van haar positie als moeder door belast te blijven met het ouderlijk gezag.

6. Jeugdzorg heeft ter zitting het standpunt van de raad onderschreven. Ter aanvulling heeft Jeugdzorg gesteld dat de moeder zich ambivalent opstelt ten opzichte van de plaatsing van de minderjarigen bij hun pleegouders. De moeder kan niet aansluiten bij de belevingswereld van de minderjarigen.

7. De pleegouders van de minderjarigen hebben ter zitting verklaard dat zij de minderjarigen, met inachtneming van hun mogelijkheden en leeftijd, op de hoogte brengen van hun culturele achtergrond.

8. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de moeder zich in de onderhavige zaak verzet, ligt ter toetsing aan het hof voor de vraag of er gegronde vrees bestaat dat, na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden of na een uithuisplaatsing van meer dan één jaar en zes maanden, deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid van het kind weg te nemen.

9. Het hof overweegt als volgt. In 2007 is een machtiging verleend de minderjarigen uit huis te plaatsen, aangezien de moeder niet in staat was om de zorg te dragen voor een veilig, gestructureerd en pedagogisch opvoedingsklimaat, ten gevolge van illegaliteit, dreiging tot uitzetting van de moeder, gebrek aan inkomsten en huiselijk geweld van de vader van [de minderjarige 3], waar de kinderen getuige van waren. In 2008 is er een spannende tijd geweest voor de minderjarigen omdat onduidelijk was of zij met de moeder het land uitgezet zouden worden. Uiteindelijk konden zij in Nederland blijven.

10. De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben, mede gelet op het vorenstaande, een belaste voorgeschiedenis. Zij zijn zeer beschadigd en behoeven een meer dan gemiddelde verzorging en opvoeding. Daarom verblijven zij sinds 2008 in een therapeutisch pleeggezin. In 2009/2010 is er door Jeugdzorg getracht om [de minderjarige 3] terug te laten keren bij de moeder. In dit traject is gebleken dat de moeder niet beschikte over de eigenschappen die nodig zijn voor het op terugkeer gerichte proces. Vervolgens is door Jeugdzorg het beleid dat in eerste instantie ook gericht was op terugkeer van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder gewijzigd. De minderjarigen hebben veel last gehad van de onduidelijkheid over hun perspectief en de daarmee gepaard gaande onzekerheid over de vraag of zij bij hun pleegouders zouden blijven wonen. Gedurende de omgangscontacten tussen de moeder en de minderjarigen blijkt verder dat de moeder niet voldoende in staat is om in te spelen op de behoeftes van de minderjarigen.

11. Uit het vorenstaande volgt dat de moeder onmachtig is geweest in haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen en dit gedurende een lange periode, als gevolg waarvan ieder perspectief op terugkeer van de minderjarigen naar de moeder is komen te ontbreken. De omstandigheid dat de moeder thans in staat is [de dochter], haar dochter van vijftien, op te voeden, maakt dit niet anders. De minderjarigen zijn vanaf hun geboorte dan wel vanaf zeer jonge leeftijd geplaatst bij hun pleegouders en verblijven daar gedurende drie jaren. [de dochter] is vanaf haar geboorte opgevoed bij haar moeder en is voor een veel kortere periode uit huis geplaatst geweest. Daar komt bij dat bij [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] sprake is van gedragsproblematiek, zodat de situatie van de minderjarigen niet vergelijkbaar is met die van [de dochter].

12. Het hof is van oordeel dat de huidige situatie, waarbij de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing jaarlijks moeten worden verlengd, veel onzekerheid en onrust met zich meebrengen voor de minderjarigen. Dat de moeder stelt dat zij niet degene is die de minderjarigen niet belast, maakt dit niet anders. Jeugdzorg is daarbij van mening dat de moeder, zonder dat zij zich daarvan bewust is, de kinderen niettemin belast. Het hof acht het, mede gezien de onzekerheid over de terugplaatsing in de afgelopen jaren, in het belang van de minderjarigen dat voor hen duidelijk is dat zij niet bij de moeder zullen terugkeren maar dat zij bij hun huidige pleegouders blijven wonen en zich aldaar verder zullen kunnen ontwikkelen. Zij zijn gehecht aan hun pleegouders en zij ontwikkelen zich aldaar thans goed. Het hof is van oordeel dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1: 254 BW af te wenden. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve vernietigen en de moeder ontheffen van het gezag over de minderjarigen.

13. Het hof ziet, anders dan de moeder, geen aanleiding een onderzoek in te stellen naar de mogelijke gedragsproblemen van [de minderjarige 2], nu – zo heeft Jeugdzorg ter zitting verklaard – de minderjarigen in 2012 nader zullen worden onderzocht. In het kader van de ontheffing behoeft de uitslag van dit onderzoek niet te worden afgewacht, nu de uitkomsten van dit onderzoek niet van belang zijn voor de beslissing in deze zaak.

14. Nu Jeugdzorg zich bereid heeft verklaard de voogdij over de minderjarigen op zich te nemen en het verzoek van de raad tot benoeming van Jeugdzorg tot voogdes niet is bestreden, zal het hof dit verzoek toewijzen.

15. Het hof beslist daarom als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

ontheft de moeder van het gezag over de minderjarigen:

- [de minderjarige 1], geboren [in 2003] te [geboorteplaats];

- [de minderjarige 2], geboren [in 2005] te [geboorteplaats];

- [de minderjarige 3], geboren [in 2008] te [geboorteplaats];

benoemt Jeugdzorg tot voogdes over de minderjarigen [de minderjarige 1], geboren [in 2003] te [geboorteplaats], de minderjarige 2], geboren [in 2005] te [geboorteplaats] en [de minderjarige 3], geboren [in 2008] te [geboorteplaats];

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank [van de geboorteplaats van de minderjarigen];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van den Wildenberg en Van Leuven, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2011.