Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0345

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
BK-11/00185
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges voor een principeverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1244 met annotatie van van denBergMRE
FutD 2012-0097
V-N Vandaag 2012/86
Belastingblad 2012/115

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-11/00185

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 30 november 2011

in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zwijndrecht, hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 11 maart 2011, nummer AWB 09/1189, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1. 1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 26 juni 2009 een aanslag opgelegd voor het betalen van leges ten bedrage van € 8.458,35 in verband met het principeverzoek [xxxxxxx] inzake [a-straat 1] te [Z].

1.2. Bij brief van 22 juli 2009 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze aanslag.

1.3. Bij besluit van 3 augustus 2009 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband hiermee is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 454. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

19 oktober 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3.1. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen luiden als volgt

3.1.1. Ingevolge artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

3.1.2. De gemeenteraad van Zwijndrecht heeft de Verordening leges Zwijndrecht 2008 (hierna: de Legesverordening) alsmede het Tarieventabel 2008 behorende bij de Legesverordening Zwijndrecht 2008 bij raadsbesluit van 18 december 2007 vastgesteld.

De verordening is in werking getreden acht dagen na die van de bekendmaking. De bekendmaking is gedateerd 24 december 2007. De Legesverordening is na publicatie per

1 januari 2008 in werking getreden.

3.2. Voor zover hier van belang luidt de in de gemeente Zwijndrecht voor het onderhavige jaar geldende legesverordening als volgt:

Artikel 1 belastbaar feit

Onder de naam “leges” worden rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur vanwege verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en in de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 2 Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.

Artikel 3 Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

In de bij de Legesverordening behorende tarieventabel is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

Hoofdstuk 5

Artikel 5.1. Bouwkosten

Onder bouwkosten in dit hoofdstuk worden verstaan de aannemingssom (exclusief omzetbelasting), als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting), als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.

Voor de berekening van de leges worden de in 5.2.2, 5.2.3, 5.5.1 en 5.5.2 bedoelde bouwkosten voor de berekening van de verschuldigde leges naar boven afgerond op een veelvoud van € 500,-.

Artikel 5.2 Bouwvergunningen

Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van:

Artikel 5.2.1. een verzoek tot beoordeling van een schetsplan/ principeverzoek 50% van het berekende bedrag als genoemd onder 5.2.2, onderscheidenlijk 5.2.3 of of 5.2.4. met een minimum van € 149,-. Indien een aanvraag voor een bouwvergunning voor hetzelfde bouwplan als waarvoor een schetsplan is ingediend, in behandeling wordt genomen, worden de daarvoor geheven leges met deze leges verrekend, onder aftrek van 10% met een minimum van € 149,- van de in rekening gebrachte kosten.

(…)

Artikel 5.2.3. een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Woningwet, indien de bouwkosten een bedrag belopen van:

(…)

Artikel 5.2.3.3. meer dan € 450.000,- € 9.801,20 vermeerderd met 1,33% voor elke € 500,00 boven € 450.000,-.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbende heeft op 30 september 2008 een verzoek ingediend betreffende het bouwen van een bedrijfsverzamelgebouw aan de [a-straat 1] te [Z] op een haar daartoe van gemeentewege toegezonden formulier met de kop “Principeverzoek”.

4.2. Belanghebbende heeft het haar toegezonden formulier ingevuld samen met de architect die het ontwerp van het bedrijfsverzamelgebouw heeft gemaakt.

4.3. Bij brief van 17 december 2008, op dezelfde datum verzonden, is de uitkomst omtrent het ingediende verzoek aan belanghebbende meegedeeld. Daarbij is tevens meegedeeld dat voor de behandeling van het verzoek een bedrag van € 8.458,35 ter zake van leges is verschuldigd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of terecht en tot het juiste bedrag leges is geheven. Het antwoord van belanghebbende luidt in ontkennende en dat van de Inspecteur in bevestigende zin.

