Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU9232

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
BK-10/00596
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Park-line parkeren. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij onverwijld de handelingen heeft verricht noodzakelijk om de door haar verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/16
Belastingblad 2012/91
V-N 2012/15.32 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00596

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 7 december 2011

in het geding tussen:

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, hierna: de Inspecteur,

[...]

en

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juli 2010, AWB 10/757 PARKBL, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 6 januari 2010 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd tot een bedrag van € 52,50.

1.2. Op het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak afwijzend beschikt.

1.3. Op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar heeft de rechtbank het beroep tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

26 oktober 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 16 september 2011 aan belanghebbende op het adres [a-straat 1], [0000 XX] te [Z], onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Op 13 oktober 2011 is de enveloppe waarin de vorenbedoelde brief is verzonden, ongeopend ter griffie terugontvangen. Uit de - kennelijk door medewerkers van PostNL - geplaatste aantekeningen op die enveloppe, die door de griffier in het dossier is gevoegd, leidt het Hof af dat de besteller van PostNL op

19 september 2011 geen gehoor heeft gekregen op het eerderbedoelde adres, dat hij toen aldaar een kennisgeving van aanbieding heeft achtergelaten met de mededeling dat de brief op het - kennelijk in die mededeling genoemde - postkantoor kon worden afgehaald, dat de brief niet op dat postkantoor is afgehaald, en dat PostNL de enveloppe tenslotte op

11 oktober 2011 heeft geretourneerd aan de afzender, te weten de griffier.

Blijkens door de griffier van de gemeente ontvangen inlichtingen staat belanghebbende sinds 27 april 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het eerderbedoelde adres. Vervolgens heeft de griffier de brief bij gewone post op 13 oktober 2011 aan belanghebbende verzonden op dat adres.

Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. De Inspecteur heeft, als aanvulling op het ter zitting verhandelde, het Besluit tot het stellen van voorschriften voor het in werking stellen van parkeerapparatuur 2008 ingezonden, alsmede informatie over de publicatie van dat besluit. Het Hof rekent deze stukken tot de gedingstukken en heeft, gelet op de inhoud ervan, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

3. Tussen partijen staan de volgende feiten, als door een gesteld en op zichzelf aannemelijk, de volgende feiten vast:

3.1. Op 6 januari 2010 om 9: 51 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [XX-XX-XX] geparkeerd op een parkeerplaats aan de [b-straat] te Den Haag. De desbetreffende locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar op dat tijdstip uitsluitend tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

3.2. In de gemeente Den Haag bestaat de mogelijkheid om parkeerbelasting te voldoen via het systeem van gsm-parkeren. Belanghebbende maakt voor gsm-parkeren gebruik van de diensten van het bedrijf Park-line B.V. (hierna Park-line).

3.3. Tijdens een controle op voormelde plaats, datum en tijdstip heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van belanghebbende zonder parkeerkaartje of –vergunning stond geparkeerd. De parkeercontroleur heeft voorts geconstateerd dat in de auto een transponderkaart aanwezig was, maar heeft bij Park-line geen aangemelde parkeermutatie vastgesteld. Naar aanleiding hiervan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 52,50 , bestaande uit € 1,50 aan nageheven belasting en € 51 aan kosten van naheffing.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij voor eiseres moet worden gelezen belanghebbende en voor verweerder de Inspecteur.

“3.7 De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van eiseres over de feitelijke toedracht helder, gedetailleerd, beargumenteerd, consistent en daarom geloofwaardig zijn te achten.

Er is geen reden de uiteenzetting van eiseres in twijfel te trekken, dat zij bij het inbellen van de parkeeractie de vereiste voortvarendheid heeft betracht door direct na het uitstappen en het binnengaan van de naastgelegen winkel daarmee te beginnen. De stelling van eiseres dat voor het inbellen (indien dat in één keer lukt) ten minste anderhalf à twee minuten moet worden gerekend, noch de door haar gegeven opsomming en beschrijving van stappen in het telefoonmenu om een parkeertransactie met succes in te voeren, heeft ter zitting betwisting gevonden. Evenmin haar verklaring dat daar in het onderhavige geval meer handelingen voor nodig waren, die maakten dat het inbellen iets langer duurde. Aan het door verweerder gebruikte (door eiseres gemotiveerd weersproken) argument dat voor de controleurs niet waarneembaar was dat eiseres stond in te bellen, moet worden voorbijgegaan, nu dit argument – onder omstandigheden zoals eiseres die aannemelijk heeft gemaakt - tot effect zou hebben dat daarmee de facto de gelegenheid wordt onthouden om de parkeeractie zo spoedig mogelijk en binnen de daarvoor benodigde tijd uit te voeren. Voor het opleggen, respectievelijk handhaven van de naheffingsaanslag bestond derhalve geen grond.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd. De Inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend en belanghebbende ontkennend.

5.2. De Inspecteur stelt zich daarbij op de volgende standpunten:

5.2.1. Door haar auto te parkeren en zich vervolgens vanuit een winkel bij Park-line B.V. aan te melden, heeft belanghebbende bewust het risico aanvaard dat bij controle van haar auto zou worden vastgesteld dat de verschuldigde belasting niet was voldaan.

Ook bij het voldoen van parkeerbelasting via telefonische aanmelding geldt dat onverwijld uitvoeringshandelingen moeten worden verricht om de belasting te voldoen. Het binnengaan van een winkel om daar het belparkeren in werking te stellen kan niet worden aangemerkt als een uitvoeringshandeling waaruit blijkt dat een aanvang wordt gemaakt met het in werking stellen van een voor het betalen van parkeerbelasting ingerichte mobiele telefoon. Dat verklaart waarom de betreffende parkeercontroleur geen uitvoeringshandeling heeft vastgesteld.

