Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU9049

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
200.087.501-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. Penibele financiële omstandigheden onvoldoende om te kunnen spreken van noodtoestand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.087.501/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 357820 / HAZA 10-337

Arrest van 22 november 2011

inzake

[appellant]

wonende te Noordwijkerhout,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.J. Dekker te Lisse,

tegen

[geïntimeerde sub 1]

wonende te Waalre, en

[geïntimeerde sub 2]

wonende te Son, gemeente Son en Breugel,

geïntimeerden,

hierna te zamen te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.

Het geding

Bij exploot van 27 april 2011, hersteld bij exploot van 13 mei 2011, is [appellant] in hoger beroep gekomen van het op 23 februari 2011 tussen partijen door de rechtbank 's-Gravenhage gewezen vonnis. Alvorens van grieven te dienen heeft [appellant] een incidentele memorie, houdende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, althans tot het daaraan verbinden van de voorwaarde van zekerheidstelling, genomen. [geïntimeerden] hebben daartegen bij incidentele memorie van antwoord verweer gevoerd. Daarna hebben partijen nog schriftelijk gepleit. Tot slot hebben zij procesdossiers overgelegd en in het incident arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis [appellant] veroordeeld om, uit hoofde van een door partijen aangegane koopovereenkomst betreffende onder meer vijftien nog te bouwen villa's op het eiland Bali, aan [geïntimeerden] een bedrag van € 200.000,- met de wettelijke handelsrente te voldoen, met veroordeling van [appellant] in de gedingkosten.

2 In het incident vordert [appellant] dat het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis schorst althans aan de tenuitvoerlegging bij voorraad de voorwaarde verbindt dat zekerheid wordt gesteld.

Hieraan heeft [appellant] ten grondslag gelegd, dat hij – kort gezegd – thans geen liquide middelen heeft maar die op termijn, na een wijziging van het bestemmingsplan dat onder meer op zijn woonperceel ziet, wel verwacht te krijgen.

[geïntimeerden] hebben zich tegen toewijzing van deze vordering verzet.

3 Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Deze partij mag die bevoegdheid om tot executie over te gaan echter niet misbruiken. Van een dergelijk misbruik kan ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan volgens het genoemde artikellid van misbruik van bevoegdheid sprake zijn indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen.

4 Dienovereenkomstig is in vaste rechtspraak aanvaard dat de rechter slechts dan de tenuitvoerlegging van een vonnis op de voet van artikel 351 Rv kan schorsen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan dan wel misbruik maakt van de bevoegdheid tot executie. Hiervan kan met name sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd, waardoor een onverwijlde executie niet kan worden aanvaard (zie HR 22 april 1983, LJN: AG4575, NJ 1984, 145; HR 24 februari 1989, LJN: AD0646, NJ 1989, 551; HR 30 oktober 1992, LJN: ZC0738, NJ 1993, 4).

Indien dergelijke omstandigheden zich niet voordoen, is de rechter in een executiegeschil als het onderhavige gebonden aan de beslissingen die door de rechter in het te executeren vonnis zijn gewezen. Dit uitgangspunt brengt bovendien mee dat de enkele mogelijkheid dat een hoger beroep kans van slagen heeft geen omstandigheid is op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij executie van een vonnis.

5 [appellant] heeft zich er niet op beroepen dat het bestreden vonnis kennelijk op een juridische of feitelijke misslag berust.

6 [appellant] lijkt er zich wel op te beroepen dat hij door tenuitvoerlegging van dat vonnis in een noodtoestand zal komen te verkeren en dat dit aan de zijde van [geïntimeerden] misbruik van bevoegdheid oplevert.

Het hof onderkent wel, aangenomen dat de door [appellant] verschafte financiële gegevens juist zijn, dat hij bij executie van het vonnis in een penibele situatie kan komen te verkeren, maar dat is onvoldoende om van een noodtoestand te spreken. [appellant] beroept zich op een latente overwaarde van zijn woonperceel die hij mogelijk op termijn te gelde kan maken; maar hij stelt niet en maakt ook niet aannemelijk dat hij niet op basis daarvan een krediet kan aantrekken of dat [geïntimeerden] niet bereid zijn om in te gaan op een voorstel van zijn zijde om op basis daarvan een redelijke zekerheid, bij voorbeeld het verlenen van een hypothecaire inschrijving, te stellen. Dat geldt ook voor de vermogensbestanddelen die [appellant] volgens zijn memorie sub 14, op Bali nog stelt te hebben.

Bovendien stelt [appellant] niet dat sprake is van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die de gestelde noodtoestand zouden doen ontstaan.

Onder deze omstandigheden kan vooralsnog niet aangenomen worden dat [geïntimeerden] misbruik van hun bevoegdheid maken door nakoming van het bestreden vonnis te verlangen of tot tenuitvoerlegging daarvan over te gaan.

7 [appellant] heeft subsidiair gevorderd dat, zo begrijpt het hof, [geïntimeerden] veroordeeld worden om zekerheid te stellen alvorens zij de executie van het bestreden vonnis beginnen dan wel voortzetten. [appellant] heeft deze vordering niet voldoende onderbouwd, althans heeft hij geen andere argumenten aangevoerd dan in het voorgaande reeds verworpen, zodat het hof alleen al daarom aan toewijzing niet toekomt.

8 Uit deze overwegingen volgt dat de incidentele vordering wordt afgewezen. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het incident. De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven.

Beslissing

Het hof:

- wijst de incidentele vordering af;

- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in het incident, aan de zijde van [geïntimeerden] tot deze uitspraak begroot op € 1.788,- voor salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- verwijst de zaak naar de rol van 20 december 2011 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellant].

Dit arrest is gewezen door mrs. T.H. Tanja-van den Broek, J.C.N.B. Kaal en S.J. Schaafsma en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2011 in aanwezigheid van de griffier.