5.2. Belanghebbende kan zich met de bestreden aanslag niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat zij de tekeningen van het plan om de locatie [a-straat 1] te [Z] te ontwikkelen naar de gemeente heeft gezonden om door de gemeente te laten beoordelen of dit plan zou passen binnen het bestemmingsplan. Zij stelt voor ogen te hebben gehad om, in verband met de op het perceel rustende kettingbedingen waardoor het niet zonder toestemming van de gemeente Zwijndrecht mag worden overgedragen of verkocht, de gemeente eerst naar de tekeningen te laten kijken alvorens hoge kosten te maken. Zij voert aan eerst telefonisch contact met de gemeente te hebben opgenomen om te vragen welke weg het beste bewandeld kon worden om hierover uitsluitsel te krijgen. Bij dat contact heeft zij aangegeven geen hoge kosten te willen maken. Voorts stelt belanghebbende dat door de gemeente nimmer is meegedeeld dat er leges betaald zouden moeten worden. Daarnaast stelt zij pas ruim een half jaar na de reactie van de Inspecteur op het principeverzoek de nota te hebben ontvangen. De kosten verbonden aan de werkzaamheden van de gemeente kunnen volgens haar niet hoger zijn geweest dan € 1000,-.

5.3. De Inspecteur stelt dat het verzoek van belanghebbende van 30 september 2008 niet kan worden gezien als een aanvraag om een bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet, maar dient te worden aangemerkt als een principeverzoek. Een principeverzoek is een aanvraag tot de beoordeling van een schetsplan of ontwerpplan met betrekking tot de vraag of op een, op basis van genoemd schetsplan of ontwerpplan uitgewerkt bouwplan, een bouwvergunning of ontheffing zou kunnen worden verleend. Een principeverzoek geeft een indicatie over de haalbaarheid van een initiatief of voornemen zonder dat er hoge onderzoeks- en plankosten worden gemaakt. Volgens de Inspecteur zijn er ter zake van zo’n verzoek leges verschuldigd, ongeacht de uitkomst van het onderzoek. De behandeling van het verzoek van belanghebbende kan worden aangemerkt als een door de gemeente geleverde dienst. De voor een principeverzoek betaalde leges worden later in mindering gebracht op de leges voor de definitieve bouwaanvraag, indien die niet te veel afwijkt van het oorspronkelijke verzoek.

5.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de aanslag leges en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een bedrag van € 1.000.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft betreffende het geschil het volgende overwogen. Daarbij is belanghebbende omschreven als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“2.4.1. Blijkens de gedingstukken heeft eiseres een principeverzoek ingediend met betrekking tot een bedrijfsverzamelgebouw aan de [a-straat 1] te [Z]. Gelet op de inhoud en de strekking van het verzoek is dit aan te merken als een principeaanvraag voor het uiteindelijk verkrijgen van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 5.2.1. van de Legesverordening.

Op grond van artikel 229, eerste lid, onder b van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Kennelijk is het begrip ‘dienst’ in artikel 2 van de Legesverordening in dezelfde zin gebruikt als in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet.

Het begrip ‘dienst’ is door de Hoge Raad uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Volgens de Hoge Raad kunnen door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden slechts als een dienst worden aangemerkt, indien het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.

Op grond van het vorenstaande kan het in behandeling nemen van een principeverzoek naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een dienst.

2.4.2. Op grond van artikel 5.2.1 van de Legesverordening bedraagt het tarief bij een principeverzoek 50% van het 5.2.3. genoemde bedrag. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres onder punt 5 van deze aanvraag als bouwkosten een bedrag van € 985.000,- heeft gesteld en dat verweerder derhalve de juiste toetsingsmaatstaf heeft genomen.

In de uitspraak van 14 augustus 2009 (LJN: BI1943) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gerechtshof Arnhem in haar uitspraak terecht voorop heeft gesteld dat het bij de toetsing aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet niet gaat om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de Legesverordening opgenomen diensten, en dat, gegeven de vrijheid die de wetgever aan de gemeentebesturen heeft willen toekennen bij het kiezen van heffingsmaatstaven en het bepalen van de aan die maatstaven gekoppelde tarieven, een geraamde winst (van in dat geval 2,21 procent) op de leges welke voor bouwvergunningen worden geheven, op zich zelf bezien geoorloofd is. De Hoge Raad oordeelt dat deze vooropstellingen met zich brengen dat onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten niet in strijd zijn met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel en dat een motivering van die verschillen niet is vereist.

