Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2011:BU8602

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
22-006107-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee HTM controleurs die bezig waren met de rechtmatige uitoefening van hun functie op de wijze zoals bewezen verklaard. Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006107-10

Parketnummer: 09-761615-10

Datum uitspraak: 16 december 2011

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 29 november 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

2 december 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 31 augustus 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Wouwermanstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (beiden bijzonder opsporingsambtenaar en controleur in dienst van de HTM), welk geweld bestond uit

- het zich (als groep) begeven naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of het door het grote aantal aanwezige personen creëren van een fysiek en/of numeriek overwicht ten aanzien van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het schoppen en/of stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of tegen lichaam van die [slachtoffer 1] en/of vastpakken van en/of knijpen in de nek van die [slachtoffer 1] en/of

- het bijten in de vingers/hand van die [slachtoffer 1] en/of

- het duwen en/of trekken aan het lichaam en/of de kleding van die [slachtoffer 1] en/of

- het schoppen en/of stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- het met een riem slaan tegen een been van die [slachtoffer 2];

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 31 augustus 2010 te 's-Gravenhage , althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] (bijzonder opsporingsambtenaar en controleur in dienst van de HTM), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, (meermalen) in het gezicht althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of spijt heeft ondervonden;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 31 augustus 2010 te 's-Gravenhage, met anderen, op de openbare weg, de Wouwermanstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (beiden bijzonder opsporingsambtenaar en controleur in dienst van de HTM), welk geweld bestond uit

- het schoppen en stompen en slaan tegen het hoofd en tegen lichaam van die [slachtoffer 1] en vastpakken van de nek van die [slachtoffer 1] en

- het bijten in de vingers van die [slachtoffer 1] en

- het duwen en trekken aan het lichaam en de kleding van die [slachtoffer 1] en

- het schoppen en slaan tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 2] en

- het met een riem slaan tegen een been van die [slachtoffer 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep -overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen- bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar primair tenlastegelegde en heeft daartoe -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:

- de verdachte heeft geen significante of wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld;

- er is geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op de openlijke geweldpleging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van de significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en uit de stukken van het dossier is het volgende gebleken.

De verdachte was op 31 augustus 2010 met tramlijn 11 van de HTM op weg naar huis. In deze tram waren twee in uniform geklede controleurs bezig met een controle van vervoersbewijzen. Er ontstond rumoer achter in de tram tussen de controleurs en drie jongens. Twee van de jongens hadden geen geldig vervoersbewijs bij zich. Omdat de tram dicht bij een halte kwam probeerde de controleur genaamd [slachtoffer 2] de jongens het uitstappen te beletten. De controleur genaamd [slachtoffer 1] vroeg één van de jongens (hierna: betrokkene) of hij wilde gaan zitten zodat het administratief kon worden afgehandeld. De betrokkene is op de controleur afgekomen en er ontstond een handgemeen. De tram was inmiddels aangekomen bij de halte Wouwermanstraat; de deuren van de tram waren open en de controleur en de betrokkene zijn samen de tram uit gevallen. Buiten lagen [slachtoffer 1] en de betrokkene op de grond; [slachtoffer 1] lag boven op de betrokkene en de betrokkene sloeg met zijn vuisten tegen het lichaam en in het gezicht van [slachtoffer 1]. Vervolgens heeft de betrokkene [slachtoffer 1] in zijn vingers gebeten, waarop de controleur de betrokkene in zijn gezicht sloeg. Terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag met de betrokkene werd hij geslagen en geschopt door omstanders.

De verdachte is in de tram naar achteren gelopen om te kijken naar wat er aan de hand was. De verdachte is bij de genoemde halte ook uitgestapt, terwijl zij daarin verder had moeten rijden om naar huis te gaan. De verdachte was het niet eens met de manier waarop de controleur probeerde de betrokkene aan te houden; naar haar idee was het een ongelijke strijd tussen een magere jonge jongen met zijn arm in verband - dat de verdachte aanzag voor gips - en een potige controleur. Toen de controleur en de betrokkene buiten bij de halte Wouwermanstraat op de grond lagen, schreeuwde de verdachte tegen de controleur dat hij de betrokkene los moest laten en zij begon aan de controleur te trekken en te duwen. Inmiddels stond er een menigte van tussen de 80 à 100 mensen om de controleur en de betrokkene heen. De verdachte is om de betrokkene en de controleur heen blijven lopen en zij is [slachtoffer 1] blijven duwen en trekken. De verdachte was de eerste van de omstanders die op vooromschreven wijze geweld gebruikte tegen de controleur [slachtoffer 1].