5.3. Belanghebbende stelt zich op de volgende standpunten:

5.3.1. Om het belparkeren te kunnen aanvangen moet de nummercode van het betreffende gebied op het bord bij de parkeermeter worden gelezen teneinde vervolgens te worden ingetoetst op de gsm. Daartoe moet men de auto verlaten en naar de parkeermeter gaan. Zij stond geparkeerd bij het bord, is uitgestapt, heeft de nummercode op het bord gelezen, is achter het raam van een vlak bij gelegen drogisterij gaan staan op luttele meters afstand van het bord en heeft daar de voor de voldoening nodige intoetshandelingen verricht. Zij ging in de drogisterij staan omdat het buiten bitter koud was, wel -6 graden Celsius. De door haar verrichte handelingen hebben niet meer tijd gevergd dan voor belparkeren gebruikelijk is.

De parkeercontroleur die ter plekke aan het werk was heeft zij aangesproken. Hij kon niet zien dat zij was aangemeld. Zij heeft daarom ingebeld bij Park-line ter afmelding om daarmee aan te tonen dat zij zich eerder had aangemeld. Bij het afmelden krijgt men van Park-line namelijk een bevestigingsboodschap voor het afmelden; als niet is aangemeld krijgt men bij het inbellen een welkomstboodschap voor aanmelding.

Conclusies van partijen

6.1. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

6.2. Belanghebbende concludeert tot het ongegrond verklaren van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. In de onderhavige zaak gaat het in de kern om het antwoord op de vraag of belanghebbende door te handelen zoals zij deed onverwijld de betaling van de door haar verschuldigde parkeerbelasting heeft uitgevoerd.

7.2. De Inspecteur acht voor het antwoord op die vraag kennelijk van belang of de betaling op voor de controlerende ambtenaren waarneembare wijze geschiedt. Die waarneembaarheid is echter zonder belang. Als belanghebbende bij een parkeermeter om de hoek, onzichtbaar voor de controlerende ambtenaar, parkeerbelasting voldoet is dat op zichzelf geen reden om de belasting niet betaald te achten en een naheffingsaanslag op te leggen.

7.3. De Inspecteur heeft voorts gesteld dat het verblijf van belanghebbende in een winkel (drogisterij) verhindert dat sprake kan zijn van voor betaling van de belasting nodige uitvoeringshandelingen.

7.4. Indien een winkel wordt betreden om daar een transactie te verrichten, al zou het gaan om het wisselen van geld teneinde een muntmeter in werking te kunnen stellen, wordt het geheel van handelingen nodig voor het betalen van de verschuldigde belasting onderbroken. Indien echter de winkel alleen wordt betreden om daar de vereiste uitvoeringshandelingen beschut tegen de elementen te kunnen verrichten, is daarvan geen sprake. Daarbij heeft wel te gelden dat het betreden van de winkel niet zo veel tijd mag vergen dat, onder de omstandigheden van het geval, niet meer kan worden gesproken van het onverwijld voldoen van de verschuldigde belasting.

7.5. Het Hof leidt uit de gedingstukken af dat belanghebbende de drogisterij betrad om daar een transactie te verrichten (bezwaarschrift van belanghebbende met de faxdatering 29 januari 2010: “Daarna moest ik wat ophalen bij de drogisterij in de [b-straat]”. Dat laat onverlet de mogelijkheid dat belanghebbende na het betreden van de drogisterij onmiddellijk de in het kader van de belastingvoldoening te verrichten intoetshandelingen heeft uitgevoerd. Belanghebbende heeft dat ook gesteld.

7.6. Blijkens de naheffingsaanslag parkeerbelasting is deze opgelegd op 6 januari 2010 om 09.51 uur. Uit het door de Inspecteur overgelegde “Overzicht parkeeracties van 01-01-2010 00:00 t/m 17-01-2010 23:59” blijkt dat belanghebbende een geslaagde aanmelding deed op

6 januari 2010 om 9:53:42 in de [b-straat]. Het parkeren duurde 1 minuut waarna afmelding plaatsvond en het betaalde parkeren werd beëindigd. Van andere aanmeldingen blijkt niet uit voormeld overzicht en het Hof acht die ook niet aannemelijk.

7.7. De Inspecteur heeft geloofwaardig gesteld dat de voor het gsm-parkeren noodzakelijke voldoeninghandelingen ongeveer 30 seconden vergen. Tevens heeft de Inspecteur geloofwaardig gesteld dat een parkeercontroleur ongeveer 4 minuten bezig is met het constateren dat de verschuldigde belasting niet is voldaan en het zich er van vergewissen dat de parkeerder niet met voldoeninghandelingen bezig is. Dat betekent in samenhang met hetgeen is overwogen onder 7.6. dat er een tijdspanne van 6 minuten en 42 seconden minimaal is verstreken alvorens belanghebbende een geslaagde melding bij Park-line deed en daarmee de voor het ter plaatse parkeren verschuldigde belasting voldeed. Uit een en ander volgt naar ’s Hofs oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onverwijld de handelingen heeft verricht noodzakelijk om de door haar verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.

7.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep gegrond is en beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- bevestigt de uitspraak op het bezwaar.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, Th. Groeneveld en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 7 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.