Gelet op deze jurisprudentie treft de beroepsgrond van eiseres omtrent de hoogte van de leges geen doel.

2.4.3. Uit haar stelling van tevoren telefonisch aan iemand van de gemeente te kennen te hebben gegeven geen hoge kosten te willen maken voor haar principeverzoek volgt, dat eiseres zich ervan bewust was dat er kosten verbonden zijn aan de behandeling van een dergelijk verzoek. Reeds gelet daarop had het op de weg van eiseres gelegen te informeren naar de precieze hoogte van die kosten. Dit spreekt temeer nu de term “hoge kosten” niet ondubbelzinnig is en de kosten verbonden aan de behandeling van een principeverzoek in die zin niet hoog zijn, dat deze ingevolge artikel 5.2.1 van de Legesverordening zijn gesteld op 50% van de leges voor de behandeling van de definitieve aanvraag bouwvergunning voor het betrokken bouwplan (met verrekening bij indiening van die definitieve aanvraag bouwvergunning). Dat oordeel wordt niet anders door eisers stelling, wat daar overigens ook van zij, dat van gemeentewege niet aan haar is medegedeeld dat er legeskosten betaald zouden moeten worden. Gelet daarop faalt ook het kennelijke beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel.

2.4.4. Het beroep is derhalve ongegrond.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven en maakt haar oordeel tot het zijne met overneming van de daartoe gebezigde gronden. In aanvulling daarop overweegt het Hof nog het volgende.

7.2.1. Belanghebbende is een professionele speler op de markt van de onroerende zaken en mag uit dien hoofde bekend worden verondersteld met het feit dat dienstverlening van de zijde van de gemeente in beginsel tot het in rekening brengen van aan die zijde gemaakte kosten leidt. Het ligt derhalve op de weg van belanghebbende om, alvorens zij zich met een verzoek richt tot de gemeente, zich te vergewissen of en zo ja tot welk bedrag aan de door de gemeente te verrichten dienst kosten zijn verbonden.

Belanghebbende heeft zich bij monde van haar directeur/enig aandeelhouder tijdens de mondelinge behandeling ook in overeenstemming met het vorenstaande uitgelaten, in de zin dat het begrijpelijk is dat de gemeente niet kosteloos werkt.

7.2.2. De ter zake van dienstverlening door de gemeente te belopen kosten kunnen door een ieder worden ontleend aan de gepubliceerde heffingsverordening waarin is omschreven ter zake van welke diensten en tot welke bedragen leges in rekening worden gebracht.

7.2.3. Wat belanghebbende ook voor ogen mag hebben gestaan bij het, voorafgaande aan de indiening van het verzoek, met een gemeentefunctionaris gevoerde telefoongesprek, feit is dat zij een formulier bij de gemeente heeft ingediend met als aanhef principeverzoek en als inhoud een aanduiding van het te realiseren bouwwerk en de kosten daarvan. Zodanig verzoek kan niet anders worden verstaan dan als een principeverzoek in de zin van artikel 5.2.1 van de Tarieventabel 2008 behorende bij de Verordening.

7.2.4. Voorts is het Hof niet gebleken – belanghebbende heeft dat ook niet gesteld – dat het in rekening gebrachte bedrag niet in overeenstemming is met de Verordening.

7.3. Het Hof is derhalve van oordeel dat het primaire beroep van belanghebbende waaronder mede begrepen een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, niet slaagt.

7.4. Belanghebbende heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de met de dienstverlening gemoeide kosten een geraamd bedrag van € 1.000 niet te boven gaan en dat het meerdere ten onrechte in rekening is gebracht. Het Hof verwerpt deze stelling en verwijst daartoe naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van de rechtbank onder 2.4.2 en het aldaar aangehaalde arrest van de Hoge Raad.

7.5. Bijgevolg dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 30 november 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.