De tweede controleur, [slachtoffer 2], heeft tegenover de politie verklaard -zakelijk weergegeven- dat hij probeerde de grote groep aanwezige mensen op afstand te houden, maar dat hij niet kon verhinderen dat omstanders de nog steeds met de betrokkene op de grond liggende [slachtoffer 1] begonnen te slaan en te schoppen. Hij is zelf ook geslagen en geschopt en hij is door een man met een riem op zijn kuit geslagen. Hij heeft voorts verklaard dat hij zag dat een vrouw meerdere klappen op de rug van [slachtoffer 1] gaf en dat deze vrouw later door de politie is meegenomen.

De verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat zij de eerste was die tegen de controleur is begonnen te schreeuwen dat hij op moest houden en dat zij als eerste aan de controleur is gaan trekken en tegen hem aan is gaan duwen. Daarna gingen een aantal van de omstanders zich ook bemoeien met de controleur en zijn er jongens geweest die telkens uit de groep omstanders naar voren kwamen om een schop of een vuistslag aan de controleur te geven -die toen nog op de grond lag met de betrokkene- om vervolgens weer in de groep op te gaan. De verdachte heeft voorts verklaard dat zij op ongeveer anderhalve meter van de controleur, die op de grond lag, stond en dat zij er steeds bij is blijven staan ook als anderen geweld gebruikten, en er nog steeds bij stond toen de politie kwam, waarop zij is aangehouden. De verdachte heeft tevens verklaard dat er geen ander meisje is geweest dat zich met de controleur en de betrokkene heeft bemoeid.

Gelet op de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte degene is geweest die zich als eerste heeft bemoeid met de worsteling tussen de HTM controleur en de betrokkene door te schreeuwen, te duwen en te trekken. Voorts is de verdachte geweld blijven gebruiken tegen deze controleur, samen met een aantal andere omstanders. De controleur is door de verdachte en een aantal omstanders, geduwd, geslagen, gestompt, geschopt tegen zijn hoofd en lichaam en er is aan hem getrokken. Door aldus te handelen heeft de verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld en zich derhalve schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Ten aanzien van het opzet op het openlijk geweld

Uit hetgeen het hof heeft vastgesteld, zoals hierboven overwogen, volgt dat het opzet van de verdachte gericht was op de openlijke geweldpleging, immers de verdachte heeft zich (als eerste) aangesloten bij het geweld dat de betrokkene pleegde tegen de controleur [slachtoffer 1].

Concluderend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Nadere overwegingen omtrent de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte

Subsidiair heeft de raadsman van de verdachte zich, overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu aan haar een beroep op putatief noodweer toekomt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op (putatief) noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden naar luid van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht -voor zover thans van belang- in dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Uit de stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat het voor de verdachte duidelijk was dat de, in uniform geklede, HTM controleur [slachtoffer 1] in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was toen hij de betrokkene aansprak, wilde aanhouden en met hem in gevecht raakte. Ter zitting in hoger beroep is evenwel namens de verdachte betoogd dat het door de controleur gebruikte geweld om de betrokkene in bedwang te houden disproportioneel was en derhalve onrechtmatig zodat de geweldshandelingen van de verdachte geboden waren ter noodzakelijke verdediging van de betrokkene, althans dat de verdachte op dat moment mocht menen dat het optreden van de controleur [slachtoffer 1] disproportioneel en dus onrechtmatig was en haar handelen deswege gerechtvaardigd.

Het hof verwerpt het beroep op (putatief) noodweer en overweegt daartoe als volgt. Voor een HTM controleur, als buitengewoon opsporingsambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, geldt dat hij bij een aanhouding van een ‘zwartrijder’ in beginsel gerechtigd is gepast geweld te gebruiken indien dat -in afwachting van de komst van de politie- noodzakelijk is om te voorkomen dat de ‘zwartrijder’ zich aan zijn aanhouding onttrekt.

Gelet op hetgeen hierboven omtrent de poging de betrokkene aan te houden is overwogen -het hevige verzet van de betrokkene tegen zijn aanhouding en het geweld dat hij daarbij tegen de controleur [slachtoffer 1] gebruikte door vasthoudend in diens vingers te bijten- is naar het oordeel van het hof in geen enkel opzicht aannemelijk geworden dat er redenen voor de verdachte waren om te menen dat er sprake is geweest van ongepast geweld van de controleur [slachtoffer 1] jegens de betrokkene, die tot ingrijpen door haar zou nopen.

Uit het voorgaande volgt dat zich niet de situatie voordeed van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de betrokkene waartegen optreden -door de verdachte- geboden was. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep op noodweer wordt verworpen.

Op grond van de door het hof vastgestelde en hiervoor weergegeven gang van zaken zijn er evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat de verdachte ten tijde van het feit redelijkerwijs mocht menen dat sprake was van een wederechtelijk optreden van de controleur [slachtoffer 1] jegens de betrokkene waartegen zij laatstgenoemde moest verdedigen. Dat zij het “oneerlijk” vond wat er gebeurde omdat het een “kleine, magere jongen met een arm in het gips” was tegenover een ”grote dikke man”, is daartoe volstrekt onvoldoende. Hiermee wordt ook het beroep op putatief noodweer door het hof verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is terwijl er evenmin een omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de bewezenverklaring. De bewezenverklaring dient aangevuld te worden overeenkomstig de wijziging tenlastelegging zoals deze is gedaan ter terechtzitting in hoger beroep.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee HTM controleurs die bezig waren met de rechtmatige uitoefening van hun functie op de wijze zoals bewezen verklaard. De verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Personen die werkzaamheden met een algemene maatschappelijke taak uitvoeren, zoals het HTM-personeel, mogen erop vertrouwen dat zij bij de uitvoering van hun werkzaamheden gevrijwaard blijven van tegen hen gerichte vormen van geweld. Tevens is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige delicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen, terwijl zij ook nog geruime tijd last kunnen hebben van lichamelijk en/of psychische gevolgen van het gebeurde. Bovendien nemen als gevolg van dit soort delicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe, temeer als deze delicten, zoals het onderhavige, op de openbare weg, plaatsvinden.

Het hof heeft in het voordeel van de verdachte acht geslagen op feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op de volgende rapporten:

- het rapport Raadsonderzoek strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 15 september 2010, opgemaakt door J. Hageman, raadsonderzoeker;

- het rapport Raadsonderzoek strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 12 juli 2011, opgemaakt door I.J. Slobbe, raadsonderzoeker.

Uit het laatstgenoemde rapport volgt -zakelijk weergegeven- dat de Raad voor de Kinderbescherming van mening is dat er zich geen bijzonderheden lijken voor te doen op de verschillende leefgebieden van de verdachte; er lijkt sprake van een gezonde en positieve ontwikkeling naar volwassenheid. De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat er geen risico’s zijn voor de verdere ontwikkeling van de verdachte en adviseert het hof een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

Voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gewezen op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], inhoudende de vordering tot vergoeding van geleden immateriële en materiële schade tot een bedrag van EUR 700,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.

Namens de verdachte heeft de raadsman bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk ter verklaren.

Uit het Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, dat is ondertekend op 12 november 2010, blijkt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] zich heeft beoogd te voegen in het strafproces van de verdachte M. El Haddadi (de betrokkene) nu enkel de geweldshandelingen gepleegd door deze verdachte en de gevolgen die deze geweldshandelingen voor de benadeelde partij hebben gehad omschreven staan op het voegingsformulier.

Voorts blijkt niet dat de benadeelde partij zich in eerste aanleg heeft gevoegd in de onderhavige strafzaak.

Gelet op het bovenstaande zal het hof de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 1], in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. A.A. Schuering en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. M. ter Riet.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 december 2011.